Toneel

De lange nasleep van een korte mededeling De Roovers / Magne van den Berg

Vriendschap als een kaartenhuisje

De Nederlandse Magne van den Berg laat in ‘De lange nasleep van een korte mededeling’ in korte, soms bijna banale, dialogen zien op welke wankele basis menselijke verhoudingen staan. Als iemand plots zegt dat hij ‘weg’ wil, volstaat dat om een hechte groep vrienden binnen de kortste keren uit elkaar te laten vallen. Als een kaartenhuisje waaruit één kaart wegvalt. De Roovers geven dat verhaal op een sterke manier gestalte.

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
De lange nasleep van een korte mededeling
Pieter T’Jonck Monty, Antwerpen meer info
09 oktober 2020

De vier leden van De Roovers hangen doodstil, als in een tableau vivant, achterover tegen de wanden van het benauwend kleine decor van Stef Stessel. Twee overhoeks geplaatste wanden van 2,5 m breed bij 5 m hoog. Een piepkleine kamer dus. Op de achtergrond bezwerend repetitieve Afro-jazz (ik dacht: Mulatu Astatke).

Sara De Bosschere en Robby Cleiren komen eerst tot leven. ‘Ik speel met het idee om weg te gaan’. Robby Cleiren krijgt de woorden met moeite over zijn lippen als zijn praatje met Sara De Bosschere onverhoeds een ernstige wending neemt. Hij bevriest weer, met zijn schouder tegen de muur, het gezicht afgewend van de rest.

De Bosschere brengt de boodschap over aan Sofie Sente, die ze dan weer doorgeeft aan Luc Nuyens, die op zijn beurt zijn licht opsteekt bij Cleiren zelf. Meteen is de verwarring compleet, want Cleiren ontkent nu botweg dat hij eraan denkt weg te gaan.

Even bot zegt hij dat hij Nuyens niet als ‘zijn vriend’ beschouwt, maar als ‘een goede bekende’. Een pijnlijke onthulling voor Nuyens. Zeker als Cleiren er de sneer aan toevoegt dat je geen vrienden hoeft te zijn om samen biljart te spelen.

De verwarring neemt hand over hand toe als Nuyens alles weer overbrieft aan de anderen. Wie heeft nu gelijk? Ze ondervragen elkaar en Cleiren, tot die er uitflapt dat hij inderdaad wil vertrekken. Met zijn auto. Een absurde mededeling. Alsof het van belang was hoe hij zou vertrekken, en niet waarom. Maar de anderen grijpen dat triviale detail aan om die waaromvraag te ontwijken.

De dialogen van Magne van den Berg zijn extreem beknopt: korte zinnen die meer ongezegd laten dan ze verduidelijken. Deze mensen horen duidelijk bij elkaar en hebben aan een half woord genoeg. Maar hoe ze zich verhouden tot elkaar krijg je nooit precies in beeld.

Al snel word je ook iets anders duidelijk: hoe helder en direct de vragen en antwoorden ook lijken, ze laten altijd veel, zelfs alles, ongezegd. Iedereen praat voortdurend langs de anderen heen. Geen enkele vraag krijgt ooit een ondubbelzinnig antwoord.

Alsof het van belang was hoe hij zou vertrekken, en niet waarom.

Vragen en antwoorden zijn hier eerder wapens. Ze mikken op bevestiging of dienen, vaker nog, om elkaar te kwetsen. De misverstanden zijn daardoor bitter-komisch, op de manier van Gerardjan Rijnders  in stukken als ‘Tulpen Vulpen’.

De acteurs spreken elkaar wel aan met hun werkelijke voornaam. Je zou daardoor in de waan kunnen verkeren dat dit stuk gaat over een crisis binnen het gezelschap. Maar er is teveel dat dit logenstraft. Ik denk niet dat Debosschere een liefdesrelatie heeft met Sente. Ik denk evenmin dat Nuyens het zwarte schaap van de groep is of dat Cleiren er uit wil stappen en in het geniep Debosschere opvrijt.

Maar de figuur van een toneelgezelschap in problemen is wel een mooie metafoor voor een sociale figuur. Net zoals de intense band tussen  toneelspelers vaak sluimerende conflicten verheelt, heb je ook veel ‘vriendenklieken’ en ‘koppels’ die voor de buitenwereld een hechte eenheid vormen maar elkaar onderling toch naar het leven kunnen staan.

Wat je hier ziet is zo’n vriendenkliek. Vier mensen die, wellicht bij toeval, bij elkaar gingen schuilen voor de boze buitenwereld. De groep bood hen welbevinden, maar maakte ze ook afhankelijk van elkaar. Ze haten elkaar omwille van die afhankelijkheid. In eerste plaats het zwarte schaap van de groep, Luc Nuyens. De enige die nooit een ‘relatie’ had, en zo altijd in de weg loopt bij het geflikflooi van de rest.

Dat gaat goed zolang iedereen het groepspact onderschrijft. Maar dan zegt Cleiren dat op. Waarom? Daarom! Plots is niemand nog zeker van zijn ‘rol’ in de roep. Uiteindelijk is er geen groep meer. Is er niets meer.

De tekst zowel als de voorstelling heeft het onverbiddelijk verloop van een protocol waarvan de uitkomst bij voorbaat vast staat, ongeacht hoezeer de figuranten in dat protocol denken dat ze de uitkomst ervan kunnen beïnvloeden. Die stond namelijk al vast op het ogenblik dat ze om de verkeerde redenen aan elkaar klitten. Het vertrek van één groepslid ontstak de tijdbom die al van in het begin geïnstalleerd was.

Die werdegang geven De Roovers heel efficiënt en helder vorm. Die dialogen worden geregeld onderbroken door een korte time-out, waarin de spelers van plaats wisselen of even achter het decor verdwijnen. Onderbrekingen die telkens een nieuwe schokgolf in de groep aankondigen, telkens ook met een andere belichting. Nerveuze jazz drums vullen die time out op.  

Hoe onontkoombaar de afloop is, blijkt uit het refrein in het verhaal: telkens weer waarschuwt Nuyens ervoor dat de zomer nu welk echt voorbij is. Telkens weer maant hij allen aan om voorzorgen te nemen tegen de komende kou. Maar hoe vaker hij dat doet, hoe onzekerder het wordt dat er nog ergens te schuilen valt.

De acteurs spelen daarbij vrij ingehouden. Af en toe, zeker in het begin, ‘bevriezen’ ze zelfs tot een tableau vivant. Maar als ze ‘spelen’ doen ze dat met net genoeg inleving om de spanning zichtbaar te maken tussen de vergeefse hoop om de gang van zaken te keren en de voorspelbaar slechte afloop van het verhaal.

Vrolijk word je er niet van. Maar grijnslachen doe je wel vaak, zeker door de laconieke speelstijl van De Roovers. Onvermijdelijk doet dit stuk denken aan de coronacrisis, die dwong tot samenleven in kleine bubbels. Vaak waren die toch net iets minder gezellig dan we allemaal hoopten. Nu weten we ook waarom.