Toneel / Performance

de tijger eet de zebra en de vogel vliegt verschrikt weg Benjamin Verdonck

Post-Anthropoceen

Al jaren reist Benjamin Verdonck de wereld af met miniatuurtheatertjes, waarin voorwerpen aan touwtjes voortbewegen. In ‘De tijger eet de zebra en de vogel vliegt verschrikt weg’ palmt die mysterieuze wereld plots het hele theaterpodium in. Geen mens is er nog te bespeuren. Het post-anthropoceen volgens Benjamin Verdonck. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
de tijger eet de zebra en de vogel vliegt verschrikt weg
Pieter T’Jonck Bourla Schouwburg, Toneelhuis Antwerpen meer info
23 februari 2020

In het begin was er het duister. Het totale duister. Toen verschenen lichtvlekken. Zo begint ‘de tijger eet de zebra en de vogel vliegt verschrikt weg’.

Vaag lichtende parallellogrammen doemen op, zweven beverig naar het midden van het podium en kantelen dan weg naar achter, alsof een spleet in het heelal ze opslokte. Het is zo duister dat je elk gevoel van ruimte verliest. Op de achtergrond weerklinken snikken, die overgaan in dreinerig wenen, en dan plots ophouden. Nu klinkt geknetter en gerommel als van een groot kampvuur.

Na de parallellogrammen volgen grotere vormen, zoals vierkanten en cirkels. Ze stralen schemerig licht uit of worden zichtbaar als donkere schaduwen die voor het lichtschijnsel schuiven. Als zo’n grote lichtcirkel versmalt tot een ovaal, ontwaar je een donkere rand, als bij een wassende maan en vermoed je voor het eerst een volume, een soort trommel.

Een enkele keer verschijnen er achter de grote maan twee kleintjes. Het herinnert aan een voorstelling als ‘notallwhowanderarelost’, al lijkt deze keer niemand meer aan de touwtjes te trekken. Op de achtergrond plukt iemand zacht aan snaren, een verstilde muziek. Af en toe hoor je stemmen, als van spoken.

Een verrassend beeld ontstaat als een wit, lichtend vierkant komt te staan naast een donker vierkant dat op zijn punt staat. Ze verhouden zich als materie en anti-materie. Van links schuift terug een lichtende maan nader. De gelijkenis met de witte, zwarte en rode vierkanten van Kazimir Malevich is treffend. Is dit ook een radicaal nieuw beginpunt van de verbeelding, één zonder de mens?

Of is het een ode aan het theater van de Engelsman Gordon Craig, die de acteur weg wilde halen uit het centrum van de aandacht, en er een ontroerend spel van licht en objecten tegenover plaatste? Craig werd er wel eens van verdacht dat hij acteurs wilde elimineren om wraak te nemen op zijn moeder, een gevierde en rijke actrice, omdat hij financieel afhankelijk van haar bleef. Hier lijkt toch iets anders aan de hand. Hier gaat het erom de mens uit beeld te halen. Punt.

Nog wat later glijdt een driehoek voorbij. Een streep licht raakt het oppervlak. Voor en achter de driehoek liggen lange, warrige slierten, als schuim in de branding. Het thema van de grote en kleine vorm duikt weer op als twee grote driehoeken tegenover elkaar kantelen en een kleinere derde driehoek ertussen schuift.

Hier verdwijnt de mens uit beeld. Punt

Dan volgt een keerpunt in de voorstelling. Het grappige kinderliedje ‘Un n’haricot dans l’ oreille’ van Nana Mouskouri (1972) weerklinkt. Het gaat over kinderen die hun vinger in hun oor steken en dan tegenover hun moeder beweren dat er een boon in zit. Moeder merkt op dat hun vingers veel te dik zijn om in hun oor te steken, maar speelt dan het spelletje mee.

Vanaf nu werkt de scène anders: het zilverkleurige achterdoek wordt vaag zichtbaar, en het schaarse licht komt niet langer uit de objecten, maar van ergens in de coulissen, ook al lukt het je nooit om de bron ervan te lokaliseren. Zijn het videoprojectoren die de twee monochrome lichtvlakken -vaalgroen en vaalpaars- naast elkaar op de achterwand projecteren?

Het vreemde is dat de voorwerpen die over het podium zweven haast nog mysterieuzer worden door de bevreemdende, soms vage, soms haarscherpe, schaduwen die ze afwerpen op de wand en op elkaar. Dat komt doordat het licht op een onnatuurlijke wijze uit veel richtingen tegelijk komt. Toch ontwaar je gaandeweg dat het dikke dozen zijn die door touwen in beweging komen.

Pas op het einde verbreedt het licht vanuit de coulissen en van bovenuit zich zo sterk dat je de hele mechaniek van de voorstelling te zien krijgt: de trekken waar de objecten aan hangen en de doeken die de machinerie en de mensen verstoppen. Want inderdaad: het zijn mensen die alles hier bedienen. Dit is geen automaat. Die mensen zie je echter niet rechtstreeks, je ziet ze alleen als onscherpe schaduwen. Na een tijd zijn ze weer verdwenen. Vogelgekwetter.

Deze voorstelling ontstond vanuit een maquette die Benjamin Verdonck maakte voor ‘Extinction Rebellion’. Met Lucas Van Haesbroeck ontstond het plan om die maquette uit te vergroten tot de schaal van het podium van de Bourla. Edith Cassiers schreef er een uitgebreide beschouwing over. Ze benadrukt hoe de mens verdwijnt in deze schaalvergroting van de miniatuurtheatertjes die Verdonck eerder maakte, zoals voor ‘Gille leert lezen’. De objecten gaan hier schijnbaar hun eigen gang, onverschillig voor het menselijk bedrijf. Toch trekt een hele equipe achter de schermen nog aan de touwtjes. Cassiers ziet er een analogie in met de pogingen van de mens om het ontsporende klimaat toch nog te beheersen.

Dat, en vele andere van haar bedenkingen zijn het lezen meer dan waard, maar verklaren de wonderlijke werking van deze voorstelling niet. Ze slingert je heen en weer tussen kinderlijke verbeelding (en schrik) en een volwassen blik op iets dat groter is dan onszelf. Tussen het liedje van Mouskouri en het mystieke zwarte vierkant van Malevich. Twee vormen van magisch denken. Oppositie tegen de onttovering van de wereld waar maar geen einde aan lijkt te komen.

Terwijl de wereld, zoals we ze kennen, op haar einde afstevent. Door toedoen van de mens. Tijd voor het post-anthropoceen.