Dans

Contre-jour Alexander Vantournhout / Notstanding

Sterk in kwetsbare momenten

‘Contre-jour’ verrast. In deze nieuwe voorstelling treedt Alexander Vantournhout niet langer mee op, maar choreografeert hij vijf vrouwen. Hun bewegingstaal vertrekt, net als in zijn eerder werk, van bijna acrobatische behendigheid en kracht, maar die is er hier minder om zichzelf dan om wat ze kan suggereren. Om het ‘verhaal’ dat ontstaat. De zang, waarmee de voorstelling begint en eindigt, versterkt dat gevoel. 

Contre-jour
Pieter T’Jonck Le Cent Quatre, Parijs meer info
08 november 2021

Het podium is zwart als de nacht. Een frêle, heldere stem zingt in het Spaans een lied. Een traditional, vermoed ik. Ik herken een paar woorden, zoals ‘palomita’ of ‘duifje’. Ze suggereren dat een vrouw in de nacht zingt over een afwezige geliefde. Een tweede stem, met een licht ander timbre, voegt zich bij die eerste, maar dan vanuit een andere hoek. Nog meer stemmen weerklinken, maar wel strikt unisono, tot je niet meer weet waar de stemmen precies vandaan komen of hoeveel her er zijn. Alsof er zich een heel kamp weemoedige vrouwen verschool in het duister.

Dan komt licht op. Het onthult een enorme bak  glad afgestreken zand (eigenlijk zijn het fijngemalen kurkkorrels) van wel tien bij tien meter, scherp afgebakend door een opstaande rand. Links in die zandbak zit Aymara Parola , met haar benen tegen haar zitvlak aangeschoven. Ze kijkt het publiek afwachtend-vriendelijk aan. Rechts, buiten die zandbak staan en zitten vier andere jonge vrouwen.

Noémie Devaux, in donkergroen T-shirt en lichtgroene legging, is de eerste die zich op de zandvlakte waagt. Handen vooruit, laag bij de grond, alsof ze letterlijk onder de radar wou blijven. Zo belandt ze meteen ver in het midden van het zand. Daar balanceert ze even op één voet, met een  dicht geplooid been. Haar andere been bungelt, als een stabilisator, over dat dragende been heen. Zo blijft ze vlak boven het zand wiebelen. Met haar ingetrokken hoofd en schouders wordt ze bijna onzichtbaar.

Even draait ze zo om haar as heen om dan, zonder omhoog te komen, ver uit te reiken met haar vrije been. Haar lichaam zwiept mee, en trekt zo haar tweede been bij voor een volgende reuzenpas in het zand. Het kost haar zo maar een paar draaien om ‘ongezien’ het veld over te steken. Daarna graaft ze zich naast Parola in het zand in. Van haar trek blijven maar een paar afdrukken over in het zand.

Die snelle, lage oversteek vraagt enorme behendigheid en kracht, maar verloopt zo soepel dat je daar haast niet op let. Ook niet bij Ariadna Gironès, die na Devaux de oversteek waagt. Ze draagt dan wel een opvallende, feloranje mouwloze body, maar treedt zo perfect in de sporen van haar voorgangster dat ze ‘onzichtbaar’ wordt.

Het gaat er hier om zo weinig mogelijk sporen na te laten

Je weet nu wel zeker dat het er hier om gaat zo weinig mogelijk sporen na te laten. Maar gemakkelijk is dat niet. Als nog twee vrouwen - Philomène Authelet en Tina Breiova- de overtocht wagen wijken ze van het gebaande pad af en beginnen over de zandvlakte te zwerven, zonder het ‘kamp’ te halen.

Je merkt nog iets anders: hoewel dit allemaal jonge vrouwen zijn, vormen ze geen uitgesproken groep. Ze zijn allemaal uitgesproken anders gekleed. Het felle oranje van Gironès staat tegenover het zachte groen van Devaux. De nauw aansluitende blauwe bloes en short van Authelet staan tegenover het uitdagende kant van Tina Breiova’s hemdje of de kleurige outfit van Parola.

Toch zoeken de vrouwen al snel elkaars bijstand. Ze stappen samen op en ondersteunen elkaar. Dat leidt tot een complexe rondedans. Ze vormen dan hand in hand een kring. Telkens staat er één vrouw op en trekt de volgende mee omhoog , terwijl ze zelf al weer neerzijgt door het gewicht van de volgende vrouw die alweer op de grond ligt.

Dat complexe krachtenspel van lichamen die samen een perpetuum mobile vormen lijkt een beetje op de beweging van een rupsbaan op een kermis. De figuur krijgt verschillende varianten, bijvoorbeeld als één iemand uit de kring stapt om op een andere plaats weer in te breken in de stijgende en dalende mallemolen van lichamen. Die menselijke ‘rups’ vertelt een heel verhaal van lotgenoten die samen moeizaam voortploeteren en elkaar voortslepen.

