Toneel

Toverberg Desnor

Kunst voor een wereld in brand

Je moet maar op het idee komen: een vuistdikke roman als ‘De Toverberg’ van Thomas Mann, die bovendien geldt als meesterwerk van de wereldliteratuur, samenpersen in een goed uurtje theater. Een onbegonnen zaak? Niet voor Louis Jansens en Ferre Marnef, samen ‘Desnor’. Hun ‘Toverberg’ is echter eerder als een verzameling dikke rode uitroeptekens in de marge van het boek. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Toverberg
Pieter T’Jonck Troubleyn Antwerpen
Love at First Sight Festival
meer info
22 september 2019

Het publiek wordt bijeen gestouwd op een steile tribune. Die landt bijna direct voor een groot, podiumbreed doek dat schuin omhoog loopt. Er blijft net genoeg plaats over voor Anna Franziska Jäger om haar inleidend woord te brengen.

Daarin vernoemt ze het boek van Thomas Mann niet één keer. Wel heeft ze het er over dat het individuele leven altijd getekend is door het tijdsgewricht waarin het zich afspeelt. Precies daarover had ook Mann het.

De jonge Hans Castorp brengt er, op de vlucht voor de verantwoordelijkheden van het burgerleven, vrijwillig zeven jaar door in een Zwitsers bergsanatorium. Hij verliest er zich in eindeloze bespiegelingen over het schone en het goede, die helemaal losgezongen zijn van de wereld aan de vooravond van WO I.

Toch dringen de nieuwe opvattingen die leven in de buitenwereld dat sanatorium binnen in de gedaante van mannen als Settembrini of Naphta, en een vrouw als de verleidelijke mevrouw Chauchat.

De voorstelling suggereert dat allemaal op een grappige, efficiënte manier. Het begint ermee dat Jäger zich laat neerploffen in het gordijn achter haar, als om er zich in te begraven, net zoals Castorp zich begroef in het sanatorium. Het doek komt daarbij naar beneden en onthult een podium dat veel dieper is dan het breed is. Daarom zit het publiek dus zo dicht op elkaar.

Helemaal achterin staat een groot paneel, met daarop een tekening van de ‘Toverberg’. Jäger schildert er, met een blinddoek om, een varkentje met een lange snuit op. Een goed gevonden beeld voor een welstellende, besloten gemeenschap die zichzelf vertelseltjes met een gelukkige afloop over de wereld daarbuiten op de mouw speldt. Maar dit vertelseltje is lang niet uit, en loopt ook minder goed af.

Voor het zover is krijg je een beeld van hoe het er in dat sanatorium aan toegaat. Het paneel achteraan wordt omgedraaid, en blijkt als een tweeluik open en dicht te kunnen klappen. Ferre Marnef stapt van tussen deze luiken ettelijke keren naar voor. Het is alsof je naar een filmfragment in een eindeloze loop keek. Op de achtergrond hoor je ‘Europa Endlos’ van Kraftwerk. Dat vat het goed samen.

Nog sterker is Marnef’s verhaal over de maaltijden in het sanatorium. Steeds dezelfde soep, op steeds dezelfde manier geserveerd, tot je besef van tijd erbij verdampt. Eenvormigheid als eeuwigheid. Hij blijft dezelfde zinnen herhalen, zo vaak dat je nauwelijks merkt dat bij elke herhaling de betekenis toch net een beetje schuift tot hij eindigt met ‘De eeuwigheid is een soep. Een soep’.

De eeuwigheid is een soep. Een soep.

Ook dat drukt kernachtig de kwaal van het sanatorium uit: de gasten klampen zich vast aan ijle bespiegelingen over ‘eeuwige waarden’. Maar ze dwalen, legt een volgende korte scène uit. Het is eigenlijk niet meer dan de projectie van een tekst. Beethovens negende symfonie, die nu geldt als een rots in de branding van een cultuur die onder druk van ‘de barbaren’ afkalft, werd bij zijn eerste opvoering zelf als barbarij gezien (zou dit een citaat van Alessandro Barrico zijn?)

Hoe ijl en futiel het allemaal is blijkt beeldend uit een dansje dat Louis Janssens in onderbroek, maar met een keurig jasje, uitvoert op het op de vloer uitgespreide voordoek. Met deze keer op de achtergrond ‘Für mich sollte es Rote Rosen regnen’ van Hildegard Knef: een lied over een eeuwige puber die alles wil, maar in dromerijen blijft steken.

