Geen Kafka Collectief Verlof
Papa, kijk dan!
Waren er geen vaders, dan was er ook veel minder kunst. Sowieso geldt precies hetzelfde voor moeders, maar met hoeveel zijn ze niet: artiesten die creatief zijn voortgedreven door hun verstoorde relatie met hun ouweheer. Neem Franz Kafka. In de innemende monoloog ‘Geen Kafka’ kruipt Bart van der Heijden in de huid van de Praagse schrijver om zijn hart te luchten aan zijn dominante vader, over alles wat hij hem nooit had durven te zeggen. Hoe vader te zijn? Hoe man te worden?
Het blijft een van de meest revelerende documenten uit de literatuurgeschiedenis. Op zijn 36e, vijf jaar voor zijn dood in 1924, begon Kafka aan een brief aan zijn vader Hermann, waarin hij alles van zich af wou schrijven wat hem al jaren bespookte over diens impact op zijn leven. Zijn epistel bleef maar duren: eerst handgeschreven op papier, dan verder op zijn typmachine. Finaal kwam hij aan meer dan honderd kantjes.
Kafka omschrijft zichzelf ergens als een worm die onder een grote schoen is terechtgekomen
In die ‘Brief aan Vader’ zocht Kafka een antwoord op zijn blijvende angst voor hem – precies de reden waarom hij alles neerschreef in plaats van direct uit te spreken. Zelfs in die vorm is zijn epistel nooit tot bij Hermann Kafka geraakt. Kafka was bang. Ergens omschrijft hij zichzelf als een worm die onder een grote schoen is terechtgekomen, terwijl het enige stukje dat niet verpletterd werd, krampachtig verder probeert te kruipen. Een alleszeggend beeld.
Bart Van der Heijden, artistiek leider van het Leuvense gezelschap Collectief Verlof, bewerkte Kafka’s brief tot een solo voor toneel. Dat brengt extra uitdagingen mee. Hoe ga je in dialoog met een afwezigheid? Hoe spreek je tot een kolos die je moeilijk kan tegenspreken?
Kind in de kelder
Wat meteen opvalt én inwerkt aan ‘Geen Kafka’, is de muzikale sfeerzetting nadat Van der Heijden zich bij de zaal heeft geïntroduceerd als ‘pakweg Franz’. Achteraan voorziet Lucas Heytens op een synthesizer zowat zijn hele monoloog van een zachte en licht melancholische ondertoon, waarin soms ineens zware onheilspellende toetsen in komen doorklinken, als olifantspoten door de porseleinenkast. Dat zegt veel. ‘Geen Kafka’ wisselt voortdurend tussen een open handreiking naar begrip en duistere flashes van benauwenis.
Franz’ alleenspraak is geen afrekening. Meer een zelfonderzoek, een retrospectieve op een getraumatiseerde jeugd die is blijven duren. Een wensdroom ook. Hoe had het geweest om echt te kunnen praten? De halve tragiek van zijn monoloog zit precies in zijn monologische karakter. Vader is er niet. Hij is er voor Kafka ook nooit écht geweest, drukdoende als hij was om zichzelf buiten het gezin te manifesteren als burger en ondernemer.
De paar herinneringen aan hun contact die Franz nu met ons deelt op scène, blijken eerder bevestigingen van een gapende kloof. Samen gaan zwemmen in een Praags bad? Van der Heijden roept het beeld op van een schriele, bibberende zoon naast een almachtige beer in het pashokje, om dan schallend de les gelezen te worden in schoolslag. ’s Nachts in bed om een glas water roepen omdat je dorst hebt? Vader sloot zijn zesjarige zoon prompt op in de kelder. Kleine Franz probeert van dat kille hol zijn eigen knusse wereld te maken, maar het eindigt met Van der Heijden die wezenloos in de lege lucht trapt. Hij stampt in een gemis.
Vader in zijn jas
Als speler lost hij die dramatische afwezigheid op met een simpele overjas, die vader Kafka moet verbeelden als bekleder van een onwankelbare publieke persona. Die zwarte pardessus fungeert als een ritueel token, maar ook als een ankerpunt om zijn eenrichtingsdialoog naartoe te spelen. Van der Heijden zet hem eerst op een staak, hoog oprijzend boven de tafel – de plek waar Kafka zijn vader aan het avondeten het vaakst in de ogen moest kijken. Maar algauw verhuist de jas naar een van de draaiende staven die boven de scène hangen. Ze doen spontaan denken aan de ranke mobiles die je ook wel eens in kinderkamers aantreft.
Voor de rest van de voorstelling sluipt en zweeft vader Kafka zo over de scène: traag cirkelend om zijn zoon, als een zwijgende en onaantastbare schim. Soms wentelt de jas zich van hem weg, soms draait hij zich naar hem toe. Afstand en nabijheid vallen niet te controleren. Vader-de-overjas volgt enkel zijn eigen wetten en nukken.
Op wonderlijke wijze fungeert de lege jas als een duister projectiescherm voor je eigen associaties.
Die wentelende mantel is een knappe scenografische vondst. Met zijn aura van ambtelijk gezag en ‘louter buitenkant’ doet hij niet alleen recht aan de hele worsteling van Kafka’s oeuvre met de poppen van de bureaucratie. Op wonderlijke wijze fungeert de lege jas ook als een duister projectiescherm voor je eigen associaties. Al blijft de mantel steeds dezelfde onverstoorbare aanwezigheid, het is gek hoe vader Kafka ineens toch iets kwetsbaars en luisterbereid krijgt, om het volgende moment weer te verstarren in een ijzige macht. Hij communiceert wel degelijk terug, transformeert zich – puur in jouw blik – naar Franz’ zinnen.
Tegelijk blijft Van der Heijden ook als speler nog wat zoekend in zijn verhouding tot zoveel onvoorspelbare ongrijpbaarheid. Is hij zelf de sturende animator van zijn vaderbeeld, die de jas naar zijn noden kan regisseren en zo zijn gram haalt? Of blijft hij eerder het jongetje dat is overgeleverd aan een onredelijke vaderlijke autoriteit? Het valt op dat direct fysiek contact met de jas vooral gemeden wordt. Maar zo kan het ook gebeuren dat Van der Heijden ons toevertrouwt dat vader en zoon veel te dicht tegenover elkaar staan voor een vader-zoon-gesprek, terwijl de jas op dat moment net op zijn verste punt in zijn eigen baan glijdt.
Zo nauw het samenspel tussen tekst en muziek, als één stem die spreekt met het hart op de tong, zo drijven tekst en tegenspeler dus af en toe net uiteen. Voor een deel is dat natuurlijk net het punt, maar wanneer vaders jas op sommige momenten maar wat hangt te hangen wanneer Franz zich net naar de zaal richt, lijkt er toch nog iets loos in de speldramaturgie.
Man in de spiegel
Verder raakte ik vooral ingenomen door deze monoloog. Al bijna tien jaar probeert Van der Heijden met Collectief Verlof zonder subsidies een verschil te maken in het jeugdtheater. Bij veel andere vrije spelers voor een jong publiek leidt dat tot vooral leukige of net opvallend educatieve producties, die meer weghebben van goedkope animatie tussen de les wiskunde en LO. Hier voel je een duidelijke artistieke motor.
Dat blijkt niet alleen uit de intimistische benadering van Kafka’s hele verhaal (in een eindregie van Mokhallad Rasem), maar ook uit enkele verrassende visuele ingrepen met de ranke stalen constructie op wieltjes die het decor vormt. Met twee, drie snelle bewegingen verandert die rollende paravent van een kamertje of een schrijfbord in een spiegel. Als Van der Heijden zichzelf daar in de ogen kijkt en steeds meer vaderlijke trekken tussen die van zijn moeder waarneemt, wordt ‘Geen Kafka’ minstens zoveel ‘Oedipus’ als ‘Hamlet’: een tijdloos portret over identiteitsvorming en ouderlijke last, waar iedereen zijn afkomst in kan spiegelen. In die zin kan deze monoloog net zo goed in het avondcircuit zijn mannetje staan.
Tegenover de strakke jas, belichaming van masculiene kracht door onaanraakbaarheid, staat Van der Heijdens eigen hartelijke podiumpersona.
Mannelijkheid, daar gaat het hier ook om. Met alle onheilsberichten over het regressieve manbeeld van vooral adolescente jongens is dat voor Collectief Verlof zeker ook een politiek vraagstuk, maar typerend voor zijn artistieke inzet is dat dat er zeker niet vingerdik bovenop ligt. Van der Heijden kiest de suggestieve aanpak, met succes. Tegenover de strakke jas, belichaming van masculiene kracht door onaanraakbaarheid, staat zijn eigen hartelijke podiumpersona. Met zijn open smile, onder een sympathiek mutsje, stelt hij zich eerst wat nerveus en verontschuldigend voor, maar vanzelf geeft die moedige sensibiliteit zijn pleidooi voor direct kwetsbaar gesprek meer en meer overtuigingskracht. Hij laat je niet alleen in Franz’, maar ook in het eigen hart kijken.
Dat maakt van ‘Geen Kafka’ zoveel meer dan ingeleefd biografisch theater. Het is vooral ook een mooi voorbeeld van hoe theater niet zomaar een beklagenswaardige toestand hoeft uit te smeren, maar een zaal ook kan meevoeren in het scheppen van een alternatief. Uiteindelijk transformeert Franz’ alleenspraak in een fragiele utopie, die met zijn gevoelige sfeer ook zoveel andere mannen zou kunnen helpen ‘ontmantelen’ en ontdooien. Opnieuw bewijst Collectief Verlof dat verstoorde vader-zoon-relaties een zegen zijn voor de kunst.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz