Dans / Performance

Any attempt will end in crushed bodies and shattered bones Jan Martens / GRIP

Waanzinnige herhaling

Zeventien dansers zette Jan Martens op het podium. Eenkoppig als een corps de ballet, alarmerend als een volgzame kudde. Ongelofelijk divers in verschijning en neigingen, repetitief totdat je er gek van wordt. Na uitstel van een jaar, en een tussentijdse filmadaptatie, ging ‘any attempt will end in crushed bodies and shattered bones’ nu eindelijk in België in première. Een waanzinnige vertoning van extatische herhalingen, tegen de achtergrond van een weerzinwekkende actualiteit.

Any attempt will end in crushed bodies and shattered bones
Bas Blaasse Les Ecuries, Charleroi
in het kader van Charleroi Danse biënnale
meer info
22 oktober 2021

Ik moest rennen om op tijd te zijn. Mijn hart bonkt in mijn keel, buitenadem toon ik de verkeerde QR-code. Op de automatische piloot, ik sta er al bijna niet meer bij stil, het Covid Safe Ticket is ingeburgerd zoals de vaccinatie werktuiglijk door mijn lichaam stroomt.

Op de podiumvloer ligt een raster van witte lijnen, een mathematisch looppatroon. Drie horizontale en drie verticale strepen verdelen de vloer in een aantal vierkanten, met twee diagonalen erdoorheen. Tussen de witte lijnen liggen ogenschijnlijk kriskras rode en blauwe stippen, als een sterrenconstellatie of de brandpunten van een sluipschutter. Het decor wordt afgesloten door het enorme projectiescherm achteraan, dat bijna reikt tot het plafond en in de eenvoud een kille indruk wekt.

De leeftijd van de dansers loopt van zeventien tot zeventig. De jongste is een jongen en opent de avond in grijsblauw tenue, alleen. Gympen, shorts, een matje. Het lijken de jaren tachtig. Wanneer dreigende klavecimbeltonen stevig inzetten beginnen zijn armen te bewegen terwijl zijn benen roerloos op dezelfde plek blijven staan. Zwierend beweegt zijn lichaam vanaf zijn torso omhoog en omlaag, opzij draaiend en weer terug, nu eens vertragend, dan weer versnellend. Afwisselend abrupt en sierlijk, volgt zijn blik zijn eigen handelen. Soms lijkt hij basketbal te spelen, soms lijkt het alsof hij iemand versierd of bezweert, dat blijft voor tweeërlei uitleg vatbaar. Bovendien is hij nog alleen. Wanneer de muziek na een aantal minuten aanzwelt, draait hij een kwartslag, laat het hoofd hangen, en begint heftig, bijna machinaal boksbewegingen te maken.

De muziek is het negen minuten durende ‘concerto voor klavecimbel en strijkorkest’ uit 1970 van Górecki en zal letterlijk de toon zetten voor de rest van de avond, zo vaak wordt het opnieuw ingezet en afgespeeld, telkens als directe impuls om de dansers in vervoering te brengen. Direct, omdat je de spanning, tempowisselingen en repetitieve klanken als het ware bijna letterlijk kunt terugzien in hun bewegingen, ook als je niks zou horen.

De jongen eindigt in een expressieve pose, als een standbeeld, zodra de denderende slotnoten hebben geklonken. Daarna wordt hij afgelost door de volgende twee dansers, in eenzelfde kleurpalet gestoken. Zo zal het vaak blijven gaan. De dansers lossen elkaar, rennend, af, om steeds, op diezelfde muziek, opnieuw hun individuele bewegingen te herhalen en tegen elkaar af te zetten. Deze twee nieuwe dansers, de oudste vrouw van het gezelschap met grijze haren en een jonge vrouw van kleur, staan naast elkaar en hun verschijning en bewegingen contrasteren letterlijk én figuurlijk als zwart en wit. Gaat ‘any attempt’ over traditie? Over polarisatie? Over het omvergooien van conventies?

In feite zijn er twee types van dansmomenten. Enerzijds de ontwikkelingen waar de dansers soms solo, soms in duo’s of in trio’s, en vaak met z’n allen tegelijk dansen, maar tegelijkertijd volledig afzonderlijke talen lijken te spreken. Als ze samen op het toneel staan dansen ze zowel als groep als individu, door bijvoorbeeld op dezelfde maten een seconde te stagneren of juist een uithaal te maken, en vervolgens in een totaal eigen idioom hun bewegingen verderzetten. Dat is een simpel en uiterst effectief contrast om zowel eigenheid als groepspotentie te benadrukken. De groepsdynamiek wordt gekenmerkt door enkelingen, met huishoud- en karatebewegingen, atleten die wachten op een startschot, sensuele en seksuele standjes, gekte. Door rennen, grijpen, en werpen. Aanwijzingen geven, catwalks, en ballet.

