Muziektheater

This Will Not End Well Het Zuidelijk Toneel / Suze Milius

Wanneer amateurisme performance wordt

In ‘This Will Not End Well’ van Het Zuidelijk Toneel laten regisseur Suze Milius en componist Annelinde Bruijs de fictieve amateurband Distortion Klub opdraven. Wanneer het trio bij een repetitie plots voor een live publiek blijkt te staan, ontspoort hun concert tot een tragikomedie vol sociaal ongemak. Aanvankelijk werkt hun klunzigheid bevrijdend, maar wat als zelfs amateurisme een pose wordt?


This Will Not End Well
Robbe Beheydt TR25 Schouwburg, Rotterdam, in het kader van O. Festival
meer info download PDF
RECENSIEWORKSHOP
01 juli 2026

Drie spelers komen de zaal binnen langs de publieksingang. Door de smalle deur sjouwen ze elk onhandig een meubelroller binnen met daarop een versterker, een microfoonstatief, een verzameling effectpedalen en een kluwen aan kabels. Tussen het ratelen van de wielen en het gebonk van het materiaal door zijn flarden op te vangen van een banaal, gemompeld gesprek over een glutenvrij dieet. Intussen stapelen kleine momentjes van slapstick zich op: een microfoonstatief zakt tot grote ergernis steeds weer in, een van de spelers raakt voortdurend verstrikt in een web van kabels met de gekrulde punten van zijn narrenschoenen. In hun eenvoud en stunteligheid wordt het trio te kijk gezet als clowns, al lijken ze zich daar nauwelijks van bewust. Als toeschouwer bespied je mensen die zich in al hun onhandigheid onbespied wanen. 

Dat verandert wanneer de technicus de lichten ontsteekt. In lichte paniek stellen de drie vast dat er publiek aanwezig is in hun vaste repetitieruimte. Een telefoontje met de gebouwbeheerder brengt opheldering: vanavond stellen alle artiesten die van het gebouw gebruikmaken hun werk voor tijdens een ‘Exposure night’. Wat volgt is inderdaad niet alleen een toonmoment, maar ook een vorm van blootstelling, ‘exposuretherapie’ voor amateurkunstenaars op zoek naar erkenning.

Een soundtrack van ongemak

Het vervolg van de voorstelling presenteert zich als een concert van de band die zich voorstelt als ‘Distortion Klub’. De bandleden, ‘Bobbbo Rollo’ (Gillis Biesheuvel), ‘Bertram Big Deal Zehndi’ (Joep van der Geest) en ‘Franchise Farrelle’ (Alicia Boedhoe), zijn amateurmuzikanten die uitgaan van de filosofie dat iedereen muziek kan maken en in ieder mens een vorm van genialiteit schuilt. Bijzondere vaardigheden zijn daarvoor niet vereist: alles wat noise maakt, is voor Distortion Klub een muziekinstrument. In theorie lijkt dat een radicale omarming van een amateurisme dat alle druk weghaalt, in de praktijk blijkt het een keuze die vooral een diepere onzekerheid moet maskeren.

Telkens opnieuw zijn het scènes waarin mensen niet gezien worden voor wie ze (denken te) zijn en zich krampachtig een houding proberen aan te meten in de blik van de ander.

De sluimerende onzekerheid blijkt ook uit de songtitels: ‘Pleasure Rhymes With Pressure’, ‘I Hope You Perform Me Better Than I Do’ of ‘When You Open My Coffin, I’m Not Home’ – alle afkomstig van hun debuutalbum ‘24 Times Nothing and 1000 Times I’m Fine’. Hun muziek blinkt uit in een ongemakkelijk amateurisme: de open visie op muziek blijkt vooral een vrijgeleide om repetitieve beats op te leuken met willekeurige effecten en geluidjes uit een soundboard.

Op een paar nummers na worden al deze nummers gezongen in een monotone spreekzang. De Engelstalige teksten vertellen schijnbaar banale en langdradige verhalen over sociaal ongemakkelijke situaties: iemand in een park wordt aangesproken door een vrouw die hem denkt te herkennen, iemand maakt een dringende afspraak met een kennis om er vervolgens achter te komen dat die niets te zeggen heeft, iemand wacht in een koffiebar eindeloos tot de ober hem opmerkt. Telkens opnieuw zijn het scènes waarin mensen niet gezien worden voor wie ze zijn – of denken te zijn – en zich krampachtig een houding proberen aan te meten in de blik van de ander.

Onzekerheid in close-up

Tussen de nummers door zien we de personages dezelfde zoektocht doormaken. Naarmate het concert vordert, beginnen ze zichzelf steeds nadrukkelijker te ensceneren. Ze tooien zich met verkleedkleren, hoeden, zonnebrillen en andere attributen. De oprechtheid die hun amateuristische esthetiek had beloofd, verdwijnt achter steeds meer lagen performance.

Ook binnen de groepsdynamiek zelf blijkt authenticiteit een hachelijke onderneming. Wanneer Bertram het publiek wil vertellen waarom een bepaald nummer een bijzondere plek heeft in zijn hart, wordt hij prompt onderbroken door Bobbbo, die kinderlijk giechelend demonstreert hoe hij een gekke pruik opzet. Elke poging tot ernst wordt geneutraliseerd door ironie. Onderhuidse spanningen worden makkelijk weggelachen.

Dat mechanisme komt nog scherper naar voren in een reeks interviews die de bandleden van elkaar afnemen. Terwijl ze de geïnterviewde in close-up filmen, peilen ze naar elkaars diepste onzekerheden. Het eerste interview met Franchise begint speels, maar ontspoort wanneer ze wordt gevraagd om drie negatieve eigenschappen van zichzelf te noemen. Aangemoedigd door de anderen blijft ze een eindeloze reeks kleinere en grotere gebreken opnoemen, tot ze vastloopt en schreeuwend blijft herhalen dat ze verslaafd is aan ijs. Bij de andere interviews gebeurt hetzelfde: de bandleden dwingen elkaar steeds dieper in hun onzekerheden te graven, geven commentaar op elkaars antwoorden of antwoorden in elkaars plaats. Medespelers zijn geen medestanders, maar vertegenwoordigen de vijandige blik van de ander. 

Je verlangt in ‘This Will Not End Well’ spontaan terug naar de onbevangen klunzigheid van het begin – mocht die niet evenzeer gespeeld zijn.

Opvallend in die interviews is de rol van de taal. De gesprekken beginnen in het Nederlands, maar zodra de woorden beginnen sputteren, grijpen de personages naar het Engels. Moeiteloos houden ze een betoog over de relatie tussen kunst en identiteit, maar de Nederlandse woorden die erdoorheen schemeren (“When I lose the mogelijkheid to express myself, that would be a nachtmerrie”) onthullen dat hun discours niet meer is dan imitatie en recyclage van bestaande frasen. Engels is de taal van de oppervlakte, waarop je altijd kan teruggrijpen om een vlot antwoord te formuleren op een lastige vraag. Je diepste angsten worden bezworen met een eenvoudig “I’m fine”. Wanneer we onszelf opvoeren voor de ander, raken de woorden die we gebruiken uitgehold. Door de nadrukkelijk performatieve manier waarop de bandleden Engels spreken, wordt alle taal – ook het Nederlands – verdacht.

Het tragikomische karakter van ‘This Will Not End Well’ schuilt in de mislukte poging om via amateurisme te ontsnappen aan de blik van de ander. Aanvankelijk lijken de personages zichzelf nog te willen tonen zonder filter, maar eenmaal blootgesteld aan het publiek worden ze steeds performatiever. Hoe meer ze zichzelf proberen te zijn, hoe meer ze zichzelf beginnen te spelen. Elke vorm van erkenning behelst een nieuwe opdracht om nog zichtbaarder, nog nadrukkelijker aanwezig te zijn. Zelfs hun klunzigheid wordt een rol die ze moeten blijven volhouden. Hetzelfde mechanisme zie je dagelijks op sociale media: de kwetsbaarheid en authenticiteit die we willen tonen vervallen al snel in geijkte formules. En hoe meer we onszelf laten zien, hoe groter de dreiging om vast te lopen in het beeld dat we van onszelf hebben opgehangen.

Je verlangt in ‘This Will Not End Well’ spontaan terug naar de onbevangen klunzigheid van het begin – mocht die niet evenzeer gespeeld zijn.

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz