Dans / Performance

Shadows of tomorrow Ingri Midgard Fiksdal

Kijken hoe het verder gaat

Ingrid Midgard Fiksdal brengt met ‘Shadows of Tomorrow’ een geluidloze psychedelische trip op scène. Dwingend wordt de voorstelling niet, maar bij momenten weet ze toch te intrigeren.

Uitgelicht door Lennert De Vroey
Shadows of tomorrow
Lennert De Vroey
Le Lac, Brussel
Kunstenfestivaldesarts
meer info
24 mei 2019

Als we de mooie zolderruimte van ‘Le Lac’ betreden, staan de twintig dansers al opgesteld in twee kluitjes van zo’n tien dansers, al is hun aantal moeilijk te tellen – ze staan zo dicht op elkaar dat hun lichamen nauwelijks te onderscheiden zijn. De opvallende kostuums versterken dat effect: de dansers zijn gehuld in veelkleurige stoffen met allerlei prints in verschillende lagen boven elkaar. Ook hun hoofden zijn in kleurige doeken gewikkeld. Het is stil.

Het publiek neemt plaats op banken en kussentjes aan drie zijden van de ruimte. Op de vloer zijn aan twee zijden telkens vier spots opgesteld die voor licht in verschillende kleuren zorgen. Licht en kleur speelt hier een belangrijke rol. In het begin staat één groep in warm licht met een rode schijn, de andere in koud, groenachtig licht. Op de witte muren rondom ontstaat een schaduwspel, dat hun silhouetten verdubbelt.

Even wordt het helemaal donker, dan komen de dansers in beweging. Eerst gaan ze zachtjes schuddend door hun knieën. Daarna verplaatsen ze zich zeer geleidelijk. Af en toe ontstaat bij een danser een nieuwe beweging op, die de anderen dan overnemen. Gebaren die op zwemmen lijken bijvoorbeeld, die later overgaan in een vertraagd headbangen.

Ingrid Midgard Fiksdal liet zich voor ‘Shadows of Tomorrow’ inspireren door psychedelische hip-hop. De titel is ontleend aan een nummer van Madlib en MF Doom, die er op hun beurt Sun Ra mee eerden. De esthetiek van de kostuums bij Fiksdal doet ook wel wat denken aan die van Sun Ra’s afro-futuristische cultfilm ‘Space is the Place’.

In de psychedelische hip-hop speelt de notie van de trip een belangrijke rol. Die wordt hier op de dansvloer collectief beleefd, maar Fiksdal schrapte de muziek, ook al zou die wat we zien kunnen verbinden, of makkelijker te begrijpen maken. Daardoor dwingt ze ons nauwkeuriger te kijken en anders te luisteren. Je hoort stof ritselen, voeten schuiven en mensen ademhalen. (En ook, van op straat: het geluid van sirenes en motoren. Ze leiden weliswaar de aandacht af, maar roepen ook een mooi contrast op tussen de vaart van het leven buiten en wat er binnen aan de gang is.) Naar het einde toe, met de intensiteit van de beweging op een hoogtepunt, zijn de dansers hun eigen muziek geworden. Gehijg, gepuf en stof die klapperend om hun lichaam waait.

De performance kent een enigszins voorspelbare dynamiek: twee groepen die uitwaaieren en zich door elkaar heen weven; energie die stijgt, daalt en dan weer stijgt; een beweging naar de vloer toe en dan weer naar boven; de groep die zich samentrekt om uiteindelijk, na een hoogtepunt, verspreid over de ruimte te eindigen.

Daar moet je het als toeschouwer mee doen: tempowisselingen, eenvoudige bewegingen, de schaarse geluiden, het spel met kleur, licht en schaduw. Daar komt nog iets bij: de verhouding van de lichamen in de ruimte tot die van de kijkers rondom. Wanneer de dansers zitten of liggen, zie je plots ook toeschouwers aan de overkant, die (net als jij) deel worden van het scènebeeld. Als de dansers uitwaaieren, komen ze dan weer steeds dichterbij. Toch voelt dat niet bedreigend. Twintig gesluierde figuren, bezeten door een collectieve energie zouden vervreemding of ongemak kunnen oproepen, maar dat is nooit het geval. Het gaat hier niet om spanning of een spanningsboog, maar om een flow: je blijft niet kijken om te weten hoe het afloopt, alleen maar om te zien hoe het verder gaat.

Als je niet wacht op 'iets meer' komt er ruimte voor verwondering

Fiksdal legt daarmee een groot deel van de verantwoordelijkheid voor de voorstelling bij het publiek – het vergt actief kijken om iets interessants te zien. En je moet geduld oefenen, want de dansers komen traag op gang. Geleidelijk kan er dan in de verbinding met de bewegende lichamen iets ontstaan, tenminste als je niet wacht op ‘iets meer’ – op een narratief, een spanningsboog, een boodschap? Als dat lukt, komt er ruimte voor verwondering.

Bij het eindbeeld, bijvoorbeeld, wanneer alle dansers op min of meer gelijke afstand van elkaar verspreid staan over de ruimte. Zijn ze daarmee van twee groepen van tien één collectief geworden, of net twintig eilandjes? Als ze de stof van hun gezicht halen om het einde aan te kondigen, krijgen ze in elk geval plots wel een individuele identiteit. Het is een mooi slot van een performance die veertig minuten lang ook de verhouding van individu tot collectief onderzoekt en aanschouwelijk maakt.

De handen van de dansers zijn als enige deel van hun lichaam onbedekt gebleven. Die handen gingen steeds meer de aandacht trekken. Als een aandoenlijk teken van uniciteit te midden van dat dansend collectief, een bijna één geworden organisme.