Anderzijds zijn er de momenten waarop een collectief lichaam ontstaat, inderdaad bijna als een corps de ballet. Strak, indrukwekkend, waar de enkeling oplost. Maar onderhuids voel je de aandrang voor wanklanken onder de dansers. Dat resulteert in een prachtige choreografie van overlopen, in de pas blijven, rechtsomkeert maken en aansluiting vinden. Als de lensbladen van een cameraobjectief sluiten ze de ringen in een cirkel, ze maken vlinderpatronen en tekenen langs de looplijnen op de vloer kolossale beelden.

Het is een wonder dat ze elkaar in deze groepsconstellaties niet omverstoten, wanneer ze door elkaar heen beginnen te lopen. Daar moeten ze alleen wel af en toe hun pas voor afremmen of versnellen. Eén van die subtiele tekens van menselijkheid gedurende de avond.

Een belangrijk teken van leven, want die menselijkheid lijkt soms juist zo ver weg. Dat lijkt de voorstelling althans te willen benadrukken, niet alleen doordat het massale lichaam ook een nogal enge, gehoorzame connotatie oproept, maar bijvoorbeeld ook wanneer er op het projectiescherm in hoog tempo verschrikkelijke haatdragende verwensingen verschijnen. Losgerukte zwevende zinnen, meestal gericht aan de vrouwelijke helft van onze samenleving, geschreven door de anonieme massa. De haat komt binnen, door het ontbreken van een specifiek geadresseerde.

Die anonimiteit komt als beeld natuurlijk terug in de groepsdynamiek, en zit verweven in de gepolariseerde sociale orde van twitterende politici en twijfel zaaiende internetmemes. Op een andere manier zit die polarisatie verwekt in een tekst van Ali Smith, die een van de dansers op een gegeven moment in een microfoon uitspreekt. ‘What we don’t want is facts. What we want is bewilderment. What we want is repetition. What we want is repetition.’ We luisteren naar de logica van our country first, van nietsontziende ideologische machtslust en nihilistische toekomstmuziek.

Is dit ironie? Een grap? Of bloedserieuze intimidatie? Binnen de context van een theaterzaal, op een podium, lijkt Martens hiermee juist het gevaar, of in ieder geval de problemen die ermee gepaard gaan te willen aansnijden, zonder ze overigens expliciet uit te spellen. En ik denk dat deze persiflage de bedoeling heeft die ik erin lees: als kritiek. Want het beeld dat ontstaat is ontstellend: we lezen en kijken, misschien verontwaardigd, maar uiteraard zonder van onze plek te komen, en het spektakel dendert voort, de dansers gaan verder alsof er niks is gebeurd.

En als het geheel inderdaad spectaculair is en je aandacht alle kanten opzuigt, dan wordt ook het comfort van mijn bewondering ergens tegen het einde op de proef gesteld. Wanneer een groot deel van het publiek vroegtijdig haar applaus loslaat, beginnen de dansers opnieuw op Góreckis klavecimbel uitbundig te dansen. Daar gaan we weer, denk ik even, licht geïrriteerd. Plotseling is de repetitie een veeg teken van een geschiedenis waarin individuele keuzes in amorele volgzaamheid stranden. Een afleidingsmanoeuvre van het feit dat alles steeds weer in dezelfde opstelling eindigt.

Opvallend is eigenlijk dat die vervoering niet eerder is doorbroken, gezien de optelsom van herhalingen. Het is de verdienste van de intrigerende choreografie en de veelzijdigheid en overgave van de dansers. Hier staat een arsenaal van ontelbare richtingen en verwijzingen, in een monotoon landschap dat evenwel ontploft van kleine kleurschakeringen. Want er gebeurt nog veel meer, van bliksemeffecten tot verkleedpartijen – teveel om op te noemen.

‘Any attempt will end in crushed bodies and shattered bones’ heeft het protest, de aanklacht en de opstand als uitgangspunt. De titel klinkt in dat opzicht pessimistisch, alsof iedere oppositie volkomen zinloos is. Maar de voorstelling laat in het midden of ze die uitspraak bekrachtigt dan wel ondermijnt, bijvoorbeeld met een vorm van hoop. Of beter, het gevoel dat natrilt is ontzettend energiek en vol levenslust, wat doet denken dat ‘any attempt’ inderdaad eerder hoopgevend is. Maar aan de oppervlakte, in het overgrote deel van de teksten die we horen en lezen, in de onwaarschijnlijke mechanische onderworpenheid waarmee de groep soms opereert, lijkt juist een gitzwart toekomstbeeld te schuilen van een apathisch gevaar.

 Ik moet opnieuw rennen om mijn trein te halen, maar ik denk dat ik er goed aan zou doen om het de komende iets rustiger aan te doen. En iets meer tijd in te lassen voor bezinning. Want daar doet ‘any attempt’ uiteindelijk aan denken, aan de voortdurende stroom van vraag en aanbod waarmee we worden gebombardeerd, gefaciliteerd door sociale media en postcorona-euforie, waardoor we soms eerder geleefd worden dan leven als individuen. 

Beschikbaar voor iedereen, gefinancierd door lezers en organisaties.
Steun pzazz met een abonnement.

Abonneren