Dust Judith Dhondt & Urtė Groblytė
Gruwelijke liefde
Soms is wat rest na een voorstelling niet de herinnering aan specifieke scènes of beelden maar een sluimerende fysieke spanning die weigert zich in terug woorden te laten vatten – alsof de woorden vergaan tot stof in je mond. ‘Dust’, het resultaat van een samenwerking tussen P.A.R.T.S. alumni Judith Dhondt en Urté Groblyté, ging in première op het ‘Almost Summer Festival’ in Kortrijk op 19 juni. Ondanks die droge mond worstelen de performers zich door deze eigenzinnige liefde voor/afkeer van een alles verterende begeerte met gulzige goesting. (Original version English elsewhere on this site).
De gordijnen blijven dicht eens het publiek gezeten is. Terwijl het podium zo verscholen blijft achter de donkere stof, opent de voorstelling met taal. Een tekst die veel weg heeft van de tussentitels van een stomme film wordt op het gordijn geprojecteerd. Voordat we ook maar één lichaam zien, krijgen we fragmenten van een verhaal: „Dit is slechts ‘een gewoon verhaal’ over ‘een mond’” staat er te lezen. Een mond die „vastloopt“ en „struikelt“ terwijl hij opdroogt. Zo’n mond zonder lichaam is onmiskenbaar griezelig, als een gat zonder randen dat woorden zonder betekenis voortbrengt. Ik moet denken aan Samuel Becketts ‘Not I’ – een 15 minuten durende close-up van een stotterende en schreeuwende mond die in het ijle zweeft.
Horrorfilms
Deze mond zal, als een zelfstandig wezen, doorheen de drie hoofdstukken van de voorstelling terugkeren in de titels die vanaf nu op de achterwand verschijnen. Het verontrustende beeld wordt ondersteund door een soundtrack van Luis Ramirez Muñoz die de klank van oude horrorfilms nabootst, inclusief krijsende violen. Nog voordat de actie echt begint, is de toon zo gezet: we zetten ons schrap voor wat komen gaat. Dan valt het doek. En begint het verhaal.
Een gele lichtbundel zoekt zijn weg naar een tweede gordijn voor de achterwand. Daar ligt een lichaam roerloos in een cirkel, op zichzelf teruggeplooid als een rots of, misschien, een dode mestkever die omgekeerd op zijn rugschild vastgeprikt is door een verzamelaar. Gedimde lichten omlijnen de scenografie: een ingetogen kleurenpalet dat varieert van grijs- naar cyaantinten; een grote dode boomstam ligt over het podium als één lange, kronkelige tak. De bladerloze stam vertoont geen teken van leven (zo lijkt het toch). In het achterste gordijn zit een kleine opening, als een deur. Daarachter ligt een onpeilbare zwarte leegte. Dat duistere gat lijkt de ruimte eromheen naar zich toe te zuigen. Op het einde van de avond zullen de twee performers er uiteindelijk ook abrupt in verzwolgen worden. Maar ik loop op de zaken vooruit.
Het opgerolde lichaam blijft niet lang alleen. Ik ben nog maar net vertrouwd met de logica van deze wereld als twee figuren opduiken. Ze bewegen zich als vreemde creaturen van Bosch, alsof ze hier beland waren vanuit uit een andere wereld vol excessieve wezens met een mismaakte anatomie. De twee dansers raken al snel verstrikt in een choreografie van aanraking en zweet; hun lichamen versmelten langzaam tot één geheel terwijl ze over de vloer rollen, ledematen strekken en intrekken zonder een stabiele contour aan te nemen. Ik raak de notie van voor en achter kwijt. Soms lijken ze op wormen, of naaktslakken, of wezens die uit nog een heel andere taxonomie voortkomen. De ene figuur is deels ingepakt, de andere gehuld in netachtige stof die versmelt met huid en beweging. Al snel beseffen we dat in deze esthetiek van versmelting niets puur en onbezoedeld blijft.
Soms lijken ze op wormen, of naaktslakken, of wezens die uit een heel andere taxonomie zijn geplukt.
