Deutscher Herbst Christopher Rüping / Deutsches Theater Berlin
Pleister op wonden die men liever vergeten had
Was ist denn nur los mit diesen Deutschen? Commentatoren struikelen over elkaar heen om te verklaren waarom de Duitsers bij de eerste, de beste sociaaleconomische onweerswolken massaal op een extreemrechtse partij als AFD stemmen. ‘Deutscher Herbst’ van Christopher Rüping en het Deutsches Theater Berlin probeert dat op de Ruhrtriennale 2026 te duiden vanuit persoonlijke geschiedenissen, met het gelijknamige boek uit 1946 van de Zweed Stig Dagerman als leidraad. De poging is niet onverdienstelijk, maar struikelt over teveel en te lang uitgesponnen regievondsten om dan te stranden in een al te simpele verklaring.
Al is Duitsland nog zo groot en belangrijk, we weten er weinig van. Duitsers lezen andere boeken, kijken naar andere films en series en luisteren naar andere muziek. Hun hele culturele referentiekader, met zijn diepe wortels in literatuur, muziek en schilderkunst, is anders. We beseffen daardoor ook te weinig hoe diep de complexe ontstaansgeschiedenis van het land, gevolgd door de kolossale nederlagen van twee wereldoorlogen, de wederopstanding, de crisis van de ‘loden jaren’ 1970 en de onvolmaakte hereniging van beide Duitslanden de bewoners hebben getekend en dat nog steeds doen.
Stille wanhoop
Vooral de generaties die WO II meemaakten vervielen na de oorlog vaak in stille wanhoop. De ouderen omdat ze ‘verdacht’ waren, de jongeren omdat ze geen kansen kregen. Ook binnen families had men het zelden over die pijnlijke, ellendige tijd. Latere generaties wilden die stilte openbreken met veel geweld om komaf maken met die erfenis en de ‘foute’ Duitsers die toch weer macht verwierven. Het waren de loden jaren 1970. Niet toevallig rijmt ‘Deutscher Herbst’ op ‘Deutschland im Herbst’ (1978), een geruchtmakende tv-serie over die periode met topregisseurs als Rainer Werner Fassbinder en Alexander Kluge. Dan hebben we het nog niet eens gehad over de etterende wonden die de Stasi tot vandaag in Oost-Duitsland, de DDR, naliet. Ook daar heerst zwijgen.
Nu gaat de slinger weer de andere kant op. Het is een patroon, merkt Almut Zilcher op het einde van de avond op. Zoals Don Quichotte telkens weer nieuwe ficties verzon als de oude niet meer werkten, zo storten de Duitsers zich steeds weer massaal op een nieuwe ‘oplossing’ als de oude geen stabiliteit meer biedt. Dat doen ze steeds sneller, naarmate de omloopsnelheid van nieuws versnelt en de diepgang ervan vernauwt. De hypothese van regisseur Christopher Rüping is dat dit alles een rechtstreeks gevolg is van het deken van stilte die binnen families over al die moeilijke episodes ligt. Kinderen durven hun ouders niet vragen wat ze deden, meemaakten, dachten. Ouders wilden er niet meer aan terugdenken. Keer op keer. Generatie na generatie. Duitsland als één groot intergenerationeel trauma, dat tussen de oren van mensen blijft zitten, zonder hoop op verlossing. John Le Carré zei daarover: "Het naoorlogse Duitsland was een psychiatrische inrichting, met Berlijn als de beveiligde afdeling." Rüpings gedachte staat daar niet zover van af.
Wiebke Mollenhauer spreekt ons aan als haar vader die zijn geheugen verliest.
Hij beeldt die ook letterlijk uit. Een immens podium – misschien wel honderd meter diep – is langs alle kanten bezet met rode worsten in schuimrubber met daarachter grote luchtkussens in doorschijnend plastic en helemaal in de verte een luchtkasteel dat vaagweg lijkt op hersens. Dat bizarre decor blijkt een voorstelling te zijn van het inwendige oor, het orgaan dat voor ons evenwichtsgevoel zorgt, van Wiebke Mollenhauer. Zij is het centrale personage in het stuk. Geboren in 1984 (in het stuk dan toch) is ze op bezoek bij haar dementerende vader. Die rol krijgen wij, als toeschouwers. Ze spreekt ons aan als haar vader die zijn geheugen verliest. De tragiek is dat ze daardoor vele vragen die haar kwellen nooit meer zal kunnen stellen, terwijl ze dat al jaren eerder had willen – en moeten – doen.
Onthutsende ellende
Dat laatste wrijft Steven Adjei Sowah haar telkens weer aan. Hij duikt ongevraagd in haar hoofd op als Stig Dagerman, de getuige van de extreme ellende die Duitsers, met name ook in het Ruhrgebied trof na de oorlog. Die verhalen zijn werkelijk onthutsend: doordat de pompen in het Ruhrgebied stilvielen overstroomden huizen en leefden mensen permanent in huizen waar het water een meter hoog stond. Het punt dat Rüping zo maakt is dat zowel dit zwijgen als het weten Duitsers veel onzekerder en kwetsbaarder maakt dan ze zelf willen toegeven.
Hij vergelijkt het, in het programma, met de stad Berlijn. Opgeblonken na ‘Die Wende’, maar wie het wil zien merkt overal nog de kogelinslagen van WO II en later. Zijn dramaturgische vondst is dat Wiebke last krijgt van duizelingen waar geen dokter een antwoord op weet. Vandaar dat scènebeeld van het inwendige oor. Er is niets mis mee. Het is de symbolische grond onder Wiebkes voeten die siddert nu ze niet meer kan achterhalen wat ze altijd had willen weten, en nu Duitsland toch niet meer de berouwvolle zondaar blijkt te zijn die extreemrechts definitief heeft afgezworen.
Zowel dit zwijgen als het weten maakt Duitsers veel onzekerder en kwetsbaarder dan ze zelf willen toegeven.
Dat blijkt bijvoorbeeld als ongevraagd een bende nozems (de muzikanten Christoph Hart, Rike Huy en Shih-Che Lee) een tent opzetten in haar hoofd en muziek van de als extreemrechts bestempelde groep Böhse Onkelz speelt. Ze kan het niet verenigen met de optimistische elektropop die haar jeugdidool Blümchen (een rol van Svenja Liesau) – een Duitse versie van K3 en Pommelien Thijs ineen – etaleerde in haar album ‘Herzfrequenz’ (1996). Ook die duikt op, en dan blijkt dat Wiebke dansjes verzon op elk nummer van die plaat en zo zelfs meenam aan een talentenjacht. Ze huivert als ze eraan terugdenkt maar – spoiler alert – op het einde omarmt ze die herinnering en zingt ze, met de volledige cast, de song ‘Liebe Liebe’, danspasjes incluis.
Het mooie verleden
Rüping zoekt de intergenerationele trauma’s echter nog verder, tot vroeg in de 19e eeuw. Wiebke ontdekt bijvoorbeeld bij haar vader een liedboek uit 1897. ‘Frau Musika – ein Buch für frohe und ernste Stunden‘ zou nog aan haar groot- of overgrootouders toebehoord hebben. Het leidt tot vele amusante muzikale interludia onder leiding van Benjamin Lillie, die moeten bewijzen dat ‘herfst’ niet alleen kommer en kwel is. Het is vooral een veel te lang gerekte parodie op de idee dat er ooit een ‘normaal’, welstellend, landelijk Duitsland was. Schilderijen van Caspar David Friedrich tappen uit datzelfde vaatje. Wiebkes vader hield ervan, maar de angel is dat Hitler dat ook deed en soldaten zelfs het slagveld opstuurde met afbeeldingen van Friedrich als bagage.
Door al die bijkomende hersenspoken van arme Wiebke verliest de voorstelling steeds meer focus. De weinig overtuigende vertolking van Mollenhauer en de vele vreemde bokkensprongen in het verhaal maken het je als toeschouwer wel heel lastig om je te verplaatsen in de tragiek van het hoofdpersonage. Pas na de pauze volgt er een moment dat je werkelijk bij je nekvel pakt: een beheerste, zelfs ijzige voordracht door Almut Zilcher van ‘Troost’ van Stig Dagerman. De schrijver werd zo geteisterd door depressies dat hij zich op zijn éénendertigste van het leven beroofde. Hoe hij de jacht op troost beschrijft is hartverscheurend. Hoe hij dan besluit dat het leven nergens toe dient dan zichzelf – geen vlaggen, geen grootse prestaties – zet de ideologische dwaalsporen waarover het eerder ging in een schril licht. Daar had het moeten ophouden.
Helaas voegt Rüping, bij monde van Zilcher als de geleerde tante van Wiebke, daar nog een half uur durend sermoen aan toe. De boodschap: als we vaste grond onder de voeten verliezen en zo beginnen duizelen – het lot van Wiebke als pars pro toto van de Duitsers vandaag – moeten we dat gevoel niet ontkennen of weigeren maar omarmen als een welgekomen roes, een weg uit het moeras van somberheid. Prompt krijgt dat gestalte in de lesbische relatie die Wiebke aangaat met Blümchen. Die duikt hier weer op in de gedaante van een bevriende verpleegster. Een paar innige zoenen later vindt Wiebke haar ‘kern’ terug en zijn alle hersenspinsels weg. De weg is vrij om ‘Liebe Liebe’ van Blümchen terug vol te zingen en te dansen, als het onschuldige kind dat ze ooit was, na jaren vol schaamte.
Als Rüping gelooft dat hij zo de Duitser die op de AFD stemt zal overtuigen is dat puur wensdenken.
Het klinkt niet slecht, en een beetje liefde is zeker nooit weg, maar als Rüping gelooft dat hij zo de Duitser die op de AFD stemt zal overtuigen is dat puur wensdenken. Die AFD-stemmer smacht naar een ‘normaal’ land en naar erkenning van zijn/haar zorgen, niet naar lessen in welvoeglijk ‘non-binair’ denken. Het is zelfs wensdenken van de ergste soort en olie op het vuur van de AFD omdat de voorstelling, vaak stuntelig, absurd veel middelen inzet. Ze bewijst zo als het ware dat een ‘elite’ het nog steeds voor het zeggen heeft en zich daarvoor de grote middelen toe-eigent.
Dit verhaal had veel gewonnen bij een intiemere setting, zonder somptueuze beelden, windmachines, wapperende zeilen, luchtballonnen… Het had zo veel directer gecommuniceerd met een publiek dat – gemeten aan de gemiddeld zeer hoge leeftijd – donders goed weet waarover dit gaat. ‘Deutscher Herbst’ raakt veel gevoelige wonden, maar haast zich zozeer om ze meteen van een pleister te voorzien dat het lijkt alsof ze er nooit waren. Daar spreekt de voorstelling zichzelf tegen. Het conflict is springlevend, en blijft onopgelost.Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz