Dans / Performance

ICE Bahar Temiz / Platform 0090 en KVS

Streven naar het onbereikbare

‘Ice’ van Bahar Temiz nam de uitzichtloze poging van Robert Scott om als eerste de Zuidpool te bereiken als aanleiding voor een bespiegeling over het gekke verlangen van de mens om het onmogelijke te willen. Dat levert als performance intrigerende beelden op. Die hangen echter te los aan elkaar om ook als theatervoorstelling te overtuigen, ondanks een meeslepende score van Charo Calvo en een sterk lichtplan van Pol Matthé. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
ICE
Pieter T’Jonck KVS Box meer info
10 oktober 2020

Licht van hoog boven de vloer tekent een perfecte cirkel op de vloer. Het publiek zit errond op bankjes. Per twee, corona-bestendig. Een dik koord hangt neer vanuit het plafond. Op de vloer is het in een knoop geslagen. Het vrije einde van de knoop volgt een stuk van de cirkel. Even verderop ligt een dik koord opgerold te wachten.

Een vrouw verschijnt vanuit het niets. Boven haar witte sneakers en sokken draagt ze een witte overall van dunne non-woven kunststof vezels. Het lijkt op de beschermende kledij die onderzoekers van een misdaad in detective series vaak dragen. Haar lijf en ondergoed schemeren er doorheen.

Ze loopt gehaast, driftig of verbeten zelfs, rond de cirkel. Niet één, niet vijf, maar wel minstens vijftien keer. Een enkele keer stopt ze bruusk aan het koord dat neerhangt naast de cirkel, maar dan gaat ze weer verder. Dat duurt lang, heel lang, want de cirkel is zo groot dat de omloop zelfs met die gehaaste pas wel 15 seconden duurt.

De actie eindigt even abrupt als ze begon. Temiz stapt naar de rand van de zaal en keert weer met een wit touw dat ze achter zich aansleept. Aan dat touw hangt, meters verder, een koord, en dan nog meer touw, weer koord en weer touw, in verschillende tinten, van blauwig tot oker.

Met die aan elkaar geknoopte touwen en koorden tekent ze een hele kaart uit op de vloer. Tenminste, dat vermoed ik omdat ondertussen een tape, ingesproken door Temiz, het verhaal vertelt van de race, in het begin van de 20e eeuw, om als eerste de Zuidpool te bereiken. Een verhaal dat voor Robert Scott eindigde op een nederlaag en uiteindelijk ook de dood.

Het verhaal kent een verrassend einde: blijkbaar kreeg ene Ernest Shackleton, die second in command was bij Scott’s eerste expeditie, maar niet genoeg van Zuidpoolreizen, want hij deed het nadien nog eens te voet over, zonder sleeën en honden. Ongelooflijk, maar toch slaagde hij, zowel door zijn team psychologisch meesterlijk te bespelen als door zijn terreinkennis. Dat wist ik niet, maar het verhaal is zo krankzinnig dat het wel waar moet zijn.

Is dat dan de link met de driftige passen van Temiz waarmee de voorstelling opende? Ze herhaalt de figuur in elk geval nogmaals: maar nu in een zo hoog tempo dat het gaat lijken op de oude Olympische discipline van het snelwandelen. De verwantschap is hoe dan ook puur metaforisch, want het is onwaarschijnlijk dat die Poolreizigers konden spurten zoals Temiz dat hier doet.

Temiz plaatst zichzelf in situaties waarvan de afloop onzeker is

Toch heb je zo een aanknopingspunt voor de vele scènes die hierna nog volgen. Ze hebben één ding gemeen: Temiz werkt zichzelf in de nesten of plaatst zich op zijn minst in een situatie waarvan de afloop onzeker is. Dat begint er al mee als ze de koorden op de grond weer oprolt, maar wel op een hoogst ingewikkelde manier.

Ze wikkelt één uiteinde ervan om haar armen en zwiert dat kluwen dan over een buis die hoog boven het podium hangt. Ik wed dat zoiets even vaak niet als wel lukt. Bij de voorstelling die ik zag lukte het dus wel. Maar wat als dat niet het geval is? Het vervolg van de scène hangt immers helemaal af van een gelukte worp. Enkel zo kan ze de rest van de touwen opwinden.

De latere scènes van het stuk bevestigen die indruk dat Temiz zichzelf nogal moedwillig in nesten werkt, net zoals Robert Scott of, evengoed, die Shackleton, al liep het voor die laatste goed af.  In één scène probeert Temiz een golfslag op te wekken in touwen. Een koud kunstje, zou je denken, maar als die touwen ergens hoog achter in de zaal vertrekken en wel twintig meter lang zijn, dan moet je al een echte krachtpatser zijn om die beweging op gang te houden. Je ziet Temiz vechten met de koorden. Een ongelijke strijd die ze uiteindelijk verliest.

Helemaal op het einde wikkelt ze de rol koord die al die tijd aan de rand van het podium lag te wachten rond haar hoofd. Dat is eerst lastig, door het gewicht ervan, en vervolgens gevaarlijk, want  ze moet steeds meer op de tast voortdoen.

Waarom doet een mens zichzelf dit aan, denk je dan. Tegelijk besef je: mensen doen zichzelf zo’n dingen aan, om niets, zomaar. Waarom wou Robert Scott in ’s hemelsnaam als eerste op de Zuidpool raken, terwijl thuis de haard lekker brandde en de theepot pruttelde op het vuur?

Hoe vreemd het gedoe met touwen dat de voorstelling beheerst op het eerste gezicht ook lijkt, het is inhoudelijk dus wel consistent. Maar dat maakte ‘Ice’ voor mij nog niet tot een overtuigende voorstelling.

Dat heeft alles te maken met de uiterst dunne dramaturgische lijn van het werk. Elke scène zou op zich een kleine performance kunnen zijn, die het gekke verlangen toont om je te gooien in desperate situaties. Maar die scènes staan hier los naast elkaar, met telkens een abrupte overgang. Het enige verband is dat ze allemaal gebaseerd zijn op koord en touw.

Daardoor kent de voorstelling geen spanningsboog. Toch niet in het spel. Want in de elektronische score van Charo Calvo zit die wel, en ook Pol Matthé deed er alles aan om een ontwikkeling te suggereren in de belichting.

Het onhandige begin en einde van de voorstelling zijn op dat punt veelzeggend. Temiz dacht niet na over de manier waarop ze het speelveld zou betreden. Ze ‘verschijnt’ niet maar loopt haastig het podium op. Vermoedelijk wil ze het erop laten lijken dat ze zomaar uit het niets opduikt, als een schim in een sneeuwstorm. Maar dat maakt ze niet waar. Dat is nochtans wat theater doet: dingen ‘waar maken’. Het einde is even onbeholpen: ze geeft gewoon met een hoofdknikje aan dat het gedaan is. Er is immers niets dat het publiek kan doen denken dat dat het geval is.

‘Ice’ bevat zeker sterk materiaal. Maar twee vragen bleven onbeantwoord. De eerste: moest dit wel in een theater? Was een galerie of museum geen betere plek? Dat zou een duidelijke keuze geweest zijn.

De tweede: als je dan toch kiest voor een ‘beeldende’ theatervoorstelling, hoe ga je dan om met de mogelijkheden van de theatersetting en de verwachtingen die ze opwekt? Wat zou dan een overtuigend begin en einde kunnen zijn bijvoorbeeld? Daar maakte Temiz gee, of toch geen heldere keuzes. Jammer, want het materiaal komt zo onvoldoende tot zijn recht, en als kijker word je nogal aan je lot overgelaten.