Nog geen twintig minuten ver in het stuk is de strategie ervan zo helemaal duidelijk. Desnor bracht rond de basisthema’s van ‘De Toverberg’ een aantal bewust nogal knullig-grappige ‘camp’ scènes bij elkaar, die ze larderen met toepasselijke muziekjes. Gek genoeg past die aanpak heel goed bij de ideeënroman die ‘De Toverberg’ ook is.

Het deed me denken aan de Jan Decorte uit de periode van ‘Scènes/Sprookjes’ uit 1983: daarin herleidde hij Tsjechov ’s ‘Oom Wanja’ tot een verzameling associatieve beelden en acties, waar je de plot nog nauwelijks in herkende. Een heel andere strategie dan die van pakweg een Ivo van Hove, die het verhaal wel van a tot z zou uitspellen met veel theatraal geweld.

Al gaan ze dan niet zover als Decorte in de ontmanteling van de plot tot associatieve beelden. Ze volgen het boek een tijdlang zelfs op de voet. Zo wordt de cruciale scène waarin Castorp zijn liefde verklaart aan Mevrouw Chauchat door Jäger op haar eentje geëvoceerd.

De minstens even cruciale scène waarin Castorp een visioen krijgt tijdens een sneeuwstorm staat ook hier centraal. Het is het moment waarop Castorp de dualiteit tussen leven en dood, liefde en geweld, humanisme en machtspolitiek of nog rationaliteit en obscurantisme die in zijn hoofd spoken erkent.

Voor de slechte verstaanders kondigen Timo Sterckx en Ferre Marnef die tegenstellingen aan in een hilarische scène. Ze torsen een zwart-wit gestreepte balk (zoals een barrière in een hindernissenkoers voor paarden) op het hoofd terwijl ze begrippenparen als ‘front-back’, ‘after-before’ of ‘hate-love’ hoogst stuntelig proberen te verbeelden.

Alleen in de apotheose van het stuk voegt ‘Desnor’ zijn eigen commentaar toe aan het boek. Timo Sterckx neemt hier het voortouw, eerst als een redenaar die alleen onzin uitkraamt, daarna als een tovenaar, compleet met puntmuts, die er het bijltje bij neerlegt. Allemaal om duidelijk te maken: als er nieuwe tijden aanbreken, dan zullen oude vormen van gezag hun geldigheid verliezen.

Oude vormen van gezag zullen hun geldigheid verliezen.

Het eindigt met een dubbele slotscène. Je hoort Mylène Farmer het publiek opjutten om mee haar song ‘Désenchantée’ te scanderen. Uitgelatenheid die nogal wringt met de behoorlijk sombere tekst (er hoort ook een clip bij waarin la Farmer opgesloten is in een concentratiekamp).

Als om de ironie op de spits te drijven koersen de vier acteurs ondertussen vrolijk rond op rolschaatsen. Pure ‘camp’, al klopt het dan wel met het slot van het boek, waarin Castorp onder de wapens geroepen wordt, en zo geconfronteerd wordt met de realiteit van de oorlog.

Even ironisch is het tweede slot. Een podium met drumstel en gitaren wordt naar voor gerold. De vier acteurs, de ene al kundiger dan de andere, brengen een burleske versie van een strijdlied van Bertold Brecht en Hanns Eisler. Alweer: zowel hilarisch, precies gekozen als dubbelzinnig.

Ik vermoed zo dat de performers de pathetiek van Brecht-Eisler misschien helemaal niet zo gek vinden. In een tijd die al even verwarrend-verward is als het tijdsgewricht waarin Mann schreef zou misschien wel een beetje strijdbare solidariteit kunnen gebruiken.

Maar hoe begin je daaraan? Die vraag blijft, als een irritante mug, achteraf hangen. Je zag hier vier heel slimme en inventieve performers aan het werk, met een uitgesproken stijl en aanpak. Ze slagen erin een literaire mijlpaal als ‘De Toverberg’ het hoofd te bieden.

Maar finaal verschuilen ze zich wel heel erg achter hun slimme associaties, verwijzingen en scènes. Als je het boek nooit las, is het wellicht zelfs heel moeilijk om dat allemaal te volgen. Terwijl ze misschien toch maar iets heel eenvoudigs willen zeggen: we moeten iets doen! Want mooie praatjes en hooggestemde idealen zullen niet meer helpen om de scheeftrekkingen waar de wereld vandaag onder lijdt te counteren.

Het is een eeuwig dilemma: hoe maak je kunst over de wereld als die in brand staat?