Uiteindelijk zonderen Gironès en Breiova zich af om een rondedans met twee uit te voeren. Hier komt het stuk het dichtst bij eerder werk van Vantournhout. De twee vrouwen houden elkaar vast, eerst bij één arm, later met twee armen tegelijk, en tollen zo rond als een complexe, veranderlijke mechaniek van lichamen die elkaar als een spiegelbeeld in evenwicht houden. Eens ze voldoende snelheid halen, tillen ze elkaar om beurt op om over elkaars rug te buitelen. Het verschil met de wat voorafging is opmerkelijk: hier komen kracht en beheersing als een spel op zich op de voorgrond.

Het beeld, hoe boeiend ook, staat daardoor enigszins geïsoleerd in de voorstelling, die net daarna op een keerpunt komt. Eerst als er spaarzaam en zacht muziek weerklinkt, daarna als Aymada Parola terug een lied aanheft, waarin je deze keer woorden als ‘dolor’, ‘smart’, herkent. Het gaat wellicht over eenzaamheid en over een moeizame tocht. Net dan trouwens maakt Gironès zich los uit de groep voor een lange, eenzame omzwerving over de zandvloer.

Eén gebaar trof me daarin bijzonder. De danseres graait een paar keer met haar handen in het zand, houdt die handvol korrels even voor zich, en trekt dan schichtig haar hand terug. Je herkent er een vorm van kinderlijk magisch denken in: zou dat zand toch niet blijven hangen als je maar snel genoeg bent? Natuurlijk mislukt dat. Het zand valt naar beneden en verdwijnt weer in de massa korrels. Er blijft niets bewaard, er blijven geen sporen. Behalve dan de sporen die voeten trekken in het zand, steeds meer, tot individuele sporen verdwijnen.

Hier knoopt de voorstelling weer aan bij zijn beginpunt: Gironès grijpt een brede veegborstel vast die al die tijd aan de rand van de zandbak lag te wachten, en wist alle sporen in het zand weg. Op de achterwand verschijnt een camerabeeld van de actie, gefilmd van hoog boven het podium. Je ziet de voorstelling vanaf nu dus niet meer enkel frontaal, maar ook van bovenuit, waardoor het spel van voetsporen die zich aftekenen en weer uitgewist worden plots domineert. 

Hun imaginaire tocht zal nog lang, misschien eeuwig, duren

Zo zie je hoe de andere danseressen in het zog van Gironès  lopen en zo telkens weer nieuwe sporen laten waar ze net uitgewist werden. Dat doen ze in vele wisselende combinaties. Gaandeweg ontstaat daarin een soort systematiek, die leidt tot één van de meest verrassende beelden uit het stuk. De vier vrouwen stappen dicht achter elkaar aan, zo dat ze telkens met hun linkervoet in het spoor van de rechtervoet van hun voorganger stappen. Of omgekeerd.

Als je de sporen telt lijken ze dus maar met twee te zijn. Als je kijkt naar de groep, dan lijkt het wel één complex dier, een soort 2*4-voeter, die wat waggelend, maar toch precies en elegant voortbeweegt. Maar ook die sporen verdwijnen als Authelet de borstel overneemt.

De tijd is dan rijp voor een finale beweging, die alweer teruggrijpt naar het begin: de vijf vrouwen stappen samen vooruit, maar hun wegen lopen steeds meer uit elkaar als ze de rand van de zandvlakte naderen. Ze hernemen de routine daarna, maar deze keer dichter bij elkaar. En nog eens, en nog eens. Tot vijf heldere sporen eindigen als een breed spoor van omgewoeld zand waarin je geen duidelijke voetafdrukken meer ziet.

Het podium wordt nu niet meer van bovenuit, maar van opzij belicht, zodat je dat warrige spoor van eindeloos veel passanten in een fel clair-obscur waarneemt. Nu gaan de vrouwen weer zingen, en weet je, intuïtief, dat de voorstelling wel voorbij is, maar hun imaginaire nog lang, misschien eeuwig zal duren. Met de zang als troost en expressie van het verlangen om toch ooit ergens aan  te komen.

Achteraf las ik wat Alexander Vantournhout zelf over dit stuk te melden had. Het verbaasde me niets dat hij het had over mensen die proberen de Mexicaans-Amerikaanse grens over te steken zonder sporen na te laten, omdat de grenspolitie daar op voortgaat om ze te achterhalen. Het verbaasde me evenmin dat hij het heeft over het vermogen van dieren om in hun eigen voetsporen te lopen, zeker waar de ondergrond gevaarlijk is. Een tactiek die clandestiene trekkers wellicht ook toepassen.

Het gaat over moeizame trektochten, over verlangen en heimwee, maar ook over de instinctieve kracht van mensen om het er goed af te brengen bij zo’n tocht. De mens op zijn sterkst in zijn meest kwetsbare momenten. 

Beschikbaar voor iedereen, gefinancierd door lezers en organisaties.
Steun pzazz met een abonnement.

Abonneren