Dans / Opera

Pygmalion Femke Gyselinck / Apotheosis Ensemble

Ode aan de creatieve verbeelding

De betoverende mythe Pygmalion uit Ovidius’ metamorfosen was de inspiratie voor Rameaus bekendste acte de ballet. Apotheosis Ensemble en Femke Gyselinck gingen er samen mee aan de slag. Het resultaat is een ontwapenende ontmoeting tussen opera en hedendaagse dans. 

Uitgelicht door Emma Meerschaert
Pygmalion
Emma Meerschaert
Concertzaal Concertgebouw Brugge
MA festival
meer info
12 augustus 2019

Ovidius’ mythe vertelt het verhaal van de Cypriotische beeldhouwer Pygmalion die hopeloos verliefd wordt op zijn eigen creatie. Hij richt zich tot de liefdesgoden, waarna als bij wonder het ivoren beeld tot leven komt.

Jean-Philippe Rameau' s ‘Pigmalion’ (1748) werd meer dan 200 keer opgevoerd in de Académie Royale de la Musique te Parijs. Volgens dramaturge Katherina Lindekens trok Rameau alle registers open voor deze miniatuur balletopera: ‘Het muzikale spectrum reikt van fluïde recitatieven tot virtuoos geornamenteerde airs, met tussendoor een massief koor en aanstekelijke dansen.’

Apotheosis Ensemble onder leiding van Korneel Bernolet en choreografe Femke Gyselinck staken deze balletopera voor het MAfestival ‘Ex machina’ in een hedendaags jasje. Deze verfrissende uitvoering lijkt niet de idyllische vrouwelijke schoonheid centraal te stellen, maar wel het proces van het samen creëren.

We krijgen het standbeeld van Pygmalion namelijk nooit werkelijk te zien. Het wordt telkens via een omweg gesuggereerd. De kijker moet zelf zijn verbeelding laten werken. Ook bij het DIY decor moet de kijker het halve werk doen. Terwijl het ensemble ons muzikaal verwelkomt, bakent Gyselinck een groot wit vlak af met witte tape, een procedé dat ze ook bij ‘Erato’ toepaste, toen in fel roze. Meer is het niet.

Met de vocale solisten en haar mede-dansers Bryana Fritz en Jasmin Gins Posada plaatst ze vervolgens twee grote spots aan beide zijden van het podium. Zwarte stoelen voor de zangers in de verste hoeken van het witte vlak completeren het beeld. Pas later verschijnen er op een scherm achteraan ook verschillende bladzijden uit het originele libretto.

Ook de kostuums blijven uiterst sober. Geen lange jurken of rokkostuum voor de zangers, maar een jeansbroek en een donker T-shirt. Vergeleken daarbij is de kleurige losse kledij van de dansers bijna uitbundig.

Gyselinck wil onderzoeken hoe dans het gesproken woord kan vertolken

Barokke effecten zullen we hier dus niet krijgen, zoveel is duidelijk. Gyselinck is immers op iets anders uit. Ze wil onderzoeken hoe dans het gesproken woord kan vertolken. Dat doen  ze met een combinatie van theatrale en alledaagse bewegingen, die ze met een gespeelde nonchalance brengen. Een speelse toon die ook haar eerdere voorstellingen ‘Flamer’ en ‘Erato’ kenmerkten.

De eerste scène is een lamento : Pygmalion (Philippe Gagné) verklaart hopeloos zijn liefde voor zijn levenloze sculptuur. De drie dansers weerspiegelen zijn klaagzang in verschillende ‘toonaarden’. Ze voeren synchroon, en dicht bij elkaar, min of meer dezelfde dans uit, maar elk met hun eigen accenten, als hun eigen ‘dialect’ van dezelfde vormentaal.

Dat gaat zo door in de tweede scène. De warmbloedige Céphise (Lieselot De Wilde) probeert de beeldhouwer tevergeefs te verleiden. De dansers vertalen samen haar recitatief met basso continuo in trage, nadrukkelijke bewegingen met een dramatisch karakter, al hoeden ze zich voor het al te groteske.

Bij de derde scène, waarin Pygmalions smeekbedes verhoord worden door Venus,  dooft het licht. De dansers lopen het podium af en verschijnen nu als schaduwbeelden op het projectiescherm. Onder betoverende klanken van fluit, fagot en strijkers verbeelden ze hoe het standbeeld tot leven komt. Elegante poses wisselen elkaar langzaam af. Ze evoceren hoe het standbeeld haar lichaam ontdekt, waarvan ze de werking op allerbevalligste manier verkent. Vooral haar handen verleiden haar tot een elegant spel.

In de volgende scène neemt ‘Amour’ (Caroline Weynants) de opvoeding van het beeld ter hand. Het zal kennis maken met de deugden van de beschaving, in de vorm van barokke hofdans. De dansers verschijnen nu weer op het podium als de drie gratiën die het standbeeld dansles geven. Een opeenvolging van uiteenlopende danspatronen worden gracieus voorgesteld. Daarna zitten ze neer om te kijken hoe hun -onzichtbare- pupil het er vanaf brengt. Tot slot springen ze op om bij de opzwepende muziek een dansfestijn te houden.

In de slotscène wordt het standbeeld opgenomen in de mensenwereld. Samen met het koor zingt Pygmalion een loflied op de liefde. De vocale solisten vervoegen energiek en vrolijk de witte vlakte. Samen met de dansers bouwen ze een sokkel met stenen, midden op het podium.

In essentie verhaalt deze opera hoe een mannelijke schepper de vrouw naar zijn verlangen vormgeeft. Door het standbeeld nooit werkelijk te laten zien, maar alleen via een omweg te suggereren, laat Gyselincks interpretatie dit barokke, geëxalteerd idee van de vrouw intact, maar plaatst ze er ook fijntjes een kanttekening bij.

Die exaltatie kan immers niet verhelen dat ze het vrouwenlichaam objectiveert. Daar zet deze productie een ander soort exaltatie tegenover. Het vrolijke samenspel tussen dansers, muzikanten en solisten is een ode aan de kracht van het samen creëren en verbeelden.