Op deze onstabiele basis ontstaat een choreografie gebaseerd is op contact. Zelfs wanneer de twee performers tijdelijk van elkaar weg glijden, blijven ze op elkaar gericht en trekken ze al snel weer naar elkaar toe. Vingertoppen raken elkaar aarzelend aan voor lichamen versmelten, elkaars gewicht dragen, op elkaar gaan zitten en zich plooien tot één gedeelde massa. Terwijl ik naar hen kijk vraag ik me af of intimiteit wel echt draait om de toenadering tussen twee lichamen, of eerder een blijk is van het verlangen om je in de ander te verliezen. Wat hier in schijn intimiteit is blijkt een constante herverdeling van handelingsvermogen over andere oppervlakken en aanrakingen; hechting wordt belichaamd als een fluctuerende toestand, een onderhandeling die nooit definitief of stabiel is. Het is een soort horizontaal bewegingsvocabulaire, gebaseerd op vloerwerk, rollen en omhelzingen. Ondertussen proberen de performers woorden en geluiden uit te drukken, maar wat komt zijn grimassen van een mond die vastzit in stille schreeuwen.
Expliciete consummatie
Hoofdstuk twee heet ’Mouth bites its tongue’. De titel suggereert al een wending naar binnen, taal die zich op zichzelf terugplooit. Achter het gordijn achterin verschijnen de lichamen opnieuw in een nog amorfere configuratie. Dat ontaardt in een hectische fysieke uitwisseling — ademhalen, druk uitoefenen, ritmisch stoten, gebaren die schommelen tussen intimiteit en agressie. De grens tussen sensualiteit en geweld vervaagt steeds meer. Zweet, adem en geluid stapelen zich op totdat de lichamen op de vloer in elkaar zakken. Toch blijven de handen actief, blijven de vingertoppen zoeken terwijl ze zwerven over stukken huid.
Afschuw kenmerkt het moment waarop het lichaam onder zijn eigen intensiteit instabiel wordt.
Het idee van een consummatie krijgt van dan af expliciet vorm. Er wordt gebeten, geslurpt; de stemmen roepen de metaalachtige smaak op van een bloederig verslonden ‘hart’. Het hart wordt een object dat uitgerukt moet worden, een object van verlangen dat niet te redden valt. ‘Ik wil je helemaal,’ roept een stem uit. Het verlangen verteert alles. Al wat de soundtrack, de tussentitels en de scenografie al suggereerden aan horror blijkt nu meer te zijn dan sfeerschepping. Horror wordt een fysieke reactie. Gruwel markeert in ‘Dust’ het moment waarop het lichaam onder zijn eigen intensiteit uit evenwicht geraakt. Wat is er gruwelijker dan de glibberigheid van de lichamelijke grenzen zelf? Het idee dat je misschien niet alleen bent in je lichaam? Wat gebeurt er wanneer het verlangen naar intimiteit verandert in het verlangen om de ander volledig te verslinden?
In het laatste hoofdstuk, ‘The heart falls and becomes dust’, wisselt het licht snel door beheerste stroboscoopeffecten. Er ontstaat een stormachtige sfeer met flikkerende schaduwen die soms even herkenbaar zijn. Het podium wordt een veld van onderbrekingen: flitsen, stukken lichaam en flarden van beweging botsen op elkaar. In dit flikkerlicht projecteert de lange tak van de boom gefragmenteerde silhouetten in de ruimte. Soms lijkt ze haast tot leven te komen. Het gevoel van plaats begint te vervagen. Het is niet langer duidelijk of de handeling zich boven de grond of eronder afspeelt, in een theaterruimte of ergens dieper, meer ondergronds — dat zou immers de natuurlijke plek zijn voor zo’n proces van verval.
Het obsessieve verlangen dat hier wordt afgebeeld, is een fatale liefde die uitmondt in vernietiging.
Uiteindelijk worden de lichamen opgeslokt door het zwarte gat aan de achterwand. Lichamen, geesten en de voorstelling zelf worden teruggetrokken naar én zelfde nulpunt. Het obsessieve verlangen dat hier wordt uitgebeeld, is een fatale liefde die uitmondt in vernietiging. Terwijl het podium duister wordt, blijft er iets onverklaarbaars hangen, een gedachtestomp die zich aan een duidelijke verwoording onttrekt, een gevoel even ondefinieerbaar als het stof dat zich in alle hoeken en gaten van onze wereld nestelt.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz