Ik zie, ik zie wat jij niet ziet Joke Devynck & Ilse de Koe
Kunstkijken voor beginners: van alles zien in van alles
Wat is kunst? En hoe ernaar kijken? Het zijn grote filosofische vragen waarvan Ilse de Koe en Joke Devynck vertrokken voor ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’. In deze voorstelling voor grote ogen vanaf acht, opgevoerd in musea, spelen ze twee suppoosten die meer en meer zélf artistiek uit hun hoek beginnen te komen. Hun spel met die museale context is tegelijk vrolijk en poëtisch, maar worstelt nog met een spanning die je vandaag wel meer in het theater ziet: de tweestrijd tussen maker en gids. Wie wint het hier?
Wat is het een plezier om Ilse de Koe nog eens te zien spelen! Fluks springt ze bij aanvang op een verhoog in het krappe gangetje van het Peiremuzee in Knokke, een klein museum gewijd aan het abstract ‘verticalisme’ van Luc Peire. “Hallo, ik ben Solange. Ik ben hier suppoost, ‘suppoost to be’. Weten jullie wat dat is?” Zonder verpinken legt De Koe haar tronie in een plooi als de Mona Lisa, met een glimlach die er geen is, terwijl ze secondenlang verstijft tot een wassen beeld. Wat je ziet is wat je krijgt in ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’. “Een zaalwacht!”
Wanneer Solange ons meetroont naar de ‘zaal’ van het Peiremuzee – eerder een ruime kamer, nu met vooral liggende vrouwelijke naakten van Permeke aan de muur – is dat het begin van een fijnzinnig uurtje dat het midden houdt tussen een zittend expobezoek, een initiatie ‘kijken naar kunst’ en een theatervoorstelling in de geest van Studio Orka.
Ook setting en decor lopen in elkaar over. Zo is het meteen duidelijk dat het witte wandje waarop we uitkijken, er normaal niet staat, net zomin als de manshoge houten verhuisbox ervoor, met zijn stickers ‘muy fragil’. Maar geldt dat ook voor de sperkoorden op glanzende poten die her en der in de ruimte staan? Horen ze bij het museum of bij het decor? En wat met het grote zeildoek dat opgehoopt ligt in het midden van de ruimte waar Solange nog snel een paar van zulke staanders rond plaatst? Is dat een duur werk of toch gewoon theater?
Het bordje ‘kunst’ dat er achteloos bijgehangen wordt, zegt veel over de dubbele inzet waarmee De Koe en Devynck hun toneel tussen de kunst komen nestelen. Als personages nemen ze de bewaring en bewaking van hun werken heel serieus. Met walkietalkies spieden ze rond naar achteloze onverlaten die heiligschennis zouden plegen op de kunst. Met de air van hostessen op het vliegtuig leggen ze de huisregels van kunstkijken uit: dieren niet toegelaten (tenzij blindengeleidenhonden), minimaal 40 centimeter van de werken blijven, je mond houden om geen speeksel te verspreiden!
Hoe hard we als kunstliefhebbers ook geloven in onze unieke aard en vrije verbeelding, we blijven een diersoort met doorzichtige trekken.
Als makers bekijken ze die hele institutionalisering en socialisering van kunstbeleving tegelijk met grote ironie. Grappig is bijvoorbeeld hun hele typologie van soorten museumbezoekers, van de ‘kriskrassers’ die zich snel van het ene naar het andere werk haasten, tot de ‘zuchters’ die bij elk doek een opzichtige ‘ooooch’ laten ontsnappen. Ook de schuifelaars beeldt De Koe erg plastisch uit, met afhangende schouders en slepende voeten over de vloer. Hoe hard we als kunstliefhebbers ook geloven in onze unieke aard en vrije verbeelding, we blijven een diersoort met doorzichtige trekken. De Koe en Devynck weten ze te schetsen met slechts enkele streken.
Plastische opvoeding
De eerste ambitie van ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ is evenwel om de oorspronkelijke (in wezen kinderlijke) ervaring van verwondering en vervoering over kunst weer aan te boren, én om (jonge) kijkers daar extra vertrouwen in te geven. Wat is een kunstwerk? Wat doet het? Hoe ga je ermee om? Vooral het personage van Devynck, de meer creatieve en avontuurlijke van beide zaalwachten, is genereus met tips en eigen ervaringen. Van je ogen tot spleetjes vernauwen tot bevoelen wat specifieke kleuren doen in je buik: bijwijlen wordt de voorstelling stiekem een lesje plastische opvoeding.
Omdat je bij achtjarigen natuurlijk niet kan afkomen met de esthetische leer van Goethe of Tolstoi, geeft dat zeker mooie eigen definities van kunst. “Ik zie van alles in van alles”, zegt De Koe heel spits over de artistieke blik. Tussen elk kunstwerk en ons, zo vult ze aan, loopt een onzichtbaar lijntje dat gaat trillen als er bij het kijken iets overslaat. Het is een beeld waar je ook als volwassene iets mee kan. Zo draagt de voorstelling voortdurend uit dat je als kijker zelf het werk afmaakt. Dat elke interpretatie daarbij legitiem is.
Met veel woorden spreekt hun voorstelling tegen wat ze dan zegt: dat kunst altijd onaf moet blijven.
Alleen lijken De Koe en Devynck die open ruimte soms zelf weer te vernauwen met nog te veel herhaalde uitleg, te veel verlangen om een helder punt te maken. Met veel woorden spreekt hun voorstelling tegen wat ze dan zegt: dat kunst altijd onaf moet blijven, dat er altijd nog iets openblijft om ingevuld te worden door wie kijkt. Durft ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ zelf wel zo’n ‘opera aperta’ zijn – het open kunstwerk waarover Umberto Eco schreef?
Het is een paradox die je wel vaker ziet in voorstellingen. In de subtiele focusverschuiving die zich de jongste jaren heeft voltrokken van de expressie van de kunstenaar naar de ervaring van de zaal, voel je precies ook een toegenomen neiging tot uitleg, zelflegitimering, duiding over het werk in het werk. Makers zijn dan zelf de gids bij hun werk. Hun terzijdes met extra verklaring doet zich voor als drempelverlaging, als extra toegankelijkheid en leesbaarheid van hun artistieke intenties en positiebepaling. Maar ergens maakt het veel theater juist extra sturend, met net minder ruimte voor wat een toeschouwer er zelf van maakt. Hoe hou je die beide uitdagingen in balans?
Poëtische voeding
Devynck en De Koe, begeleid door Greet Jacobs, tonen zelf heel mooi het alternatief. Zoveel meer vertelt hun ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ wanneer ze gewoon laten zien en ervaren wat ze verdedigen. Dat begint al meteen met het verfrommelde doek op de vloer. Ineens begint het te leven, richt het zich zachtjes op en reikt het uiteindelijk tot aan het plafond. Vanzelf maakt onze verbeelding er een menselijke figuur van, die zich met bijzondere interesse naar de schilderijen aan de muur en over de eerste rij buigt. In die poëtische verwondering valt elk onderscheid tussen jong en oud, tussen geoefend en nog ongeoefend, spontaan weg.
Datzelfde effect hebben de kleurige latjes waarmee Hilma (Devyncks personage) doorheen de voorstelling stiekem zelf een kunstwerk gaat creëren als presentje voor Solange, tegen het grijze achterwandje. Haar naarstige zoeken naar esthetische balans, ritmiek en spanning met de latjes maakt de kracht van abstract ‘verticalisme’ zoveel concreter dan alles wat je erover kan zeggen. Net in dat simpele tonen, in het zichtbaar maken van de creatie als creatie, zit de democratiserende kracht van de hele voorstelling. Wanneer twee kinderen uit de zaal uitgenodigd worden om er zelf een laatste touch aan te geven, hoeft er helemaal niets meer uitgelegd. Kunst is absoluut niet moeilijk, maar is wat je er zelf van maakt.
Toegankelijkheid, zo tonen vooral de beeldende scènes, is geen zaak van extra duidelijkheid, maar van betrokkenheid.
Zo wordt ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ een kleinood dat niet alleen beeldende kunst, maar ook theater heel dichtbij brengt – precies door beide disciplines te combineren in een ruimte die niet voor toneel bedoeld is. Toegankelijkheid, zo tonen vooral de beeldende scènes, is geen zaak van extra duidelijkheid, maar van betrokkenheid.
Precies die persoonlijke bezieling voel je voortdurend in dit wederoptreden van twee actrices die ik allang niet meer op scène heb gezien. Of ze nu elk hun typetje spelen, hun eigen affiniteit met kunst delen of die vindingrijk vertalen in sterke beelden, uiteindelijk wint de kunstenaar in hen het toch van de gids – en de actieve kijker van de passieve leerling.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz