Performance

Heartscore Anthony van Gog

Lichamen die bonken en brullen

Performance- en geluidskunstenaar Anthony van Gog toonde op kunstenfestival Playground zijn ware aard: die van een componist. Heartscore is een zintuigelijke voorstelling over wat het betekent om een stem te geven aan ons lichaam en van daaruit met elkaar in connectie te treden. Met het lichaam als instrument schets hij een zowel fysieke als muzikale compositie voor ons uit. 

Heartscore
Cosima bas STUK Leuven
In het kader van het Playground festival
meer info
18 november 2021

Voorzichtig betreedt het publiek de verduisterde zaal van de Studio op de dakverdieping  van Stuk, Leuven. We mogen rondlopen of zitten. Eenmaal binnen zie je ze onmiddellijk liggen: twee jongemannen, (Van Gog zelf en Erik Van de Wijdeven) uitgestrekt op de vloer en aan weerszijden van de ruimte. Felle spots doorbreken de duisternis en belichten hun bleke, halfnaakte lichamen en. Ze baden in een cirkel van licht. Als een heilig tafereel. Tussen hen in, in het midden van de zaal, torenen twee zwarte volumes. Het zijn geluidsinstallaties, aangestuurd door een technicus die schuilt in het duister.

Met een waakzame gretigheid scharen toeschouwers zich rond de twee lichamen. Het doet me denken aan de manier waarop wilde dieren op hun prooi afkomen, geen beweging of geluid gaat ongemerkt. Maar de performers wachten op het moment dat het publiek stilvalt. Hun ogen zijn gesloten en hun lichamen doodstil. Op hun borst dragen ze een hartmonitor die verbonden is aan de zwarte installatie. De draden ervan lopen als aderen langs hun ontblote torso’s en verder over de koude vloer.

Voorlopig heerst nog stilte. Enkel zij die dicht genoeg bij de mannen durven komen, horen hen diep ademhalen. Een buik zwelt op en deukt dan weer in. Plots, net wanneer mijn blik beweegt naar het andere lichaam, weerklinkt een ritmisch geklop. Asynchroon en in tweevoud. Geleidelijk zwelt het geluid aan en begint een samenspel van hartslagen dat klinkt als een paard in galop. Zo nu en dan horen we ook het kraken, grommen en klotsen van een binnenste. De geluiden van een lichaam, uitvergroot en versterkt.

Op het ene schermpje schommelt een getal tussen de 79 en 86, de ander haalt makkelijk 140 in rust. Geen hartslag is hetzelfde. De titel van de performance, ‘heartscore’, doet het al vermoeden. Van Gog nam voor dit stuk de rol van componist op zich en schreef een zowel lichamelijke als auditieve compositie. Het is een spel tussen licht en donker, tussen rust en beweging, maar vooral speelt de jonge performancekunstenaar met de grens tussen het zelf en een ander. Door het lichaam binnenste buiten te keren en een stem te geven, tracht Van Gog er een dialoog mee aan te gaan.

Het is een mooie insteek, maar helaas komt dat concept niet geheel over. Pas achteraf werd me duidelijk dat de twee jongemannen op het ritme van elkaars lichaam hadden gedanst. Puur op gehoor waren ze in gesprek geweest met de ander. Als twee foetussen die kronkelen onder het geluid van hun moeders hartslag bewegen de performers traag over de vloer. Eerst vinger voor vinger en teen voor teen. Alsof ze ontwaakten na een diepe slaap en de werking van hun eigen lichaam herontdekten. Met verkrampte en onnatuurlijk ogende bewegingen komt geleidelijk hun hele lijf op gang.

'Een oog om een oog', zullen ze gedacht hebben

Hoewel de bewegingen van beide jongens grotesker worden, lijken hun lichamen lange tijd te zwaar om zich van de grond los te rukken. Ze komen niet verder dan een half opgerichte houding. Het tempo van de voorstelling ligt laag, maar de echo’s die uit de diepten van de twee lichamen rijzen, werken hypnotiserend. 

Dan volgt een verrassing. Als de jongens hun hoofden opzij rollen, beantwoorden ze onverwacht de blik van het publiek. ‘Een oog om een oog’ zullen ze gedacht hebben. Plots komt er nu vaart in het stuk. Beide jongens staan recht, niet perfect synchroon, maar wel tezamen. Ze verlaten hun lichtcirkel en wandelen voorzichtig op het publiek af. Her en der staan ze stil bij iemand, en imiteren diens houding: gekruiste armen, opgetrokken knieën, handen op de rug, perfect gespiegeld. De jonge dansers proberen met ons in connectie te treden, net zoals ze voorheen met elkaar verbinding zochten. Na enige tijd laten ze het publiek weer los en vinden ze elkaar, nu midden tussen de twee geluidstorens waar licht is gaan schijnen. Bij iedere stap die ze naar elkaar toe zetten, horen we gepiep, alsof hun verzet om samen te komen hoorbaar wordt via de monitor op hun borstkas.

Hier grijpt de technicus in; hij manipuleert het geluid tot hun hartslagen steeds meer gelijk lopen. Zullen ze er in slagen één te worden? Toch niet. Net voordat hun lichamen elkaar raken, gaan de dansers elk een andere richting uit, elk weer naar ‘zijn’ kant van de zaal. De machines worden uitgezet en het geluid gedempt.

Het lijkt zo alsof de twee jongemannen faalden in hun poging bij elkaar te komen. Alsof ze elkaars lichaam wel hadden gehoord, maar er zichzelf niet in hadden gevonden. Een voorstelling die moest gaan over het vinden van elkaars geluid eindigt daarmee in stilte. Een waarschuwing misschien. Toch wel apart, maar daardoor niet minder passend bij een thematiek die voor mij het kunstenfestival Playground tekende: in connectie treden met elkaar. Ook Van Gog’s performance ging over de kunst van het samenkomen. Over stilstaan en aanraken. Luisteren tot we elkaar vinden, of dat toch op zijn minst proberen. 

Beschikbaar voor iedereen, gefinancierd door lezers en organisaties.
Steun pzazz met een abonnement.

Abonneren