Holden Caulfield vangen (eigenlijk gewoon naar huis willen) Adriaan Van Aken / Het Nieuwstedelijk
Spannende geheugenarbeid
‘Catcher in the rye’ van J.D. Salinger herlezen, wandelen in Manhattan, een queeste naar zijn schoolgaande jeugd: met die ervaringen maakt Adriaan Van Aken, bijgestaan door zijn zoon Staf, de audio-performance, ‘Holden Caulfield vangen’. De ondertitel luidt: ‘(eigenlijk gewoon naar huis willen)’. Die zegt alles. Een schoolgenoot van Van Aken, Tom Verdyck, kon niet meer naar huis: hij overleed in de turnles. Op zulke drama’s, die een parallel hebben bij Holden Caulfield, Salingers ik-figuur, gaat Van Aken in tijdens zijn vertelling. Hij maakt het erg spannend, in allerlei opzichten.
‘The catcher in the rye’ van J.D. Salinger, uit 1951, blijft een iconisch boek. Vaak verplichte lectuur voor adolescenten op school, maar even vaak verbannen uit schoolbibliotheken, nog steeds. De coming-of-age-roman, die, anders dan Goethes ‘Die Leiden des jungen Werthers’ eerder boosheid uitstraalt dan melancholie, weet een zinloosheid te vatten van jongeren uit de middenklasse. Verwend maar zonder ambitie; jonge mensen (mannen vooral) die zichzelf en elkaar pijn doen en zwelgen in onbereikbaar verlangen.
Familiale autofictie
Holden Caulfield, de ik-figuur, is nochtans niet representatief voor de jeugdcultuur na de tweede Wereldoorlog. Hij is een individu dat films haat, aanrakingen haat, clichés haat, en enkel zijn zeer wereldwijze zusje Phoebe écht graag ziet. Het laatste wat Holden Caulfield wil, dat is een statement maken. Ook J.D. Salinger wou dit niet, getuige zijn bij testament vastgelegde, radicale verbod om de roman te verfilmen. Iedereen moet zich van zijn (anti)held een eigen beeld vormen. Iedere lezer moet zelf in de voetsporen van Caulfield door Manhattan zwerven om te zien wat hij zag nadat hij ontsnapte uit het internaat in Pennsylvania waar hij buitengesloten was.
Adriaan Van Aken maakt wel vaker autofictieve familieverhalen, zoals recent nog in ‘Soldaat Van Aken, de vijand lacht zich dood’ (2023): de eigen vader als historisch erfgoed. ‘Catcher in the rye’ inspireert hem al langer, zoals bleek uit ‘Dansen drinken betalen’, al ging het daarin om de fugue van een tienermeisje, dat de ideale jongen bijeen fantaseert in haar tocht langs het nachtleven. In ‘Holden Caulfield vangen’ komen die dingen samen: vader en zoon, samen op de scène, en ‘Catcher in the Rye’.
Staf Van Aken gaat nochtans geen Holden Caulfield spelen. Hij is een aanwezige niet-acteur die hoogstens de rode jagerspet van Holden opzet, in korte poses. Als een soort rekwisiteur legt hij de slides op de episcoop en schrijft of tekent hij er soms iets bij. Staf monteert en demonteert dunne, gekleurde paaltjes – een afbakening, ook een doolhof, verwijzend naar de ‘native’ oorsprong van Manhattan als habitat. Hij speelt gitaar en schreeuwt lijstjes in de microfoon, lijstjes die zijn vader maakte van kleding waarin dierennamen verwerkt zijn – een bizarre dichterlijke vrijheid.
De drukke aanwezigheid van vader en zoon Van Aken is op zichzelf theatraal.
Ook Adriaan Van Aken acteert eigenlijk niet. Hij verwelkomt ons, hij zet de figuurlijke bandopnemer op, hij modereert tussen telefoongesprek, interview, muziek en handeling. Even speelt hij de gladde verkoper, in een verzonnen souvenirshop met Holden Caulfield-artikelen, maar daar houdt het toneelspelen op. Hoewel dit niet helemaal waar is, want de drukke aanwezigheid van vader en zoon Van Aken is op zichzelf theatraal. Functioneel, dat wel, maar zonder meer theatraal. Zoals Salinger ook schrijft alsof hij dwaze gedachten en onverwerkte gevoelens noteert in een schriftje, terwijl het wel degelijk een geraffineerde literaire compositie is.
Cirkels lopen
Adriaan Van Aken legt een aantal duidelijke accenten. Hij heeft in Manhattan het parcours van Holden Caulfield vele keren gelopen, en stelde vast dat die eigenlijk in concentrische cirkels rond zijn eigen huis liep, als een voorzichtige, misschien onbewuste benadering van de plek waar hij thuis kan zijn, ondanks alles. Of hij daar ongeschonden aankomt, vertelt Salinger niet, maar het kan bijna niet anders. Ook legt Van Aken de nadruk op de ‘native’ voorgeschiedenis van Manhattan. Broadway is geen brutale scheur in het raster van de straten van New York City, het is de hoofdweg van de Lenape, de bewoners van het pre-koloniale Manhattan. Van Aken bezoekt, net als Holden Caulfield, het Museum of Natural History, waar een grote kano staat – drie Cadillacs achter mekaar, zegt Caulfield – en waarin destijds poppen van zwaar bewapende Lenape-krijgers zaten, beschilderd in oorlogskleuren.
Die nagemaakte ‘human zoo’ is nu weg. Van Aken ontmoet er een vrouw die het portret van haar voorouder aanwijst, een ‘chief’ van de Tingit uit Alaska. Dit soort ontmoeting is cruciaal voor hem, de geschiedenis is gelaagd en complex, zowel de gebeurtenissen (de Lenape van de oostkust zijn verdreven tot in Oklahoma), als de museale representatie ervan (een kano hoeft geen oorlogsschip te zijn). Hij legt zo, als aanvulling bij Holden Caulfields gevoel dat hij zich op vijandig terrein beweegt, het verdrongen verleden van de koloniale stad New York bloot. Die stad eigende zich Manhattan toe: de naam is een verbastering van de oorspronkelijke naam die de natives eraan gaven. Is het huis waar hij naartoe wil echt wel zo veilig?
Koppige herinneringen
Toch is die dekoloniserende duiding niet de kern van zijn betoog, Van Aken gebruikt ‘Catcher in the rye’ vooral als klankbord voor zijn hoogst persoonlijke geheugenarbeid – zijn term. Twee anekdotes uit zijn adolescentie houden hem bezig, en hij zoekt, redelijk fanatiek, naar getuigen, steeds dichterbij. Eerst is er Michael Martens, de jongen die een raster kraste in zijn hand, met een cutter (de straten van Manhattan, zonder Broadway?). We horen een telefoongesprek en een interview, nogal gemoedelijk allebei. Michael herinnert zich niets, maar hij kan zich voorstellen dat hij zoiets deed. Hij vertelt ook, zeer Caulfield-achtig, dat hij maandenlang deed alsof hij naar school ging, terwijl hij door Antwerpen zwierf. De toon van die gesprekken doet onwennig aan, er is amper emotie hoorbaar.
Dramatischer is het verhaal van Tom Verdyck, die tijdens een turnles in elkaar zakte en stierf. Van Aken wil zich beperken tot enkele getuigen, maar er duiken er steeds meer op, elk met licht afwijkende versies van het incident, dat een hele school (Pius X in Antwerpen) deed daveren, met onverwachte dapperen en radelozen. We horen een kakofonie van stemmen, van vage en precieze herinneringen, een chaotische soundscape, opgezweept door de muziek van Joris Caluwaerts en Bert Hornikx. Van Aken hangt dit relaas op aan de figuur van James Castle in ‘Catcher in de Rye’, de jongen die uit het raam sprong, opgejaagd door pestkoppen. Tom was geen vriend van Adriaan, ze hadden alleen toevallig dezelfde groene anorak en noemden elkaar ‘zelfde jas’. James was geen vriend van Holden, ze zaten alleen samen in de wiskundeles, meer niet.
Door de dood van een jongen verdwijnt de emotionele afstand. De betrokkenheid die er nooit was wordt ineens overweldigend.
Merkwaardig genoeg zorgt de dood van een jongen ervoor dat de emotionele afstand verdwijnt, de betrokkenheid die er nooit was wordt ineens overweldigend. Het wordt helemaal intiem als we het gesprek met de 96-jarige moeder van Tom te horen krijgen, die nog een laag toevoegt aan het archief van levenden en doden. Om dat van zich af te spoelen, zo lijkt het, laat Van Aken nog een gesprekje met Michael horen. Hij kerft niet meer in zijn handen, hij is gelukkig, alles is goed.
Het Nieuwstedelijk heeft één hebbelijkheid: altijd en overal moet muziek bij. De sfeermuziek, hoe goed gespeeld ook, ondermijnt hier echter de trefkracht van de vertelling. Zo’n soundscape hindert, zeker het eerste halfuur, de vertelling in ‘Holden Caulfield vangen’. In ‘Catcher in the rye’ loopt er ook een imaginaire soundtrack doorheen het boek, lichte en donkere jazz, maar daar bepaal je als lezer zelf hoe luid die klinkt. Pas wanneer het tempo van de voorstelling opgevoerd wordt, en ook wanneer Staf Van Aken meespeelt, krijgt de muziek een geloofwaardige plaats. Dan irriteert ze niet meer, dan helpt ze. Gelukkig heb ik de geluidsknop in mijn hoofd ook kunnen bedienen, en kon ik mij doorgaans helemaal concentreren op de rapsodie van gesprekken, de zuinige beelden. Geheugenarbeid, we werken daar nooit genoeg aan.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz