Un monde réel Remy Héritier
Hoe choreografie ontstaat
Als de lichten na afloop weer aangaan, vraag ik me af waar ik precies naar gekeken heb. Met minimale middelen bouwt Rémy Héritier in ‘Un monde réel’ een eigenzinnige voorstelling. De afzonderlijke scènes lijken even ongrijpbaar lijken als het geheel. Toch fascineert dit werk: er ontstaat een merkwaardige wisselwerking tussen twee vaardige performers, ogenschijnlijk lukraak geprojecteerde beelden en nogal wat theaterlichten op statief die soms een eigen leven lijken te leiden. Een voorstelling die niet alleen onderzoekt waar beweging vandaan komt, maar ook hoe een choreografie op scène ontstaat.
Veel staat er niet op de vloer. Rechts staan, op verschillende hoogtes, elf schuine frontlichten opvallend dicht op elkaar opgesteld. Allemaal lijken ze net in een andere richting te staan. Het wekt een wat willekeurige indruk. Helemaal links achteraan staan nog eens twee gelijkaardige zijlichten recht naar de zaal gericht. Tegen het achterdoek staat op de grond een bescheiden projectiescherm, ervoor een projector. Op enkele meters boven het speelvlak, links van het midden, hangt prominent een moving head, zo’n geautomatiseerd licht dat volledig rond zijn as kan draaien.
Een minimale opzet
De voorstelling begint met aftellen. We horen een reeks pieptonen, gevolgd door een onbewogen stem die het woord ‘activité’ uitspreekt. Die sequentie blijft gedurende de voorstelling terugkeren. Alsof er telkens iets wordt aangekondigd of een momentum wordt opgebouwd. De soundtrack (Eric Yvelin), die zich geleidelijk ontwikkelt van een knisperend geluid naar droneachtige tonen en spannende tempo’s, versterkt de indruk dat er een spanning wordt opgebouwd.
Toch komen Héritier en David Campbell aanvankelijk niet aan die verwachting tegemoet. Hun bewegingen lijken niet naar een spanningsboog te streven. Ze wandelen, vallen, liggen, kruipen of voeren kleine, geïsoleerde handelingen uit. Campbell stopt twee duimen in zijn mond. Héritier verschiet in spastische schokken. Ze bewegen allebei op hun eigen manier, maar delen een tamelijk onpeilbare fijnzinnigheid, alsof beiden zich in een gesloten wereld bevinden waar de toeschouwer maar zeer beperkt toegang toe heeft. Van een duidelijk bewegingsvocabulaire of expliciete communicatie lijkt nauwelijks sprake. Eerder van een opeenvolging van individuele lichaamsbewegingen die elkaar opvolgen.
Het is alsof beiden zich in een gesloten wereld bevinden waar de toeschouwer maar zeer beperkt toegang toe heeft.
Juist daardoor kan ik me, zelfs onmiddellijk na de voorstelling, maar moeilijk een gedetailleerd beeld van hun vele bewegingen terug voor de geest halen. Toch is het een choreografie die intrigeert: een aaneenschakeling van soepele, subtiele en soms onverwachte lichaamsuitdrukkingen. Een pols die draait, een voet die schuift of keert, een been dat een andere richting lijkt te willen volgen dan de rest van het lichaam, een gezicht dat reageert op iets wat mij is ontgaan.
Zoeken en ontdekken
Voor onze ogen ontstaat een verzameling onafhankelijke elementen die tegelijk boeit en bevreemdt. Het is soms zelfs licht ontstemmend. Waar kijken we naar? Waar moeten we naar kijken? De twee dansers, de lichten, de afbeeldingen – ze lijken allemaal hun eigen verhaal te volgen en vragen afzonderlijk om aandacht. Waar veel choreografieën betekenis genereren door bewegingen die vroeg of laat herkenbaar worden of een patroon gaan vormen, vaak via de onderlinge relaties tussen dansers, morrelt de eerste helft van ‘Un monde réel’ aan al die mogelijkheden. Héritier en Campbell bewegen alsof ze zich opnieuw vertrouwd proberen te maken met hun eigen bewegingen (of met de bewegingsmogelijkheden van hun lichaam).
Het sluit aan bij Héritiers onderzoek naar wat hij ‘archaische gebaren’ noemt: basale bewegingen zoals grijpen, rollen of kruipen, die iedereen bij de geboorte al uitvoert, maar blijkbaar na dertig minuten weer vergeet, zodat we ze daarna als baby’s weer terug moeten aanleren. De voorstelling vertrekt vanuit die primaire lichamelijkheid en het opnieuw vertrouwd raken met het bewegingsapparaat.
Die indruk van zoeken en ontdekken beperkt zich niet tot de dans. Wij moeten dat ook doen. Naar de samenhang van de geprojecteerde beelden blijft het bijvoorbeeld vaak gissen. Een stenen muur, geometrische figuren, een kolibrie, een berglandschap, een pijl en boog: de opeenvolging lijkt vrij willekeurig, maar nodigt natuurlijk voortdurend uit tot interpretatie. Soms ontstaat er een kortstondig verband tussen een afbeelding en een lichaamshouding op scène. Even vaak is het echter tasten in het duister. In zekere zin zet de voorstelling de toeschouwer daarmee aan tot hetzelfde proces als de dansers lijken door te maken: zoeken naar verbanden zonder zekerheid dat die bestaan.
Alsof niet alleen de dansers zichzelf en elkaar ontdekken, maar ook de voorstelling zelf leert hoe ze een geheel kan worden.
Een omslag komt wanneer in de bewegingen voor het eerst een echt herkenbaar beeld ontstaat: van vriendschap. Terwijl een feestscène wordt geprojecteerd, slaat Campbell een arm om Héritier en presenteren ze zich, toch vrij plots, demonstratief aan het publiek. Vanaf dat moment komt de dynamiek van de voorstelling als geheel steeds meer tot leven. Het tweetal begint elkaar te volgen en te imiteren. Ze ondersteunen elkaar, dragen elkaar, of hangen elkaar ondersteboven. Waar de voorstelling eerst bestond uit losse elementen ontstaan zo geleidelijk verbanden. Alsof niet alleen de dansers zichzelf en elkaar ontdekken, maar ook de voorstelling zelf leert hoe ze een geheel kan worden.
Gaandeweg begint het stuk beter samen te vallen. De performers lijken veel sterker op elkaar afgestemd en ook tussen de verschillende scenische elementen ontstaat een duidelijkere samenhang. Het geluid ontwikkelt zich eerst tot elektronische muziek en uiteindelijk zelfs tot klassieke muziek. De dansers volgen een gelijkaardige ontwikkeling: hun bewegingen worden herkenbaar als intentionele dans. Intussen blijven de theaterlichten hun eigen choreografie uitvoeren. Knipperende spots reageren op de muziek in een georkestreerde compositie die dan soms wel weer volledig los lijkt te staan van de dansers. Totdat de moving head zich ontpopt tot performer. Wanneer Héritier in een plankhouding op de vloer ligt en zijn voet voortdurend net binnen en buiten de lichtbundel valt, ontstaat een miniem duet tussen lichaam en machine dat gelach uit de zaal losweekt.
Bewegingen mee voelen
Héritier zegt dat hem vooral interesseert hoe tussen degene die beweegt en degene die kijkt een fysieke relatie ontstaat. Daarbij verwijst hij naar wat hij ‘kinesthetische empathie’ noemt: de manier waarop een toeschouwer een beweging lichamelijk meevoelt. Dat was niet direct mijn ervaring. Zeker in het begin komt de voorstelling mij voor als een gedeconstrueerd werk: afzonderlijke elementen en bewegingen die elk op zichzelf om aandacht vragen. Daardoor ontstaat in mijn ervaring eerder een afstandelijke blik. Ik kijk eerder naar een compositie van beelden dan dat ik door de bewegingen word meegevoerd. De directe, soms bijna onmiddellijke werking die dans kan hebben, bleef hier voor mij eerder juist op afstand.
Spannender is wat mij betreft Héritiers punt dat hij een vorm van dans probeert te maken die niet volledig gebaseerd is op individuele creativiteit of auteurschap. Volgens hem moet dans niet vertrekken vanuit de ambitie om iets helemaal nieuws te creëren of een origineel bewegingsvocabulaire te bedenken. De danser moet zich juist ontdoen van die intenties en zich concentreren op wat zich aandient. Een beweging is voor hem namelijk nooit volledig van één persoon. Wanneer iemand een arm optilt, tilt die volgens hem ook alle eerdere armen op die ooit op een vergelijkbare manier werden opgetild.
De voorstelling lijkt het idee van originaliteit, en realiteit, voortdurend ter discussie te stellen.
Dat vind ik een mooi beeld en ik herken er ook iets van in de voorstelling, al is dat op een dubbele manier. Hoewel herhaling en kopiëren nadrukkelijk aanwezig zijn, bezit de choreografie tegelijk een sterke eigenheid, die juist naar voren komt in de veelheid van geïsoleerde handelingen. Er schuilt iets onmiskenbaar eigens in die bewegingen, ondanks – of misschien juist dankzij – het feit dat de voorstelling het idee van originaliteit, en realiteit, voortdurend ter discussie lijkt te stellen.
Uiteindelijk is ‘Un monde réel’ meer dan een choreografisch onderzoek naar beweging. De voorstelling legt de kijker, gewild of niet, ook de vraag voor hoe betekenis ontstaat – of juist niet – uit losse onderdelen. Wanneer wordt een verzameling bewegingen een choreografie? Wanneer wordt een beeld meer dan een opeenvolging van elementen? Niet elk moment is even toegankelijk en de eerste helft vraagt behoorlijk wat geduld van de toeschouwer. Toch schuilt daarin wel de kracht van de voorstelling: ze herneemt de uitnodiging van veel hedendaagse dans om opnieuw te kijken naar lichamen, beelden en verbanden die we doorgaans als vanzelfsprekend beschouwen.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz