Jeugdtheater

Snøw K.A.K.

Klimaatopwarming op kleutermaat

Het collectief K.A.K. waagt zich voor het eerst aan een kindervoorstelling: 'Snøw' maakt de klimaatcrisis hapklaar voor kleuters. Geen les in klimaatverandering, maar een protestactie met vrolijke intermezzo’s. 

Uitgelicht door Liesbeth De Clercq
Snøw
Liesbeth De Clercq Familiepark TAZ, Oostende
TAZ#19
meer info
12 augustus 2019

Een lang rij kleuters, vergezeld door hun ouders, schuift aan om de grote witte tent op het familiepark te betreden. Hun ongeduld wordt groter als een actrice, verkleed als pinguïn, zich onder hen mengt. Ze polst naar eerdere theaterervaringen van de kleuters.

Tijdens de korte gesprekjes kaart ze ook het thema van de voorstelling aan door te vragen aan de toeschouwers of ze het ook zo warm hebben. De pinguïn neemt plaats tussen het publiek en bij het doven van het zaallicht bekent ze al fluisterend dat het ook haar eerste keer theater is. De band met de kleuters is gesmeed.

Lijnrecht tegenover hen komt een opgeblazen vrouw te staan. Ze noemt zichzelf ‘Grote Mens’ en alles moet wijken voor haar vraatzucht. De slokop is ervan overtuigd dat de allerlaatste dingen op aarde haar toebehoren. Ze eigent zich de allerlaatste vis, sneeuw en bloem toe.

De tussenkomsten van een derde actrice stuwen de vertelling nu voort. Ze verschijnt in allerlei gedaantes: als Eskimo, vuilniszak of koerier gaat ze in interactie met de twee andere personages. De objecten die ze achterlaat op het podium wakkeren telkens weer de spanning tussen pinguïn en ‘Grote Mens’ aan, omdat ze er allebei op een andere manier belang in stellen.

Die gespeelde scènes worden afgewisseld door eenvoudig projecties: Op het zwarte doek verschijnen sneeuwvlokken, voorbijrijdende auto’s, omgehakte bomen en vertrappelde bloemen. De beelden worden gevormd door krantenknipsels op een overheadprojector. Ze geven het verleden, het heden in crisis en een hoopvolle toekomst weer.

Alles moet wijken voor de vraatzucht van de 'Grote Mens'

De voorstelling werkt zo toe naar het moment dat het oog van de ‘Grote Mens’ valt op de pinguïn, die verscholen zit tussen de toeschouwers, en er meteen een laatste prooi in ziet. Tijdens de achtervolging kiest het jonge publiek als vanzelf de kant van de pinguïn en versperren ze de weg voor de tegenstander. Die grote finale onderstreept de reeds van bij het begin van het stuk opgebouwde oppositie tussen wij (de kinderen) en zij (de grote mensen).

Door die wij-zij spanning richt de voorstelling zich, ondanks het etiket ‘kleutervoorstelling’, ook tot de volwassenen in de zaal. Het eenvoudige taalgebruik, dat begrijpelijk moet zijn voor driejarigen, legt de schuld van generatie X aan de klimaatopwarming pijnlijker bloot dan welk wetenschappelijk onderzoek ook.

Wangen krijgen kleur en ouders schuifelen ongemakkelijk op hun stoel bij simpele uitspraken als ‘er zit een gat in de kernreactor’ en ‘we stellen de consumptiemaatschappij aan de kaak’. Die dubbele laag, waar K.A.K. op inspeelt, komt tot een hoogtepunt als alle kleuters luidkeels meezingen met ‘we gooien alle grote mensen in de zee’. Pogingen om de kleuters te bedaren helpen niet, tot groot jolijt van de acteurs.

K.A.K. stelt met Snøw de klimaatopwarming aan de kaak op kleutermaat, maar spelt daarbij op geen enkel moment de les. Daardoor slagen de acteurs erin om niet te verkrampen in een pedagogische reflex, een grote valkuil bij de creatie van een voorstelling rond een actueel thema voor een kleuterpubliek. K.A.K. steekt een welgemeende middelvinger op naar een generatie opvoeders die het goede voorbeeld zou moeten tonen. Met die daad toont het collectief aan dat kleuters niet te onderschatten zijn.