Nickenik De Mannschaft / Michai Geyzen, Stijn Van de Wiel
Les één: Kakkut is dus geen kutkak
De eerste les van de schoolvoorstelling ‘NICKENIK’ begrijp ik nog altijd niet. Ik had nochtans aandachtig geluisterd, alles opgeschreven: ‘Kakkut’ staat voor tegenslag (kak) én slecht/shit (kut). ‘Kutkak’ staat voor een vuile vagina… Les twee sprak meer tot mijn verbeelding: existentiële twijfel, en de vraag of je eigen denken van anderen komt. Maar de tweede les raakte compleet ondergesneeuwd door de eerste kakkut.
Het thema van poep en plas (kak en pis, zo je wil) komt uitgebreid en herhaaldelijk aan bod in ‘Nickenik’. Ik schrijf het hier zelf zo stoer neer om de lezer even te confronteren met mijn vertwijfeling. Want wat hebben we aan dit onderscheid?
Theatermakers Michai Geyzen en Stijn Van de Wiel richtten het gezelschap De Mannschaft op in 2015 en maken vooral werk voor jongeren. Daarbij pakken ze vaak zware thema’s aan, maar dan met een goeie klodder humor.
Wie ben ik?
Drie jongeren zonderen zich af van de buitenwereld in een bunker onder de grond. Ze vrezen dat de planeet naar de knoppen is. Een vulkaanuitbarsting, een nucleaire oorlog, een komeet of een wereldwijde epidemie zonder vaccin. Wat precies daarboven is gebeurd, weten ze niet, maar het lijkt dramatisch. Dagenlang zitten ze ondertussen vast. De angst voor de realiteit daarbuiten zet zich steeds meer om in schrik voor wat zich in hun eigen hoofd afspeelt.
Omschrijven ze zichzelf eerst nog als zes handen op één buik, langzaamaan verwordt dat gevoel tot een benauwende ‘huis clos’. De deur naar buiten blijkt ook nog op slot. Hoe langer ze samen hokken, hoe meer ze op elkaars lip gaan zitten, en hoe meer ze elkaar beginnen te haten.
Het podium is sober verlicht met spots en vier perronlampen. Linksachter en vooraan rechts staan witte hekken waarop de spelers steunen en hangen, en die later rechtgeklapt worden. Een grafisch en praktisch minimumdecor.
Eén van de drie zou Nick heten, maar ergens midden in het stuk blijkt dat het gaat om allemaal ‘ikken’: ik en ik en ik. Ikenikenik. Wordt Nickenik. Tenminste: dat is waar de drie acteurs op uitkomen in hun redeneringen, want ze weten het niet zeker. Ze weten niks meer zeker. Ze raken in hun opsluiting vervreemd van de buitenwereld, maar evengoed van zichzelf. Wie is Nick, want wie ben ik?
Het is een gedroomd thema voor jonge mensen die volop zoeken naar wie ze zijn.
De hele tekst bouwt zich op rond dit soort taal- en denkspelletjes. Er ontvouwen zich soms erg grappige redeneringen. “Ik zou nooit denken aan jou, naakt op een wit paard in slow motion. Oh, nu wel!” Met meer van dergelijke bespiegelingen dalen ze af in de aporie van de filosofie. ‘Al wat ik weet, is dat ik niks weet’, wist Socrates zo’n tweeënhalfduizend jaar geleden al. Via de redeneringen komen de drie protagonisten algauw terecht bij hun zelfkennis. Of beter, hun gebrek daaraan.
Het is een gedroomd thema voor jonge mensen die volop zoeken naar wie ze zijn, wat ze willen/kunnen/durven. Wat ze lekker of mooi vinden, of ze een kat- of een hondmens zijn… “Ik oefen om zelf dingen te denken”, verzekert de ene (N)i(c)k, “maar ik weet niet welke gedachten van mij zijn. Ik ben een soort recyclagepark van denken.”
De tweede (N)i(c)k beseft dat ze soms wel mooie gedachten heeft, maar ook heel vieze, vol jaloezie en wraak – achter een klein deurtje en dan een trap naar de donkere kelder. “Gedachten, chaotisch als een grote vleesmassa” – zo omschrijft ze ze. Een knap gespeeld stukje monoloog van Yousra Boukantar.
Als de derde Nick (Laurian Callebaut) verklapt dat ze andermans gedachten kan lezen, breekt paniek uit. “Denken aan pannenkoeken met suiker!” probeert de eerste (N)i(c)k, om zijn foute gedachten te overstemmen. Slim is hoe ze dat uitspeelt naar het publiek toe. “Ik weet wat gij nu denkt…” daagt ze een paar scholieren uit. “En gij. En hola, gij daar… Ja, hij is ook verliefd op u.” Siddering door de zaal. Zou ze echt…? Het is een gedurfde acteerprestatie, want de pubers zitten klaar om de boel uit de hand te laten lopen.
Strontfolklore
Tussen de zelfreflecties door klinkt een soundscape met dondergeluiden en dreigende klanken. Ook bliksemschichten herinneren aan het onheil boven de grond. Andere keren doorbreken de acteurs hun mijmeringen om te zingen, met behulp van een musicstation en heuse micro’s. Het is telkens daar dat de voorstelling gevaarlijk kantelt naar plas-en-poepretoriek. “Kak, story of my life” kwelen ze extra luid in het refrein. Kobe Verdock loopt even de coulissen in “omwille van de diarree”. Er bestaat een naam voor dat soort humor: ‘strontfolklore’.
Het stuk speelt de hele tijd op het dubbele gegeven van een gevoelig thema, afgewisseld met pure kolder. Kak en kut als refrein, het mag best van me. Alleen bederft het die andere, gevoeliger boodschap: twijfelen aan je identiteit is normaal, én ongemak erover hoort erbij. Ik begrijp niet goed hoe je de twee toonaarden kan rijmen zodat er nog iets zinnigs blijft nazinderen straks, alleen in de tienerkamer.
Na 37 dagen – dat getal staat in het dagboek dat de drie ‘ikken’ samen delen – willen ze absoluut weg uit de bunker en de claustrofobie. Verrassing: de deur is open – ze knelde alleen een beetje – en een van hen waagt het om buiten de toestand te gaan opmeten. Natuurlijk is de wereld gewoon zoals altijd. Doodnormaal. Het waren hun eigen angsten waarmee ze af te rekenen hadden. Op dat moment ontdek ik dat ook talent op kan raken, als ze een mimespektakel beginnen op te voeren over angst en die overwinnen, afscheid nemen of achterblijven. De scène heeft iets van reclamefoto’s waarin personages met wijdopen monden breed lachen van genoegen. Ergerlijk onecht.
Pubers paaien met stoere fratsen (zoals even gaan kakken in de coulissen) lijkt me een foute aanpak voor een jeugdvoorstelling.
Tere materie afwisselen met lichtvoetige humor of muziek is een prima idee. Echter, pubers paaien met stoere fratsen (zoals even gaan kakken in de coulissen) om ze een uur lang zoet te houden in een theaterzaal lijkt me een foute aanpak voor een jeugdvoorstelling. Jongeren van 15, 16 en 17 moet je niet betuttelen. Je neemt ze niet als volwaardige denkers als je ze met grove taal en losse fratsen voor je wil winnen.
Je hoorde het jonge publiek wél stil luisteren naar de intelligente bespiegelingen. En ja, lachen met ongemak werkt bevrijdend – zeker in groep. Maar scatologisch theater, waar alleen telt dat geen woord taboe is? Ocharme. Op sociale media krijgen we met alle memes al meer dan genoeg ervan. ‘South Park’ doet dat zoveel beter. Met gedurfd onwrichtend denkwerk, met scherpe poëtische uithalen, met muziek die binnenvloeit of de ernst opbreekt en ja, zelfs met stoere humor, kan je tieners beslist verleiden, maar met deze K en K-grappen bewijs je prille theaterzielen geen dienst.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz