Lecture performance

Non-aligned newsreels: Fragments from the Debris Mila Turajlić

Archieven moeten leven

Als landen verdwijnen, verdwijnt ook de herinnering, behalve misschien in de vorm van nostalgie. Dat gebeurde ook met het voormalige Joegoslavië. Mila Turajlić, documentair filmmaker, stelt dat vast en betreurt dat. 10 jaar geleden vond ze een reusachtig archief met 35-films voor het bioscoopjournaal, gemaakt in opdracht van de Joegoslavische president Tito. Ze kwam ook veel materiaal op het spoor over wat destijds de Derde Wereld heette: jonge naties in Azië en Afrika die zich als niet-gebonden landen tegenover de rivaliserende U.S.- en Sovjet-blokken wilden opstellen. Ze vertelt over haar fascinatie in ‘Non-Aligned Newsreels: Fragments from the Debris’, een onthullende en aangrijpende lecture-performance.        

Non-aligned newsreels: Fragments from the Debris
Klaas Tindemans Beursschouwburg, Brussel, in het kader van Kunstenfestivaldesarts 2025
30 mei 2025

Een archief dat enkel stof en roest vergaart is zinloos, hoogstens een ruïne in het universum van Jorge Luis Borges – een bron voor poëtische speculaties dus. Een archief moet leven, een archief veroudert, brokkelt af, vergeelt – net zoals mensen dus. Men moet het archief ook kunnen raadplegen. Het onvermijdelijke gevolg daarvan is dat de perceptie van het verleden verandert. Die stelling poneert Mila Turajlić bij het begin van haar lecture-performance ‘Non-Aligned Newsreels: Fragments from the Debris’.

Dat hoeft niet onmiddellijk te betekenen dat alles onvoorwaardelijk gecatalogiseerd of gedigitaliseerd  wordt – een archief is geen heilig schrijn –, maar wel dat mensen van vandaag de kans moeten hebben om met dat gedocumenteerd verleden om te gaan, om welke reden ook, van puur sentiment tot hooggestemde artistieke plannen. Het moet beschikbaar zijn als bron van reflectie over het verleden, zeker als dat verleden als politieke realiteit helemaal verdwenen is. Joegoslavië bestaat niet meer, het socialisme als staatssysteem is weg.

In 1995 sloten de intussen onafhankelijke deelrepublieken een scheidingsovereenkomst, na vijf jaar burgeroorlog. Zoals bij elke scheiding bleven er losse eindjes hangen. Het protocol over de verdeling van federale archieven raakte bijvoorbeeld niet ondertekend. De Filmske Novosti, beelden van de Joegoslavische bioscoopjournaals, zitten in zo’n archief. Tot het midden van de jaren 1960 waren die bioscoopjournaals hét nieuwsmedium, belangrijker dan televisie. Het archief bevat echter enkel de filmbeelden, niet de bijhorende klankopnames. Die liggen bij Radio Belgrado. Niemand had nog autoriteit over dit archief en een federale regering was er ook niet meer. Kamers vol blikken dozen, dure 35mm pellicule (Tito wilde kwaliteit), met schaarse metadata, weinig voorbereidende of duidende documenten. Toch geraakte Mila Turajlić binnen.

Ze kwam ook Stevan Labudović op het spoor, die samen met zijn spitsbroeder Dragan Mitrović, van de late jaren 1940 tot Tito’s dood in 1980 als cameramannen onder meer elke openbare beweging van Tito registreerden. Labudović kwam recht uit het maquis, waar hij als jonge partizaan mee de nazi’s verjaagd had. Nu zette hij de strijd verder, niet met een geweer maar met een camera, en met nog meer enthousiasme wanneer Tito, in 1948, met Stalin breekt. Vanaf dat moment zal Tito zich ook opwerpen als pleitbezorger van de dekolonisatie in Azië en Afrika. In 1955 brengt de Indonesische president Soekarno jonge Aziatische en Afrikaanse naties en bevrijdingsbewegingen samen op de conferentie van Bandung, om de Derde Wereld zichtbaar én politiek werkzaam te maken.

Enkele maanden eerder was Tito vanuit Joegoslavië vertrokken naar Birma met de Galeb, een gezonken schoolschip van de marine dat na de oorlog opgevist werd en gerestaureerd werd tot presidentieel jacht. Eén van de eerste reportages van Stevan Labudović gaat over die twee maanden lange reis. Tito passeerde door het Suez-kanaal, ging op visite bij Egyptisch president Nasser, en deed ook India aan, waar Nehru hem opwachtte. Volgens de legende was hij ook aanwezig in Bandung, maar dat is heldhaftige fictie: Tito was dan al terug thuis.

Talloze newsreels van Labudović tonen hoe Tito geniet van dit varende paleis en de talloze ontvangsten, met motorcades en erewachten, in de nieuwe naties van het zuiden. Labudović en Mitrović zitten op de huid van Tito en van zijn gesprekspartners, zij hielden van haast intieme close-ups. Ze filmen ook elkaar, bij voorkeur wanneer ze waaghalzerige camerastandpunten zoeken in de drukte van staatsbezoeken en topconferenties. De Joegoslavische bioscoopbezoeker van destijds had wellicht geen aandacht voor deze filmische frivoliteiten, maar ze vormen een soort watermerk, een onzichtbare handtekening van zelfbewuste filmmakers, hoe propagandistisch hun rol ook was.

Aan dit op zich al opzienbarende archief – dat erbij ligt als een ruïne – voegt Mila Turajlić een belangrijke laag toe. Ze vertelt het verhaal over hoe ze het archief vond en wat ze daar aantrof, en ze filmt zichzelf, met een camera op haar pupiter gemonteerd, terwijl ze spreekt. Je ziet dus een split screen met links de beelden van Labudović, en rechts de beelden van haar blik op dat materiaal. Ze vertelt over de experimenten die ze gedaan heeft om geluid en beeld – destijds apart opgenomen – opnieuw te synchroniseren. Ze gebruikt daarvoor de toespraak van Soekarno op de stichtingsbijeenkomst van de Organisatie van Niet-Gebonden Landen in Belgrado in 1961. Technisch was dat erg gecompliceerd, en ze voegt er een toets aan toe: de beeldreportage toont gewone Joegoslaven die naar de rechtstreekse radio-uitzending luisteren, en Soekarno’s stem wordt licht vervormd naargelang de plek waar men luistert – thuis, op straat, op het werk.

Een terugblik zoals die van Mila Turajlić, die zowel empathisch als analytisch is, slaagt erin om sentimentele nostalgie of postcommunistische verbittering te overstijgen.    

Zo gaat het archief leven, het materiaal wordt aangepast aan de subjectieve omstandigheden van deze luisteraars (soms lijken ze wel geregisseerd, niet erg spontaan) en, bij uitbreiding, van ons kijkers, meer dan 60 jaar later. Turajlić stelt ook vast dat Labudović zich niet beperkte tot de rol van audiovisuele lakei. Hij verbleef drie jaar bij de Algerijnse opstandelingen van het FLN, in de laatste van hun strijd tegen Frankrijk. Dat geeft een beeld van de keerzijde van een oorlog waarvan de beeldvorming grotendeels in handen was van de kolonisatoren. Andere bevrijdingsbewegingen, zoals het Mozambikaanse Frelimo, zijn ook uitvoerig gedocumenteerd, Joegoslavië leidde cameramensen op om deze strijd, en de natievorming die daarbij aansloot, te documenteren. Zo ontstond een ander verhaal, dat men eventueel als contra-propaganda kan bestempelen, zoals Turajlić doet, maar zij ziet het ook als een noodzakelijke aanvulling ziet bij het discours van het imperialisme. We kennen die keerzijde soms wel, bijvoorbeeld via de docufictie in een film als ‘La battaglia di Algeri’ (Gillo Pontecorvo, 1966), maar dit is materiaal zonder script, soms ruw (guerrilla), soms gepolijst (staatsbezoeken).

Mila Turajlić sluit haar relaas af met een andere split screen. Ze zocht kinderen uit gemengde huwelijken tussen Joegoslaven en burgers uit Aziatische en Afrikaanse niet-gebonden landen op. Ze groeiden vaak op in twee werelden. Soms zijn hun reacties onverschillig, bitter zelfs, soms zien ze het als een openbaring, wanneer het besef doordringt dat hun uitzonderingspositie – die vooral een particulier sociaal gevecht was – deel uitmaakte van een breder (geo)politiek verhaal, van een soort idealisme dat we nu quasi unaniem als hopeloos naïef wegzetten.  Tito, Soekarno en de andereniet-gebonden staatsleiders waren zeker geen lieverdjes, maar ze maakten wel deel uit van een discours, van een wereld zelfs, die een legitiem antwoord probeerde te geven op de ideologische loopgravenoorlog waarin de atoommachten verwikkeld waren – met verwaarlozing van hun Derde Wereld.

Soms maakten westerse media gebruik van beelden van Labudović, maar de commentaarstem vanuit de Eerste Wereld is altijd denigrerend, paternalistisch of rondweg cynisch: wie denken die ‘niet-gebondenen’ wel dat ze zijn! Neutraliteit bestaat toch niet! Met het socialistische Joegoslavië, en misschien al veel eerder, ging een alternatief wereldbeeld – ook al was dat vaak genoeg even hypocriet als dat van het neokolonialisme – ten onder, definitief wellicht. Maar een terugblik zoals die van Mila Turajlić, die zowel empathisch als analytisch is, slaagt erin om sentimentele nostalgie of postcommunistische verbittering te overstijgen. Omdat ze zichzelf als commentator in beeld brengt, krijgt haar verhaal van empathie en analyse ook een gelaat. Waarop soms het begin van een traan te zien is, maar ik kan mij vergissen.

Tenslotte: het huidige Servisch regime is niet geïnteresseerd, het heeft geen plannen om het archief van Filmske Novosti te digitaliseren, te catalogiseren of anderszins te ontsluiten. Het geheugen is gewist, in de plaats komt patriottische nostalgie. Zonder beelden, zonder reflectie.        

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz

Uw steun is welkom
Pzazz.theater vraagt veel tijd en inzet van een grote groep mensen. Dat kost geld. Talrijke organisaties steunen ons, maar zonder jouw bijdrage als abonnee komen we niet rond als we medewerkers eerlijk willen betalen. Uw steun is van vitaal belang en betekent dat we onafhankelijk recensies over de podiumkunsten kunnen blijven schrijven. Alvast bedankt!

Steunen Login