Babel Kommil Foo
Cabaret als kintsugi
Kommil Foo. Dat is twee handen op één buik. Maar ook: twee stemmen die al bijna vier decennia eenzelfde melancholie van verschillende kanten belichten. De ene met gitaar en een monkellach voor het juiste woord, de andere met de strijkstok en grimas als verlengstuk van het gemoed. De grote en de kleine, de aangever en afmaker, maar bovenal broers. Raf en Mich. Soms Kain en Abel. Al wordt het in deze voorstelling ook even Kain en Babel.
Een man heeft twee windhonden, een zwarte en een witte. Zijn aandacht gaat vooral naar de witte. Wat begint met een grap, blijkt in ‘Babel’ een metafoor te zijn én een oud zeer. Het brengt de broers, en vooral Raf, terug naar een jeugdtrauma van weleer. Bestaat er zoiets als een lievelingskind?
Die rivaliteit stelt Raf en Mich Walschaerts tegenover elkaar als twee blaffende honden, tot ze opnieuw hun gedeelde hartslag vinden. In de muziek. Op de scène. Immers, al valt het leven soms uiteen in gruzelementen, op het podium vegen de broers die scherven telkens weer bijeen en lijmen ze die met goud. Cabaret als kintsugi. Dat is Kommil Foo.
Leven in het aanschijn van de dood
Ook nu weer verklankt en verbeeldt Kommil Foo het leven zoals het is al komt met elke show de dood steeds dichterbij. Niet als de man en de zeis die zich opdringt, eerder een schaduw die ongenood mee aan tafel schuift. Die tafel is ook op de scène present. Ze is tegelijk ontbijttafel (waar onnozel gedaan wordt over choco - of is het hondenstront? - op de boterham) maar evengoed de plek waar echtgenoten tegenover elkaar zitten met getrokken messen en ingeslikte woorden. Al voelt het soms omgekeerd aan, zoals in het aangrijpende nummer ‘Mag het licht aan?’ Even later zal diezelfde tafel ook de lijkkist schragen.
De tragiek wordt in poëzie gewikkeld, zoals alleen Kommil Foo dat kan: als een snoepje, bitterzoet.
Ontbijttafel. Onderhandelingstafel. Echtelijk slagveld. Lijkbaar. Tijdslijn. Levenslijn. Rond die tafel verzamelen zich de jaren. Raf die zestig is geworden en doorheen zijn relaties zes pluskinderen deelt. Mich die drieëntwintig jaar hobbelig huwelijk achter zich heeft liggen. Hun vader die langzaam verdwijnt in de mist van zijn eigen geheugen (het was ook het pakkende onderwerp van hun vorige show ‘Grind’) en een moeder die in dat wegglijden de hand blijft vasthouden.
Elk einde komt onvermijdelijk. De jaren tellen op en onze tijd telt af en “met rozengeur en maneschijn komt ook sleur en hartenpijn” weten de broers. Die tragiek wordt in poëzie gewikkeld, zoals alleen Kommil Foo dat kan: als een snoepje, bitterzoet. Alsof het leven zelf even op de tong blijft liggen vooraleer weg te smelten.
Het brengt de broers ook tot de onvermijdelijke vraag. Wat blijft over wanneer één van hen wegvalt? Wanneer één stem van de tweespraak verstomt? Wanneer een duo een one-man-show wordt? Mich houdt een grafrede voor zijn broer, hij probeert hun bekendste hit ‘Ruimtevaarder’ uit de piano te halen. Raf draait zich in zijn spreekwoordelijke kist om. Hilariteit alom maar onder de lach schuilt de existentiële crisis. Twee broers die elkaar al een leven lang schragen en plagen, elkaar aanvullen en samen lullen. Twee mannen die elkaars schaduw zijn. Wat is een mens zonder zijn schaduw?
Monologue interieur met twee
Het moet gezegd. Niet alles in ‘Babel’ bereikt dezelfde intensiteit. Aangezien Kommil Foo vooral oudere nummers opdiept voelen sommige scènes meer als kapstok voor die songs dan dat ze het verhaal en dus de voorstelling maken.
De aangekondigde broederrivaliteit blijkt uiteindelijk minder het fundament van de voorstelling dan haar aanleiding. Enkele scènes voelen wat gratuit aan zoals die waarin de ene broer de andere een saflette uitdeelt of het publieke meezingmoment ‘De lul die alles beter weet’. ‘Babel’ lost op in een bredere contemplatie over ouder worden, sterfelijkheid, relaties en identiteit. Op zich is dat allerminst erg, maar waar hun vorige show ‘Grind’ een krachtige maalstroom was, gaat deze ‘Babel’ daardoor eerder meanderen.
Zijn de nummers in ‘Babel’ niet nieuw, nieuw is wel het gebruik van camera en projectie. Kommil foo speelt daarbij met verhoudingen en voor- en achterplan waardoor het lijkt als de ene op de schouder van de ander zit. Als was het een engeltje - of nog vaker- het duivels geweten dat in het oor fluistert. De monologue intérieur krijgt hier een dubbel gezicht.
Wie is die figuur die wij zo achteloos "ik" noemen? Weet jij eigenlijk echt wie je bent?
Zo wordt de titel meer dan alleen de toren uit het Bijbelverhaal zoals we dat kennen. Ja, het gaat over spraakverwarring en misverstanden, over broers die meesterlijk woorden kunnen verbuigen, over geliefden die naast elkaar praten en over een vader die langzaam de taal verliest maar de eigenlijke spraakverwarring zit elders. In onszelf. Wie is die figuur die wij zo achteloos "ik" noemen?
“Weet jij echt wie je bent?” Raf stelt de vraag op rechtstreeks aan het publiek. Via de camera nog nadrukkelijker dan anders. Zijn blik boort in de onze. Het moment heeft iets ongemakkelijks, iets bijna indiscreets. Kommil Foo weet waar de kwetsbaarheid woont. Daar waar we krampachtig zingeving zoeken en we alles eraan doen om niet alleen te zijn. Een mens zonder schaduw is het moment dat de zon verdwijnt.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz