Theater

Take-Away Express Dries Lenaerts

Het afhaalrestaurant als symptoom

‘Take-Away Express’ van Dries Lenaerts is een voorstelling in de reeks ‘En Avant’, een theatercarrousel die zes theaters organiseren om jong talent een kans te geven. Het Nieuwstedelijk koos voor Lenaerts, en dat is een schot in de roos. Dit knotsgekke verhaal over een afhaalrestaurant is diepzinniger dan het lijkt. Het is alsof Christoph Marthaler en Jacques Tati achter de schermen een handje toestaken.

Take-Away Express
Pieter T’Jonck Monty, Antwerpen
06 februari 2026

Het is gek hoeveel een decor verklapt over de ambities van een regisseur nog voor er ook maar één personage verschenen is. Het decor van ‘Take-Away Express’ is, in het Vlaamse landschap, een buitenbeentje doordat het zo onverholen ouderwets-realistisch is. Het representeert in al zijn details sprekend de troosteloze sfeer van een afhaalrestaurant.

Een televisie speelt hoog in een hoek, een gordijn van pluizige bruine kwasten schermt de keuken af. Commerciële posters en een kadertje voor de ‘medewerker van de maand’ moeten de vale muren opvrolijken. Voor die ene klant die zelf zijn snelle hap komt afhalen zijn er twee kuipstoeltjes, gemonteerd op een stalen onderstel, als in een luchthaven, maar dan armtieriger. Dat decor is piepklein, maar de schuin toelopende wanden doen het lokaal toch groter lijken dan het werkelijk is. Alweer: zoals in ouderwetse decors.

Houtje-touwtje

Vreemd is enkel de koeltoog onder de toog: die staat onder water waarin luchtbellen opstijgen als in een aquarium, al ligt ze dan vol (nep)fruit. Bizar is ook de plastic peer naast de toog. Die zin voor het (absurde) detail doet me meteen denken aan de decors van Anna Viebrock voor Christoph Marthaler: extreem realistisch, op enkele details na die een herkenbaar beeld plots doen kantelen.

Daar houden de gelijkenissen met Viebrock echter ook weer op. Lenaerts heeft gewoon niet de middelen om de illusie zo tot het uiterste door te drijven. Je blijft zien dat de muren van bordkarton zijn. Ze zijn bovendien zo laag dat je in de Monty nog een groot stuk van het achterliggende podium ziet. Gordijntjes die zijdelings het gat tussen decor en toneellijst afschermen benadrukken dat houtje-touwtje karakter van het decor nog meer.

Zoals Lenaerts het publiek zit op te wachten, lijkt hij die klungeligheid zelf te incarneren.

Lenaerts schijnt zich daar echter weinig van aan te trekken. Zoals hij het publiek zit op te wachten in een hoekje links van dat decor, met een pc voor en een gitaar naast hem, lijkt hij die klungeligheid zelf te incarneren. Klaar voor de vertoning voor de vertoning. Voor wie maar naar hem kijkt heeft hij een geforceerde grijnslach klaar, als een tic, zonder echt oogcontact te maken. Ook zijn trillende mondhoeken verraden zijn (geveinsde) nervositeit.

In het programma zegt hij dat het stuk geïnspireerd werd door een afhaalrestaurant waar hij vaste klant is. Hij blijft zich erover verbazen hoe de uitbater erin slaagt om tegelijk een rist bestellingen af te werken, of ze nu via de telefoon komen of ter plaatse besteld worden, terwijl koeriers aanschuiven. Het is een extreem complexe vertoning, die elk moment verkeerd kan lopen, maar dat net niet doet.

Flinterdun

Dat geldt ook voor deze vertoning voor de vertoning, én voor al wat volgen zal. Dit stuk en dit decor hangen met haken en ogen aan elkaar. Het kan elk moment mislopen, maar het lukt toch, dankzij Lenaerts. Hij is de regisseur, annex lichttechnieker, podiummeester en muzikant die haren op snaren zet om alles te doen draaien. Een manusje-van-alles, een poppenspeler

Dat blijkt echter al snel zijn lust en leven. Als de voorstelling echt begint krijgt hij het publiek meteen stil met een gitaarballad à la Ennio Morricone, al imiteert hij de bijpassende Mariachi trompetten dan met getuite lippen. Dat lukt hem niet omdat hij dat zo goed doet – alhoewel – maar omdat hij zo onbevangen is. Hij doet wat hij kan, met de middelen die hij heeft. En nee, dit is geen ‘groot theater’, net zoals zijn voorbeeld in het afhaalrestaurant geen driesterren chef is, maar toch smaakt het.

Daarop volgt een flinterdun verhaal. Het begint met een koerier (Felix Maesschalck) die, bij gebrek aan chef, zelf de keuken overneemt. Waarop een volgende koerier (Lotte Van Parijs) ervan droomt de vijf miljoenste besteller/ best seller te worden. Wat net niet lukt. Het levert een gevecht in regel op met een concullega (Mira Truyens).

Eens ze die uit de weg geruimd heeft neemt het verhaal een nieuwe wending. De box die ze als koerier rond zeult verandert in een miniatuurtheatertje met een sneeuwlandschap, en daarna in een soort konijnenpijp zoals die waar Alice (in ‘Alice in Wonderland’) in verdween. Vanuit de box bekogelt ze de toog daarna met sneeuwballen.

Wou Lenaerts nu iets meer dan ons een uur lang amuseren als de onverbeterlijke pleaser die hij zelf beweert te zijn?

Finaal volgt ze de koerier op die eerder de keuken overnam. Het ongerijmde verhaal herbegint zo van voren af aan. De regisseur besluit de voorstelling toepasselijk met een ballad over hoe het leven zich steeds herhaalt. Ook daarmee krijgt hij het publiek meteen weer op zijn hand. Het zingt volop mee “We do it again, and again…”.

Dat hele verhaal duurt maar een uur, maar wel een uur vol spitante gags, grappen en grollen. Vaak raak, soms visueel briljant, af en toe wat te voorspelbaar. De enige vraag die rest is: wou Lenaerts nu iets meer dan ons een uur lang amuseren als de onverbeterlijke pleaser die hij zelf beweert te zijn?

Drukte om niets

Als aanklacht tegen het onzekere bestaan van voedselkoeriers faalt dit stuk in elk geval. Daarvoor is het te surrealistisch. Of te realistisch? Want al die tijd zie je wel mensen die proberen het beste te maken van een absurd systeem van voedsel produceren en distribueren, omdat ze zich blijkbaar geen ander leven kunnen voorstellen. Ze klampen zich vast aan hun job, terwijl ze dromen van een groter en beter leven. Ondanks alle overdrijving is de absurditeit ervan maar al te herkenbaar.

In één scène komt dat bijna pijnlijk tot uiting, ondanks de komische flair van Van Parijs. Ze heeft een tijd niets meer omhanden nadat ze haar concurrente uitschakelde. Ze laat zich dan maar gaan in een dansje dat verraadt dat ze de next Beyoncé had kunnen zijn. Alleen: dat is ze niet, en zo is haar job haar enige houvast om door het leven te stuntelen. Dat doe je dan beter goed!

Het is klungelig én prachtig én deerniswekkend tegelijk.

Die onderstroom in ‘Take-Away Expres’ deed me onweerstaanbaar denken aan de films van Jacques Tati, in het bijzonder aan ‘Playtime’ (1967). Wellicht zag Lenaerts die film nooit, maar de gelijkenissen zijn frappant. Tati ridiculiseert de hectische moderne wereld in een oneindige reeks absurd-komische scènes over de stuntelige Monsieur Hulot. Als een buitenaardse bezoeker blijft hij zich verbazen over alle overbodige technologische gadgets en over alles anders waar mensen zich nodeloos druk om maken.

Zo kan je ‘Take-Away Express’ ook lezen: veel drukte om niets, maar drukte die we blijkbaar niet kunnen missen. Drukte als symptoom van een absurde wereld. Het is klungelig én prachtig én deerniswekkend tegelijk. Net zoals ‘Playtime’ dat in 1967 was. Dat is wel knap voor een debuut.

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz