Dans / Muziektheater

Tactile Quartet(s) Vera Tussing & Quatuor MP4

Intiem publiek, publiek intiem

In ‘Tactile Quartet(s)’ onderzoekt Vera Tussing samen met een heus strijkkwartet, het ‘Quatuor MP4’, de bijzondere intimiteit die in een kwartet zowel tussen de performers onderling als in hun relatie tot het publiek kan ontstaan. De vier dansers en vier muzikanten maken er een zeer genoeglijke avond van, maar echt scherpe vormen of ideeën levert het onderzoek niet op. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Tactile Quartet(s)
Pieter T’Jonck Kaaitheater, Brussel meer info
20 oktober 2019

Bij ‘Tactile Quartet(s)’ zit het publiek met de dansers samen op het podium van het Kaaitheater. Schijnwerpers werpen een zacht licht op de publiekstribune. Dat zullen ze de hele voorstelling lang blijven doen. Zo vermoed je meteen dat je hier als kijker een eersteplansrol krijgt. Maar aanvankelijk is het nog afwachten hoe dat zal uitpakken.

De muzikanten daarentegen blijven bij het begin van de voorstelling op de achtergrond. Ze kijken van hoog in de zaal toe als Yoh Morishita als eerste het podium betreedt. Twee vierkanten die elkaar net niet raken werden er met gele tape uitgezet: één evenwijdig met de tribunes, één 45° gekanteld.

Kort tegen één punt van dat gekantelde vierkant gaat Morishita wijdbeens staan. Langzaam, maar steeds heftiger veren haar benen heen en weer, zonder de vloer te lossen. Haar armen volgen met hoekige zwaaien, beheerst maar intens.

Zoltán Vakulya komt naast haar staan, en voegt een tweede beweging toe. Hij zwenkt met zijn lijf naar achter, komt weer naar voor en haalt uit met zijn armen, alsof hij iets van zich afwierp. Zijn achterste been lost daarbij maar even de vloer. Ook hij herhaalt die beweging met toenemende intensiteit.

Esse Vanderbruggen volgt met nog een variatie: zij laat haar gevouwen armen rond haar van links naar rechts wentelende bekken zwiepen, en haalt dan even naar boven uit met een elleboog. Tussing zelf completeert het kwartet met de meest complexe bewegingssequens. Ze neemt in het vierkant positie tegenover Vakulya, stapt links-rechts achteruit en haalt dan uit mat haar armen als ze op haar passen terugkeert.

Eens de vier dansers zo letterlijk in full swing zijn, wordt het boeiend, want het vierkant waarbinnen ze staan is zo klein, niet meer dan anderhalve meter zijde, dat ze erg precies op elkaar moeten inspelen om elkaar niet te hinderen. Ondertussen zette het strijkkwartet ‘Entr’acte’ van Caroline Shaw in.

De analogie tussen de uitdaging waar de dansers voor staan en die waar elk strijkkwartet mee kampt is evident. Zowel deze dans als het spel van een strijkkwartet luistert buitengewoon nauw. Je ziet/hoort vier solisten, maar wel solisten die elkaar nauwlettend in het oog moeten houden, want fouten vallen door de kleine bezetting niet te verdoezelen.

Het miraculeuze van een goed strijkerskwartet, maar dus ook van een danskwartet als dit, is dat ze het klaarspelen om individueel én als groep te schitteren. Zo’n kwartet staat zo als vanzelf voor de ‘verbinding’ waar iedereen vandaag de mond vol over heeft.

Deze openingszet geeft echter nog niet de hele inzet van de voorstelling weg. Er is immers ook het publiek. In de begeleidende tekst bij de voorstelling wijst Vera Tussing er terecht op dat het strijkkwartet ontstond als een muzikale vorm voor de huiskamer -al was dat dan de huiskamer van mensen die het zich konden permitteren vier muzikanten uit te nodigen.

Maar toch: het kon model staan voor een sociaal spel dat wel conventies kent, maar daarbinnen veel persoonlijke expressie toeliet. Intimiteit binnen strikte grenzen. Tussing probeert daar een 21e-eeuwse variant voor te vinden door het publiek steeds dichter bij het gebeuren te betrekken.

Dat doet ze bijvoorbeeld als de dansers op het publiek toestappen en het aanraken. Heel vriendelijk en uitnodigend, zodat niemand zich gedwongen voelt om ‘mee te doen’. Ze doet het ook met een spelletje. De dansers bewegen zich vrij door de ruimte, terwijl ze tellen. Af en toe roept een van hen dan ‘solo’, ‘duo’, ‘trio’, ‘kwartet’ enzovoort, waarop andere dansers dan antwoorden geven als ‘Leonard Cohen’ bij solo of ‘Beatles’ bij kwartet. Het publiek heeft het spelletje snel door en doet zijn eigen voorstellen. Bij een ‘nonet’ wordt dat dan ‘Jackson Five plus four’. Creatief zijn binnen een conventie blijkt heel goed te lukken.

Je krijgt hier als kijker een eersteplansrol.

De muzikanten van MP4 zijn ondertussen al lang op het podium beland, en palmden er elk één hoek van de speelvloer in. Op dat moment verliest de voorstelling stilaan zijn focus. Dat begint met een leuk, maar niet zo vruchtbaar ideetje. De dansers imiteren de ‘dans van de zwaantjes’ uit het Zwanenmeer van Petipa / Ivanov / Tchaikovski . Vier danseressen houden elkaar in die dans met gekruiste armen vast om perfect unisono over het podium te trippelen.

Dat balleticoon is het perfecte tegendeel van een strijkkwartet: niet de individuele vertolker, maar militaire discipline en uniformiteit zijn er de regel. Als vanzelf wordt die regel hier dan ook voortdurend doorbroken. Inhoudelijk en vormelijk verzwakt dat echter de basisgedachte van het stuk. Als het wil tonen hoe intimiteit ontstaat door de koppeling tussen sterke conventies en even sterke individuele expressie is dit een vreemde move. De spectaculaire kwaliteit van de ‘Dans van de zwaantjes’ staat ook haaks op de intieme relatie tot het publiek in een strijkkwartet .

Even ongelukkig is een intermezzo met I-Pads die als een scherm tussen de actie van de dansers en het publiek gaan staan. Over de betekenis ervan zou je best een boompje kunnen opzetten, maar de uitvoering is zo onhandig, en moeilijk te volgen, dat je er als kijker weinig mee aan kan.

Ook choreografisch gebeurt er niet zo bar veel meer. Er is wel een scène waarin de dansers moedwillig heel dicht bij elkaar komen en hun bewegingsmateriaal zo manipuleren dat ze elkaar voortdurend slaan. Op een ander moment strelen of betasten ze elkaar juist heel zachtmoedig. Maar je kan nauwelijks beweren dat dit veel toevoegt aan het materiaal dat bij aanvang van de voorstelling getoond werd of het verder ontwikkelt Als choreografie laat dit kwartet je wat op je honger.

Toch volgt er op het einde van ‘Tactile quartet(s) nog een lang uitgesponnen verrassing. Je ontdekt dat de strijkinstrumenten licht versterkt worden als Tussing vier klankkasten één na één, met lange pauzes, het podium oprolt naar het tweede vierkant. Ze zet bij elke box ook twee stoelen, één voor een muzikant en één… niet voor een danser, maar voor een kijker.

Het strijkkwartet herhaalt nu fragmenten van de zes kwartetten die ze eerder speelden, van Schubert Georg Friedrich Haas, Caroline Shaw, Florence Price en Michael Picknett. De verrassing is dat ze af en toe hun instrument laten voor wat het is om de arm hun ‘bijzitter’ te ‘bespelen’. De klank komt op die momenten enkel uit de boxen. Zo zie je pas wat een complexe handeling vioolspelen is, hoe fysiek ook. Mooi om gade te slaan (en prettig om te beleven, vertelde een van de ‘bijzitters’ me achteraf).

De kijkers worden nog sterker betrokken op de muziek als Tussing ze uitnodigt om bij dit ritueel rond de muzikanten te gaan zitten. Zo ‘performt’ het publiek zelf de oude vorm van de muziekavond in de huiskamer. Allemaal heel plezierig en genoeglijk.

Toch blijf je ook dan achter met het gevoel dat je een goed uur lang wel leuke vondsten zag, en van mooie muziek genoot, maar dat er toch niet zo heel veel pertinente dingen verteld raakten over de vorm van het kwartet. Dat is jammer.