Skid/THR(O)UGH Damien Jalet / Grand Théâtre de Genève
Waanzinnige rituelen
Met ‘Skid’ en ‘THR(O)UGH’ trakteert choreograaf Damien Jalet je op twee voorstellingen waarin de lichamen van de dansers een constante strijd voeren met zichzelf in een doldraaiende wereld. In ‘Skid’ leveren de dansers deze strijd op een enorme witte schans. In ‘TR(O)UGH’ bewegen ze in een ijzeren cilinder. Dat is spannend en spectaculair om te zien. De scenografie van Jim Hodges toont ook aan dat je in deze toestand enkel overeind blijft dankzij de steun van de ander.
Inspiratie voor ‘Skid’ en ‘THR(O)UGH’ vond Damien Jalet in het Japanse ritueel Onbashira, waarbij mannen met boomstammen van rotsen glijden. Waar de witte schans in ‘Skid’ een reusachtige rots kan zijn, heeft de cilinder in ‘THR(O)UGH’ meer weg van een uitgeholde boomstam. Toch zijn beide voorstellingen ook wezenlijk verschillend. In ‘Skid’ is alles groter, ook figuurlijk want daar zien we het leven en de dood uitgebeeld. In ‘THR(O)UGH’ voel je hoe de afgemeten bewegingen in een nauwe tunnel beklemmend werken. De tunnel draagt de kracht van het ritueel in zich: het brengt je van punt één naar punt twee. De tunnel verandert je. En als je weet dat Jalet zijn persoonlijke herinneringen aan de afgrijselijke nacht in de Parijse Bataclan erin verwerkte, dan voel je hoe helend rituelen kunnen zijn.
‘Skid’ begint met een scène die wacht op beweging. Het witte, hellende vlak beneemt het hele podium en lijkt nog groter door de dreunende soundscape van Christian Fennesz. Plots zie je helemaal bovenaan een hand verschijnen. Een voet. De eerste danser glijdt naar beneden. Ze volgen allemaal. Een voor een lijken ze hun lichamen te laten wennen aan deze reusachtige beproeving want rechtstaan lukt amper op het schuine vlak. Het wordt een komen en gaan. Ze verdwijnen beneden om bovenaan plots weer te verschijnen. Een sierlijke wirwar van lichamen die zich overgeven aan de zwaartekracht.
Tot ze elkaar opmerken. Niet via een blik of een wenken, maar via de natuurlijke gang van zaken botsten en stoten ze elkaar aan. De organisch gevormde koppels glijden nu samen naar beneden. Ze voelen zich al sterker, gedragen door de ander. Soms staat een danser halfrecht om dan door de benen van de ander te glijden, die aan te stoten, samen te vallen.
Dat het leven een oefening is die sporen nalaat, toont Joakim Brink in zijn lichtontwerp. De schaduwen van de dansers worden nadrukkelijker. De zwarte vlekken contrasteren met het felwitte vlak. De choreografie van de glijdende dansers met hun zwarte schaduwen is een verbluffend samenspel dat je blijft intrigeren.
Dan gaat het licht uit. Je kijkt automatisch naar boven. Naar de top. Komen ze terug? Dat wel, maar nu staan de dansers in een rij onderaan het vlak. Hun beige pakjes hebben ze ingewisseld voor een zwart exemplaar. Ze lijken helemaal klaar om die top te bekampen. In formatie marcheren ze op de helling. Nu zijn ze hier, in een witte, rechthoekige streep van licht. Dan duidt die felle rechthoek hen iets hoger op het vlak aan. Tot ze bovenaan halt houden en gaan zitten op de rand. Met hun ruggen naar het publiek vormen ze een slang die als een wave beweegt. Op en neer. Een rups die lijkt te groeien. Een pulserend hart.
Het zwarte, bewegende organisme lijkt het witte, statische vlak overwonnen te hebben. Tot het geheel haar delen weer toelaat en de dansers als individuen tevoorschijn komen. Ze staan halfrecht, richten zich naar beneden, houden zich aan elkaar vast en glijden weg.
Zo tussen al die zwarte kostuums valt het op dat één danser zijn beige pakje nog aan heeft. Nog voor je daar enige betekenis achter kan zoeken, zie je hoe een andere danser aan die beige mouwen blijft trekken. De hele groep beweegt en draait op het bovenste deel van de schans, terwijl de danser in deze vleesgeworden chaos letterlijk verdwijnt in zijn beige kostuum. Het kostuum wordt een enorme cocon waar hij in verdwijnt.
Er zijn geen menselijke gedaanten meer wanneer de zestien dansers over de rand van het witte vlak springen en niet meer terugkomen, alleen de enkeling beweegt aan de top van de schans als een pop van een rups. Zijn cocon neemt bij elke arm-en beenstoot andere vormen aan. Het is een wriemelend omhulsel dat leeft.
In deze laatste scène bewijst Jalet dat ‘Skid’ niet enkel fascinerend is door het spektakel van het poëtische vallen en slippen, maar dat het prachtige samenspel tussen de dansers, het uitgepuurde lichtontwerp en de dreigende muziek een totaalbeleving worden, samengebald in het beeld van één enkeling. Wanneer die ene danser zich als een rups uit zijn cocon bevrijd heeft, stapt hij als naakte pasgeborene traag de helling op. Met zijn kop in kas heeft hij iets monsterlijks. Zijn rugspieren bewegen als de wave van de groep. Een wervelend, bijna-onherkenbaar lichaam bereikt de top. En ja, hij richt zich op. Hij werpt één blik op zijn pad. En dan valt de duisternis in.
‘THR(O)UGH’ begint na de pauze ook in die duisternis. Tijdens felle lichtflitsen zie je een glimmende, stalen cilinder opdoemen die tot in het oneindige lijkt te draaien rond haar as. De knetterende geluidstrack van Christian Fennesz geeft het gevaarte iets futuristisch.
Geleidelijk aan bewegen de dansers rond de cilinder, waarvan de gaten in de constructie doen denken aan kogelgaten. Ze dragen casual kleren, alsof ze ergens heengingen en hier toevallig belandden. Hun bewegingen zijn gejaagd alsof iets hen op de hielen zit. Ze draaien rond en zijgen neer terwijl de cilinder blijft draaien.
Die onverstoorbaarheid geeft de cilinder iets transcendentaals en contrasteert met het menselijke onvermogen om te blijven staan wanneer alles draait. Het herinnert enerzijds aan het Onbashira ritueel dat via de menselijke kwetsbaarheid het goddelijke eert. Anderzijds echoot het naar de verschrikkelijke nacht in Parijs, die de alomtegenwoordige eindigheid door geweld in de verf zette.
Jalet speelt met de tijd in ‘THR(O)UGH’. Wanneer de dansers in een rij tot stilstand zijn gekomen, laat de choreograaf hen alle bewegingen achterstevoren herhalen tot enkel de cilinder nog op het podium overblijft. We kijken terug. Beleven opnieuw. Zoals een traumatische ervaring inwerkt op de geest. En laat het nu net ook de tijdsbeleving zijn die van een ritueel een uitzonderlijk moment maakt. Het dagelijkse leven wordt even stilgezet om van de ene levensfase naar de andere te bewegen. Het is een moment van transformatie.
Het is opnieuw donker. Je hoort een onverstoord heen-en-weergaan. Licht schijnt op de cilinder die gevaarlijk dicht tot de rand van het podium rolt. Tot een hand zich vastklampt bovenop de cilinder, een lichaam meerolt. Er ontstaat een choreografie tussen dansers die zich vastklampen aan de gaten in de cilinder en de draaiende beweging van het gevaarte. De dansers laten zich meevoeren tot op de rand van het podium. Je hoort de eerste rijen toeschouwers opgelucht ademhalen wanneer de cilinder net niet hun schoten verbrijzelt. De menselijke kwetsbaarheid zit in het beeld van de bijna-plettende stalen constructie vervat.
Hoewel ook dit deel getuigt van een spannend samenspel tussen de scenografie en de dansers, duurt het iets te lang. Het beeld van de allesverpletterende cilinder die tegelijk een houvast is, werkt, maar de eindeloze combinaties doen de intensiteit van het eerste deel van ‘THR(O)UGH’ naar de achtergrond verdwijnen.
De dansers staan nu op een rij achter elkaar in de zilveren cilinder terwijl Nina Simone zachtjes ‘Who knows were the time goes,’ echoot in haar zelfrelativerende lied. Haar krakende stem op de soundscape brengt de lichamen tot rust. Want wat heb je in te brengen tegen een cilinder die eeuwig rolt eenmaal je hem aan het rollen brengt? Tegen ‘de tijd’ wanneer één seconde je leven kan bepalen?
De eerste danser voert de bewegingen in de cilinder aan, de tweede is een tel trager, de derde twee tellen, de vierde drie… Het patroon herhaalt zich tot de laatste danser in de tunnel. Het is prachtig en tegelijk pakkend. Zijn het doden van de Bataclan? Zijn hun gezamenlijke bewegingen een herinnering aan een gedeeld moment? En hoe lang blijf je iets herbeleven? Ze lijken op de Vitruviusman van Leonardo da Vinci wanneer ze met hun trage armbewegingen opnieuw en opnieuw cirkels maken.Van het onderste punt van de cilinder tot ze de bovenkant boven hun hoofden raken. Tot het weer donker wordt.
En samen, enkel samen, kunnen ze die volmaakte cirkels met hun lichamen schilderen. Damien Jalet verbindt in ‘Skid’ en ‘THR(O)UGH’ rituelen met een cycilisch tijdsbesef waarin door samenspel geen rots te hoog, geen stam te groot is. Of toch. Maar ook daar leer je mee omgaan.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz