Toneel / Dans / Performance

SOMETHING (out of nothing) Kris verdonck / A two dogs company

Machteloos Schouwen

‘SOMETHING (out of nothing)’ van Kris Verdonck is geen gemakkelijke rit: al van in het begin weet je dat dit over het einde van de Mens zal gaan. Verdonck verzint daar verbluffende beelden bij, maar klopt steeds maar op dezelfde nagel, zonder een oplossing aan te dragen. Die is er, volgens Verdonck, ook helemaal niet meer. We schouwen machteloos onze eigen ondergang.

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
SOMETHING (out of nothing)
Pieter T’Jonck Kaaitheater Brussel
Kunstenfestivaldesarts
meer info
24 mei 2019

De stem van een Engelstalige vrouw weerklinkt in het donker. Een scherm daalt neer tot de halve hoogte van het podium om haar woorden te vertalen. Ze spreekt over de sporen van het verleden in het heden, over vernielingen aangericht in naam van de vooruitgang die ons nu naar de ondergang voeren. De tekst leunt op de korte notitie die Walter Benjamin maakte bij Paul Klee’s schilderij ‘Angelus Novus’: ‘Zo moet de engel van de geschiedenis eruitzien. Zijn gelaat is naar het verleden gewend. Waar wij een reeks gebeurtenissen waarnemen, ziet hij één enkele catastrofe en daarin wordt zonder enig respijt puinhoop op puinhoop gestapeld, die hem voor de voeten geworpen wordt. De engel zou wel willen blijven (…) maar zijn vleugels vangen de wind die uit het paradijs waait (…). Deze storm stuwt hem de toekomst in die hij de rug heeft toegekeerd, terwijl de stapel puin vóór hem tot aan de hemel groeit. Deze storm is wat wij vooruitgang noemen’.

Daar voegt Verdonck een tweede verhaal aan toe. Over een volk dat eeuwenlang geen enkele boom hakte, uit vrees voor de wraak van de boomgeesten. Tot, op een dag, een man een kettingzaag kocht. Toen hij een boom omzaagde gebeurde er niets. Na enige tijd waagden ook anderen het erop, en nog steeds gebeurde er niets. Tot er van het bos niets overbleef. ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’. Maar de bosgeesten waren wel verdwenen. Het is een niet mis te verstane allegorie: we geloven dat we de wereld eindeloos kunnen exploiteren, maar de prijs die we betalen is hoog. Alles is zielloze koopwaar geworden. En ook: het ziet er nog steeds allemaal piekfijn uit, maar om de hoek loert de ondergang. We lopen er met open ogen op af, maar doen alsof er niets aan de hand is. Anderhalf uur lang probeert Kris Verdonck in ‘Something (out of nothing) dat  -vooralsnog haast onvoorstelbare- doemscenario toch weer te geven.

Dat doet hij eerst door sfeerschepping. Helemaal achteraan op het podium, in het schemerduister, zit celliste Leila Bordreuil. Haar elektronisch versterkte instrument brengt het hele klankspectrum voort, van een vederlicht gezoem tot indringende, diepe tonen, scherp vervormde pizzicatoklanken en verscheurend gedreun. Maar nu, in het begin sijpelt de muziek haast onhoorbaar binnen. Van boven het podium zakt tegelijk een groot, donker, fluwelig volume naar beneden. Plots klapt het open, en zwelt verder op tot een griezelig grote bloem, terwijl de muziek aanzwelt tot zenuwtergend gepiep en gekraak. En dan verdwijnt ze weer.

Het stuk had daar zomaar kunnen eindigen. Met een beeld van een ontregelde natuur die een punt zet achter het Anthropoceen nog voor het goed en wel begonnen is. Dat doet Verdonck in de tentoonstelling ‘Bogus I-II-III’ die loopt in Kanal, Brussel. In dit stuk volgt echter een onverwachte wending. Het licht gaat op, en daar verschijnen twee mannen in pak en twee vrouwen in kokette, wat ouderwetse, cocktailjurken met bloemmotieven. Een nauwsluitende zwarte body in fluwelige stof en een schermmasker maken hen onherkenbaar.

Ze huppelen wat onwennig rond, alsof ze niet goed weten wat ze op dit grote podium doen. Maar verontrust lijken ze niet. Ze dollen wat, een koprol hier, een sprongetje daar of vleien zich neer. Een vrouw inspecteert de zoom van haar jurk. Na enige tijd komt dit groepje toch tot een gezamenlijke actie die je met wat goede wil ballet kon heten. Dat krijgt een raar staartje als de dansers in een kramp schieten en stuiptrekkend over het podium evolueren. Maar die dramatische wending krijgt geen vervolg. Het was niet serieus. Niets lijkt hier serieus. Maar het ziet er wel piekfijn uit.

Verdonck voert hier een zeer subtiele regie.

Verdonck voert hier een zeer subtiele regie. Elke beweging, tot de kleinste tic of achteloze geste, is trefzeker gekozen en ritmisch gearrangeerd om het beeld op te roepen van mensen die niets om handen hebben maar ook niets te kort komen. Mensen die zomaar wat doen. Bijzonder moeilijk als je geen gezichten kan laten zien. Maar het werkt: de dansers hebben de herkenbaarheid van stripfiguren, al zijn ze van vlees en bloed. Hun handelen is van een ondraaglijke lichtheid. Het deed me denken aan het personage Winnie in ‘Happy Days’ van Samuel Beckett: een vrouw die in steeds benarder omstandigheden belandt maar blijft vasthouden aan haar futiele routines, alsof de ramp -de dood- zo afgewend kon worden. Net zo zien we hier lichtzinnig gedrag terwijl een catastrofe van ongekende omvang er aan komt.

Die catastrofe wordt dadelijk daarna, en op precies dezelfde manier als in de openingsscène, in detail geëvoceerd door de vrouwenstem. Waarop ook weer monsterlijke bloemen, twee deze keer, uit de lucht naar beneden groeien onder begeleiding van schurende celloklanken. De dansers keren daarop terug, nu allen gekleed in een vaalgrijs hemd. Ze zetten nagenoeg hetzelfde dansje neer van bij hun eerste verschijning, alsof het de spoken waren van de nu overleden personages uit het vorige tafereel. En ook nu draait het vertoninkje zot naar het einde.

Terug de stem daarna, deze keer zonder scherm om te vertalen. Er wordt ook niets nieuws meer gezegd. De stem blijft dezelfde zinnen herhalen, op de duur in willekeurige volgorde, als een jeremiade, een klaagzang zonder einde. De ene monsterplant na de andere komt nu tot bloei boven het podium, tot je een bos van wanstaltige creaturen ziet. Er is geen twijfel meer: dit stuk is een eindeloze herhaling van hetzelfde verhaal, dat als de waarschuwingen van Cassandra steeds weer in de wind geslagen wordt door de personages. Of kunnen ze het gewoon niet helpen? Zijn ze de speelbal van een geschiedenis of een ‘vooruitgang’ die onherroepelijk op de Apocalyps afstevent?

Naar eigen zeggen haalde Kris Verdonck inspiratie voor deze verhaalstructuur uit het Japanse No-theater. Dat toont een zelfde verhaal drie keer: een keer zoals het zich in werkelijkheid afspeelt, een tweede keer om de motieven ervan te verhelderen en een derde keer om de spirituele achtergrond te tonen. Die derde, spirituele versie volgt inderdaad nog. De vier dansers verschijnen in het post-apocalyptische woud van monsterplanten, nog steeds in hun zwarte body, maar deze keer zie je hun gezicht wel. Elk van hen draagt een masker bij zich in de vorm van een bloembol of een hartvormige knol, omkranst door veren, bladeren of bloemen. Onder de eindeloze litanie van onheilsberichten zetten de dansers plechtig hun masker op telkens wanneer ze toch nog enkele schuchtere danspassen uitvoeren. Het zijn de boomgeesten uit het verhaal aan het begin van het stuk, die hun plaats niet meer vinden in deze verwoeste wereld.

Daarna barst een akoestisch pandemonium uit als Leila Boudreuil met behulp van elektronica haar cello helemaal overstuur laat gaan: een gierend, schurend en dreunend lawaai waarbij horen en zien vergaan. Einde.

Het stuk laat je beduusd achter. Het irriteert je ook in de loop ervan voortdurend door zijn voorspelbaarheid, zijn ‘nietsigheid’, de herhalingen. Je kan hier niets mee, je kan er geen ja of nee op zeggen, je kan alleen maar machteloos kijken. Dan heb je twee keuzes: je verzet je, of je geeft je over. Maar als je dat tweede doet krijgt het stuk wel de allure van een metafysische meditatie. Alleen het erg nadrukkelijk naar een orgelpunt toe werkende einde wringt daarmee. Het haalt de theatrale conventie van de apotheose binnen in de verbeelding van een verstilde Apocalyps.