1030 stappen/pas Rita Morais / Tristero
Een stad is een groot dorp
Theatermaakster Rita Morais neemt in ‘1030 stappen/pas’ twintig toeschouwers mee op pad door de straten van Schaarbeek. Van de majestueuze bomen in het Josaphatpark naar het stadsgewoel op het Liedtsplein. Van de zachte gloed van valavond naar honderd flikkerende neonlichten in de nacht. En tegen die achtergrond dist ze de verhalen op van migranten die er zijn komen wonen.
Een email meldt vooraf de afspraak voor de voorstelling: 19.30u aan de kiosk in het Brusselse park. In de verte klinkt in een jazzconcert vanuit de zomerbar. Dianka Songo, in groen vestje, steekt van wal met een korte poëtische intro over jezelf ontdekken als inwijkeling in Schaarbeek. Ze doet dat in het Nederlands - met een stevig accent - en dat voelt voor mij, als Vlaamse Brusselaar, altijd weer als een cadeau. Een tweede actrice, Julie Mughanda, ook in groene jas, neemt het van haar over en brengt een ode aan het stadspark waar we staan.
Dan vertrekken we onder de volgroene kruinen en langs de vele parkgangers die ieder onverstoord hun ding doen. Het Josaphatpark werd meer dan een eeuw geleden aangelegd en oogt gecultiveerd wild. Hier moet ik vaker terugkomen, denk ik meteen. Tussen de opgeschoten dennenstammen stoppen we voor het relaas over een vluchtelinge uit Ivoorkust die als queer persoon niet langer veilig was in haar land. ‘Mijn familie houdt van mij zoals ik ben’ weet ze, maar hier is ze veilig.
Bij een paar banken op een open plek vertelt Rita Morais zelf over haar grootmoeder die vlakbij woont en die ze als Portugese eerst amper kende, maar die ze regelmatig opzoekt sinds ze hier kwam. Haar groene parka is opnieuw een hint: de acteurs herken je aan hun stadsparkgroene outfit. Morais doet haar verhaal in het Frans, maar ook zij heeft een geprononceerde tongval. Twee mannen die er toevallig bijzitten weten niet hoe te reageren, maar in de kring van toeschouwers onderbreken ze hun gekeuvel. Twee overvliegende vliegtuigen scheuren de aandacht aan flarden.
We lopen het park uit. Op een kruispunt bij een magnifieke art déco lantaarn vertelt Mughunda plots vanuit een heel andere perspectief. Haar identiteit switcht van een Congolees meisje naar een Marokkaanse vrouw. Ik besef dat de drie actrices verhalen van telkens andere nieuwkomers ophalen. Drie gezichten, dertig levens. En één constante: het is in Brussel verschrikkelijk koud voor migranten uit het Zuiden. Dat kon je raden, maar dat de koffie hier niet te drinken is…?
Een nieuwe Brusselse begon zich daar, op die tram, pas echt thuis te voelen door de vele verschillende talen die ze hoorde.
Rita Morais kwam na haar acteeropleiding in Lissabon regie studeren aan het Brusselse Ritcs. Terug in haar geboortestad Guimarães, op 400 km van Lissabon, startte ze een project om inwoners van allochtone origine op te sporen en hun verhaal te laten doen. Ze organiseerde met dat materiaal haar eerste stadswandeling. Die tocht leidde niet langs historische monumenten en gebouwen, maar naar de steegjes áchter de fraaie stedelijke façades.
In Brussel loop je de verschillende nationaliteiten en culturen vanzelf tegen het lijf. Die hyperdiversiteit leidt ertoe dat je nooit kan weten waar iemand vandaan komt, en welke taal die dus spreekt. Dat was vroeger al zo, toen de stad nog vooral door Franstaligen en Nederlandstaligen bewoond werd, maar dat is nu nog veel meer het geval. Pas als je aan de praat geraakt kom je te weten of het Nederlands, Frans of Engels wordt. Dat schept een zekere openheid. Toen ik een keer verdwaalde in de volkse Marollen, vroeg ik een zwarte man die daar liep om hulp. In het Frans (waarom doe ik dat toch altijd, vraag ik me telkens af). Hij keek me niet begrijpend aan en vroeg dan of ik ook Nederlands sprak – hij was afkomstig uit Rotterdam! -. Daarna legde hij me de weg uit.
Vanaf het gerenoveerde Neptunus zwembad lopen we de kleine straatjes in. Aan een café verderop krijgen we een koffietje (wél lekker!) en koekjes aangeboden. Een reusachtige plataan overdekt het plein. Er hangt een dorpssfeer. Dan volgt het verhaal van de Brusselse tram 94. Hoe die van het ene eind van de stad tot helemaal naar de andere buitenrand reed (reed, want hij bestaat niet meer), en hoe een nieuwe Brusselse zich daar, op die tram, pas echt thuis begon te voelen door de vele verschillende talen die ze hoorde. Ze telde er een keer twaalf in één rit.
Hier haken de vertellingen zich vast aan de plaats waar ze beleefd werden. Toen, en nu opnieuw.
Ik moet denken aan het artikel in de Groene Amsterdammer van mei 2019 waar Brussel op de voorpagina prijkt als ‘voorbeeld voor Europa’. ‘De plek waar we zijn, is wat ons bindt, niet onze culturele achtergrond’ vermeldt het citaat in de intro bij het uitgebreid artikel. En onder een foto van een tram: ‘Tram 51 rijdt van het uiterste zuiden van Brussel naar het noorden en laat zo een dwarsdoorsnede van de bevolking zien’. Zalig Brussel.
Het weer voelt aangenaam nazomers. Mensen staan en zitten buiten te keuvelen, of hangen uit de ramen. De atmosfeer is gemoedelijk, ook al loop je door de armste centrumwijken van Brussel. Bij steeds andere haltes krijgen we telkens korte getuigenissen over de aanpassingen en strubbelingen van wie is komen wonen in de grootstad. Even knijpt het als een vierde acteur, Mohammad Al-Mafrachi, vertelt hoe moeilijk hij het heeft om een woning te vinden: zijn voornaam schrikt verhuurders meteen af… Maar veelal is de toon van de anekdotes positief – net iets te aardig, vind ik als Al-Mafrachi uitlegt hoe cool we in Brussel weten om te gaan met fietsen, trams en auto’s door elkaar heen in de straat. Ook over de bestuurlijke-impasse, schietpartijen, financiële fiasco’s en het sluitstorten zwijgen ze in alle talen.
Onderweg bots ik op plekken die ik herken: een straat waar ik bijna woonde, het 33-meter zwembad waar ik ooit baantjes trok, de Gallaitstraat waar ik mijn eerste job kreeg, dat restaurant waar ik naar terug wil, naar dat andere vooral niet!
Sterk aan de wandeltocht van Rita Morais is dat ze twee vormen van herinnering combineert: die van de plekken waaraan gebeurtenissen verbonden zijn - voor de nieuwe Brusselaar én voor de ouwe zoals ik; én de herinneringen in de verhalen die gedeeld worden. Klassieke stadstours blijven veelal anoniem, en anekdotes volgen elkaar op en verdringen elkaar. Maar hier haken de vertellingen zich vast aan de plaats waar ze beleefd werden. Toen, en nu opnieuw. De ervaring is dubbelop, en creëert ook weer nieuwe herinneringen. Geheugen hecht zich graag aan plekken. Omdat alles zich afspeelt op een wandelparcours van nog geen 2 km, lijkt het of je in een vertrouwd dorp bent terechtgekomen. Al bij al klinken de getuigenissen als een ode aan Brussel. Ik wil graag de hele stad zo doorkruisen.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz