Toneel / Performance

Body a.k.a. Jan Decorte en Sigrid Vinks / Bloet

The body, not known as

No explanation’ en ‘Ein zwei drei – die Kunst is frei’, dat is al wat er staat op het programmablad van ‘Body a.k.a.’, de nieuwste voorstelling van Jan Decorte en Sigrid Vinks. Het Kaaitheater meldt wel dat dit een nieuwe enscenering is van Decortes eigen ‘Bloetwollefduivel’, maar dat voegt weinig toe aan de theaterpoëzie van Decorte & Vinks. Het is alsof we bijna direct flarden van dromen en herinneringen zien. Of is de duivel in het lijf van de spelers gevaren?

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Body a.k.a.
Pieter T’Jonck Kaaitheater, Brussel meer info
08 januari 2020

‘Bloetwollefduivel’ is een bewerking door Jan Decorte van William Shakespeares ‘Macbeth’ in ‘kindlijke’ taal. Toen hij dat stuk in 1994 voor het eerst speelde, werd hij bijgestaan door de onafscheidelijke Sigrid Vinks, maar ook Lisa De Boeck, toen nog een meisje van negen. Een voorstelling waarbij het je koud om het hart werd. Decorte had een zeemleren lap rond zijn hoofd, maar uit zijn geschreeuw en getier weerklonk een razernij die nog erger leek dan die van de bloeddorstige, paranoïde MacBeth. Mochten we zijn gezicht niet zien omdat zijn tronie onverdraaglijk vertrokken was van woede?

Het spoor van die woede is nog te herkennen in de openingsscènes van ‘Body a.k.a.’. Het decor van Johan Daenen en Herman Venderickx is -zoals steeds- de eenvoud zelve: een banale wand van multiplex, met daarachter een iets grotere wand waar blikken platen met zichtbare schroeven op bevestigd zijn. Echte materialen, geen doen alsof, maar ook armtierige materialen. Armoedig theater.

Harde muziek van Lingua Ignota – dreunende gitaren op een tapijt van gamelanklanken- begeleiden Decorte bij een hoekige, onhandige dans in de achtergrond. Werktuiglijk stoot hij kreten uit ‘Ah, Ah, Ah’. Hij lijkt te slaapwandelen, in dromen verzonken. Wat een contrast met Lisah Adeaga -Dekselisa (de heks Lisa)- die links vooraan schokkerig de lucht aan stukken hakt met haar arm en haar hals zo ver naar voor uitstrekt dat haar nekspieren dreigen te knappen. In de achtergrond ligt Sigrid Vinks op de grond. Bewusteloos? Dood? Ze komt pas langzaam recht.

Het zijn beelden van een merkwaardige intensiteit, al vallen ze op dat moment nauwelijks te duiden. Pas later ga je vermoeden dat we hier meteen de gruwelijke apotheose van ‘Macbeth’ zagen: de heksen -Adeaga in dit geval- haalden hun gram en Lady MacBeth pleegde zelfmoord. De enige die overblijft is MacBeth zelf, die tot het besef komt dat hij ten dode opgeschreven is als het woud in beweging komt en van MacDuff, zijn opponent, hoort dat die niet uit een vrouw geboren is. Hij is veroordeeld tot machteloze gebaren. Hij grijpt een reuzenpollepel, zoals je ze enkel in gaarkeukens ziet, van een haak aan de wand en zwaait ermee, naar voor en naar achter, sierlijk als een majorette of verbeten als een man die weet dat zijn handelingen niets meer uithalen.

Dat vermoeden wordt later gestaafd doordat de weinige citaten die in ‘Body a.k.a.’ overblijven uit ‘Bloetwollefduivel’ citaten zijn uit het derde bedrijf -de ‘Actus Dritus’ komen, waarin ‘Bloetwollef’ Macbeth raaskallend zijn dood tegemoet gaat.

Nochtans ‘werkt’ het stuk niet op die manier. Het is geen commentaar op een commentaar. Je moet trouwens een gestaalde kenner van het oeuvre van Decorte én van Shakespeare zijn om de gebeurtenissen die volgen  terug te voeren op ‘Bloetwollefduivel’ of ‘MacBeth’ zelf. Wat mij alvast niet lukte, en eigenlijk ook al gauw niet meer interesseerde. Daar gaat het immers niet over. Het gaat over het lichaam, ‘Body’, en wat dat in zich draagt, de ‘a.k.a.’, dat wat elk verstand te buiten gaat. Le diable au corps, of beter Le corps en diable.

Het gaat over het lichaam, ‘Body’, en wat dat in zich draagt, de ‘a.k.a.’, dat wat elk verstand te buiten gaat. Le diable au corps, of beter Le corps en diable.

En zoals steeds leidt de duivel het spel in zijn meest verleidelijke gedaante, in dit geval twee godinnen in een gouden jurkje. Als Decorte afdruipt nemen Sigrid Vinks en Lisah Adeaga het podium over. Vinks neemt een zware gummihamer op, gaat naar Adeaga en vleit zich neer op haar lijf. Ze draaien om en om, als zochten ze steun en troost bij elkaar. De man heeft daar niets te zoeken.

De scènes volgen elkaar vanaf nu snel op. De logica is die van de droom, niet die van de plot. Beeldconstructies volgen elkaar niet logisch op, maar roepen elkaar op, als revelaties. Ik noem er maar enkele. Vrolijke dansjes van de drie performers. Decorte die het ritme aangeeft door op zijn blote billen te kletsen. Adeaga die Vinks opheft onder haar armen, als een moeder die een kind wil helpen om te plassen – wat niet lukt. Adeaga die zeult met een hamer die ze niet van de grond krijgt, terwijl dat Vinks moeiteloos, lukt. Een ontroerend bizarre scène waarin Vinks de schaamheuvel van Adeaga wast, tot ze van puur genot -of wat?-haar schaamheuvel opheft. Decorte die met zwarte vleugeltjes voorbij schuifelt op de achtergrond, als een engel, of een duivel? Adeaga die een lied van Nico zingt: ‘Oh König, lass dich leiten, lass mich dich begleiten’. Waarna Decorte zich in foetushouding te slapen legt tot de twee vrouwen hem weer tot leven wekken voor een rijtjesdans.

De suite van beelden eindigt met een dubbele coda. Op haar smartphone laat Vinks ‘Andy’s Chest’ horen. Het was het eresaluut van Lou Reed aan Andy Warhol toen die herstelde van de aanslag op zijn leven door Valerie Solanis. Vinks speelt de rol van Solanis hier wellustig na. In het clair-obscur van één spot glijdt haar nagel over de borstkas van Decorte, die warempel begint te bloeden -of was ik aan het hallucineren? Wat een ommekeer: Decorte, de geweldenaar, die zich gewillig laat slachtofferen, en Vinks die er een pervers plezier in schept dat liefdevol te volbrengen. Het is ooit wel anders geweest. Zoals in ‘Bloetwollefduivel’ in 1994, of ‘Dieu et les esprits vivants’ in 2005.

Een banale act als pissen drukt plots een superieure onverschilligheid uit voor de transgressie van pissen in het openbaar. 

Een tweede klap op de vuurpijl volgt als Adeaga met de grote pollepel ongegeneerd haar krachtige urinestraal opvangt. Ze kijkt er niet bij op of om. Ze doet het gewoon. Zomaar. Het is een fascinerend moment: een banale handeling als pissen drukt hier plots iets anders uit: een superieure onverschilligheid voor de transgressie van pissen in het openbaar. Het is alsof ze toegeeft aan een lijfelijke drift, zonder enige schaamte daarvoor.

Dat is hét verschil met de eerdere moordlustige transgressie van Vinks, die toch een vertoning, een spel bleef. Vinks bleef binnen een symbolische orde: ze speelde dat ze het geweld van mannen op vrouwen binnenste buiten keerde tot een erotisch spel. Maar als Adeaga haar eerder in het stuk als een kindje moederlijk in haar armen ophief, met de billetjes bloot, om een plasje te doen, weigerde Vinks zuinigjes. Daar heerste schaamte, het besef van de blikken van anderen. Daar heeft Adeaga geen boodschap aan. Zij is er. Een ‘body’, die onbeschaamd intieme handelingen stelt, niet toont. Adeaga is de echte heks van dit stuk. Vinks is de Lady Macbeth: de vrouw die vluchtte in de dood toen ze besefte wat haar passies, haar ‘Wille zur Macht’ aangericht hadden.

Het is bijzonder moeilijk om zich te verhouden tot zo’n beelden. De gemakkelijkste weg is die van Gilles Michiels die het in een recensie in DS snerend afdeed als ‘een poging om nieuwe functies van het alledaagse bloot te leggen’. Zo negeert hij niet alleen dat het toch maar gebeurt, maar ook dat het een zeer nadrukkelijke beslissing van Decorte is om dit te tonen, niet alleen voor de ogen van een publiek, maar ook voor die van zijn vrouw, Sigrid Vinks. Hij toont zo onverbloemd wat hem levenslang in de ban moet gehouden hebben: de superieure onverschilligheid van een vrouwenlichaam dat meester is van zichzelf en naar niets anders luistert dan zichzelf. Het is een oerscène over fascinatie en macht. Maar dan als theater. Dus ook uitgesteld. We kijken door de ogen van Decorte. Het is -niet helemaal- echt. Het is ook een droom. Maar dromen zijn niet altijd bedrog.

Er volgt nog een laatste bedrijf, dat vaagweg overeen stemt met de ‘Actus Dritus’- van ‘Bloetwollefduivel’. Die kreeg in de originele tekst het motto ‘descente aux enfers et résurrection / von Satan mich befreiet Jesu’ mee. De locatie: ‘indenemelel’, in de hemel dus. Het is, op twee replieken van ‘Dekselisa’ na, een monoloog van Bloetwollef, a.k.a. Macbeth. Maar die wordt dan wel helemaal gezegd. Bloetwollef beschrijft in die monoloog zijn einde. Van iedereen verlaten verdedigt hij wanhopig zijn kasteel tegen het leger van Malcolm en Mc Duff . Ergens tussenin verklapt ‘Dekselisa’ dat Lady MacBeth dood is. Uiteindelijk komt een engel -die lijkt samen te vallen met diezelfde ‘Deskelisa’- hem halen.

Hier spreekt echter niet ‘Bloetwollefduivel’ Decorte de woorden als eerste uit, maar wel Sigrid Vinks. Decorte herhaalt ze als een echo. De toon wordt al snel haast uitgelaten, alsof de woorden hen bevrijden. Ze vrijen elkaar in een verkapte dans zowat op terwijl ze elkaar nabouwen. Woordseks. Geweldseks. Maar wie is Vinks hier dan? Zeker niet de levende Lady MacBeth. Die pleegde zelfmoord. Haar geest misschien? Was het niet Lady MacBeth die de noodlottige geschiedenis in gang zette? Maar waarom neemt ze dan de woorden van de zich wanhopig teweer stellende MacBeth in de mond? Of is het veel eenvoudiger, en herstellen twee mensen, geen performers, hier symbolisch de precaire geweldsbalans in hun eigen relatie? Je moet het niet weten, en je wil het eigenlijk ook niet weten. Waar het om gaat is dat deze scène, net als die met ‘Andy’s Chest’ ambiguë erotiek in een zeer heldere, scherpe vorm giet. De woorden zijn hier de sluier over de afgrond waar de performers extatisch rond dansen.

Daarmee zijn we wel nog niet ‘indememelel’ beland. Die hemel volgt pas na deze dans op de rand van de vulkaan. De slotscène kan je moeilijk anders lezen. Plots overspoelt het felle licht van een batterij hooggeplaatste spots het podium en weerklinkt de Bach cantate BWV 147 ‘Herz und Mund und Tat und Leben’. Naast elkaar mimeren de drie spelers samen de woorden: een klop op de borst voor ‘Herz’, een hand voor de mind voor ‘Mund’, een opgeheven vuist voor ‘Tat’ en een lichte armzwaai met trillende vingers boven het hoofd voor ‘Leben’.

Het is alsof je een groep bekeerlingen zag, die nog maar net het licht zagen, en de Waarheid nu met iedereen willen delen. Ze sporen ook het publiek aan om mee te doen. Daar slagen ze nauwelijks in, maar het tempert hun enthousiasme niet in het minst. Alsof ze met dit stuk werkelijk alle kwade duivels uitgedreven hadden. Met dank aan Jezus. Maar we weten allemaal dat Jezus het Vlees geworden Woord is. En wie het nu meer voor het zeggen had,  het Vlees of het Woord, dat is de vraag waar dit stuk in verwondering, verbijstering, uitgestelde vreugde, op terugkijkt. Als in een droom.

PS: Het is best interessant om te lezen wat over deze voorstelling verscheen in de pers. De website van Bloet vzw hield het nauwkeurig bij. De reacties variëren tussen extase en afwijzing, maar het lijkt alsof niemand wil gezegd hebben dat deze voorstelling weliswaar een enigma is, maar dat toch in zeer scherpe beelden neerzet. Precies wat kunst doet. Je kan het niet verklaren, maar op zijn minst heb je die onverklaarbaarheid dan toch gezien. En die zit, dat leren we hier, in die ‘Body’. Not known as. If you ask me