Hero Ni यं Ni Hero Giovani Fratelli
Middernachtskinderen en superhelden, één strijd
De jongeren van theatergroep Tutti Fratelli, de Giovani Fratelli genaamd, grepen naar “Middernachtskinderen” van Salman Rushdie, een roman uit 1981 met veel impact, toen en nu. Het is een magisch-realistisch epos over de onafhankelijkheid van India en Pakistan, over de oorlogen, over de toverachtige én gewelddadige leefwereld waarin de kinderen van de onafhankelijkheid belandden. Die spanning tussen magie en geweld eigenen de Giovani Fratelli zich toe in ‘Hero Ni यं Ni Hero’, met brutale zeggingskracht en een zeer verleidelijke speel- en vertelstijl. Alsof ze het zelf allemaal meemaakten, die onnoemelijke chaos.
Het is een krachttoer om een roman van meer dan 500 pagina’s, waarin bovendien achter elke alinea een nieuwe wereld schuilgaat, samen te persen in een toneelvoorstelling van ongeveer anderhalf uur. Maar Giovani Fratelli, de jongeren van Tutti Fratelli, spelen dit toch klaar met hun versie van Salman Rushdie’s “Middernachtskinderen” – geen bewerking trouwens, wel ‘vrij naar’. Daphne Wellens, Evelien Bosmans en Nico Sturm maakten daar, met dit superdiverse ensemble, “Hero Ni यं Ni Hero” van. Natuurlijk is dat een reductie van de vele universa die Rushdie oproept, in zijn magisch-realistische vertelling over de onafhankelijkheid van India en Pakistan.
Wisselkind
“Ik ben geboren in de stad Bombay… eens op een dag. Nee, dat kan niet, aan de datum valt niet te ontkomen: ik ben geboren op 15 augustus 1947 in dokter Narlikars kraamkliniek. En de tijd komt er ook op aan. Goed dan ’s avonds. Nee, het is van belang… Klokslag middernacht om precies te zijn, Wijzers van klokken vouwden zich als handen samen in een eerbiedige begroeting toen ik arriveerde. O, verklaar je nader, verklaar je nader: precies op hetzelfde tijdstip dat India onafhankelijk werd, buitelde ik de wereld in.” Zo begint de roman, dit is Saleem die de lezer direct in zijn chaotische leefwereld meeneemt. Het naakte bestaan en het politieke momentum, in één beweging aanwezig. En dat gebeurt hier ook op de toneelvloer, op een minder epische schaal weliswaar: “Er was eens een / een jongen ja / die geboren is / nen hero! / maar wat zou er gebeurd zijn mocht die nie geboren zijn”.
De middernachtskinderen staan voor je neus, mensen met bijzondere krachten.
Zo begint het. Saleem en Shiva, afkomstig uit respectievelijk een arm en een rijk gezin, tegelijk geboren dus, worden met opzet verwisseld door de vroedvrouw, dat is “my own private revolution”, met als motto “let the rich be poor and the poor be rich”. Het ‘wisselkind’ is een klassiek dramatisch motief (Thomas Middleton, G.E. Lessing…), maar hier gaat het om een harde ingreep in sociale verhoudingen, om een schermutseling in de klassenstrijd, met behoorlijk grote gevolgen. Saleem (Jef Smulders) is een vreedzame jongen in een comfortabel gezin, met een onverschillige vader (DC Jones) en een verbitterde moeder (Sajia Latifa). Shiva (Yassin Hens) is een vat vol opgekropte frustratie, gewelddadig én charismatisch - alsof hij weet dat hij verwisseld is. Niet veel nuance dus, qua personages, maar de verteller (Mohsine Mostapha) probeert subtiel de sociale, culturele en politieke context, zoals je die bij Rushdie aantreft, te duiden, liefst ook met de rauwe poëzie die daarbij hoort.
Hij neemt de andere spelers, als een soort koor, mee in zijn exposé, en dan zie je weer die onweerstaanbare zeggingskracht van de groep, hét keurmerk van Tutti Fratelli. Het lijkt dan misschien allemaal ver weg, op een exotische plek waar goden en mensen het met elkaar doen, maar met die expressieve lichamen en stemmen, brutaal in het gezicht van de toeschouwers, komt het helemaal dichtbij. De middernachtskinderen staan voor je neus, mensen met bijzondere krachten: ze zijn allemaal op 15 augustus 1947 om middernacht geboren, en Saleem kan ze samenroepen. Een geheim genootschap dat tegelijk hoop en (steeds meer) ontnuchtering belichaamt. Hun buitengewone gaven hangen immers helemaal af van de samenleving waarin ze er gebruik van kunnen maken, en ze worstelen dus even goed met onmacht als ‘gewone’ mensen.
Gewone mensen met zulke krachten noemen we vandaag superhelden. Elias De Vos (ook een jonge Fratelli) staat op uit de zaal, doet zich voor als een gewone toeschouwer. Hij zal regelmatig tussenkomen om de Indische figuren te vergelijken met de helden en booswichten uit de cinematic universes van DC en Marvel, met veel (overbodige?) details. Maar hij heeft ook aandacht voor de trauma’s van de stripfiguren die daar rondlopen, en dat is net waar ook Saleem en Shiva tegen aan botsen.
Veel te vertellen
Mohsine Mostapha waakt over de voortgang van Rushdie’s verhaal, samen met Bilal El Fakari, met zijn koffiehuisje annex melkbar. Hij wijst op de aanwezigheid van de onvoorspelbare goden. Krishna (Thomas Lauwers) is de ‘god van de schepping’, hij houdt zijn creaties in de gaten, in deze tussenwereld van mensen met vreemde krachten en goden die verwarring stichten. Toch klaagt hij dat hij genegeerd wordt, er is geen respect meer voor een godheid, zelfs hun goocheltrucs maken amper indruk. Parvati is de verleidelijke godin met de vier lichamen (Bella Cordova Vinueza, Bertha Goovaerts, Femke De Vos en Matilde Defossez): de ene zingt, de andere filosofeert, een derde observeert, een vierde verleidt – niets menselijks is hen vreemd. Zonder kostuumwissels – de verteller schept duidelijkheid, als vaardige MC – spelen ze ook allemaal middernachtskinderen op hun samenzweerderige reünies. Er is één zwijgend kind (Daniel Molino Sanchez) dat daar goede redenen voor heeft. Saleem en Shiva, de ene diplomatisch, de andere agressief, eisen het leiderschap op. Ze willen de wereld verbeteren, vrede stichten, ofwel met liefde, ofwel met strijd.
De slimme tussenkomsten van de verteller regelen het verkeer, de humor is gevat en zelfkritisch, de goden goochelen, de muziek zweept op.
‘Hero Ni यं Ni Hero’ combineert een frontale speelstijl, die tegelijk confronteert en verleidt, met onderhoudend, grappig verteltheater en zelfs enkele verwijzingen naar de Bollywood-film. Sajia Latifa zou daarin direct kunnen meespelen, zoals ze laat zien in hilarische scène waarin ze door Saleem betrapt wordt tijdens een rendez-vous – ze drinken samen melk – met haar grote liefde van lang geleden. Het zijn zulke wat anekdotische momenten die doen vergeten dat het geheel een soms wat geforceerde poging vormt om veel te veel te vertellen. Rushdie gebruikte natuurlijk veel meer pagina’s, en de jonge Fratelli willen daarbovenop nog iets kwijt over de superhelden van Marvel en DC.
De slimme tussenkomsten van de verteller regelen het verkeer, de humor is gevat en zelfkritisch, de goden goochelen, de muziek zweept op (SIA’s ‘Unstoppable’) en brengt weemoed (Leonard Cohens ‘Everybody knows’), Tim Vanhamel legt een aangenaam klanktapijt. Mathilde Defossez plaatst het orgelpunt met een aandoenlijke smeekbede, naïef en idealistisch, en toch to the point: “Verzorg u / geloof in goedheid / da moet / da is er / ondanks alles / zoek het licht / zoek het / altijd / gaat ervoor / gij ik wij / zo simpel is het eigenlijk / echt, gaat ervoor / echt…” Frontaal, beklemmend, sentimenteel, liefdevol als een omhelzing. En dan wordt het zwart, middernacht.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz