Toneel

L' homme qui a tué Mouammar Kadhafi Superamas & Alexis Poulin

Theater als politieke mediakritiek

Iedereen herinnert zich wellicht nog hoe Kolonel Kadhafi bij het begin van de Arabische lente om het leven kwam: de beelden gingen de wereld rond. Maar wie hem vermoordde, en waarom, dat haalde nooit het journaal. Het Franse Theatercollectief Superamas ging samen met onderzoeksjournalist Alexis Poulin achter de waarheid aan en brengt daar, in een live gesprek met een geheimagent, verslag over uit in ‘L’ homme qui a tué Mouammar Kadhafi’. Na deze voorstelling kijk je nooit meer op dezelfde manier naar het journaal… (noch naar theater).

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
L' homme qui a tué Mouammar  Kadhafi
Pieter T’Jonck Centre Culturel Jacques Tati, Amiens (FR) meer info
21 december 2020

Covid-19 maakt het leven moeilijk voor artiesten. Na een geslaagde première in Marseille was een tweede speelreeks van dit stuk voorzien in CC Jacques tati in Amiens, maar de verscherpte maatregelen staken daar een stokje voor. Daardoor zag ik de voorstelling in heel beperkt gezelschap, voor slechts een kleine groep programmatoren en critici. Dat belette een levendige uitwisseling met het publiek, waar de voorstelling in het tweede ‘bedrijf’ zeker aanleiding toe geeft, maar zelfs in die moeilijke omstandigheden slaat het stuk in als een kleine splinterbom.

‘L’ homme…’ opent met een splitscreen projectie van wel twintig televisie journaals. Door elkaar geven politici, commentatoren en journalisten hap-snap hun visie op de dood van Mouammar Kadhafi, de Libische leider die op 1 september 1969 aan de macht kwam na een coup, en op 20 oktober 2011 smadelijk afgemaakt werd in een rioolpijp. Ondanks de streamers onderaan die beelden leer je weinig uit het getater van die talking heads, want klank ontbreekt. Overigens: hoe zouden nieuwsitems in 30 seconden tot 3 minuten de ware toedracht van die executie of de onderliggende sociale en politieke conflicten kunnen uitleggen?

Het kan ook anders. Dat stelt onderzoeksjournalist Alexis Poulin meteen als hij het podium opkomt. Bij zijn onderzoek naar de omstandigheden van de dood van Kolonel Kadhafi kwam hij onder meer op het spoor van een man die tussen 2001 en 2011 werkte voor de DGSE (de ‘Direction Générale de la Sécurité Extérieure’, de Franse spionage). Op het cruciale moment, tussen 2007 en 2011, opereerde hij in Libië. Met die man zal hij hier een gesprek voeren. ‘Live journalistiek’ noemt hij het. Anders dan in ‘de media’ kan hij in het theater wel de tijd nemen om de kwestie uit te spitten. Een eigenaardige paradox is dat: het theater, dé plek van ‘onwaarheid’ wordt de plek waar het spektakel van de nieuwsmedia doorprikt wordt zodat de waarheid haar rechten kan doen gelden.

Op dat ogenblik komt een man van zowat 40, casual gekleed, het podium op. Wie het eerdere werk van Superamas volgde herkent in dit personage Roch, een lid van Superamas. Toch doet de hele volgende scène bijzonder waarheidsgetrouw aan. Ze is dan ook gebaseerd op reële ontmoetingen tussen Poulin en een ex-spion, maar ook -zoals later blijkt- op een bijzonder grondige voorbereiding. Bij een eerste voorstelling in Marseille trapte het publiek dan ook massaal in de val maar zelfs het selecte publiek in Amiens dat de toedracht kent laat zich graag ‘vangen’…

Beide heren nemen plaats in kuipzetels. Een lang uitgesponnen interview volgt. Jérôme, een ander lid van Superamas, laat daarbij de meest opmerkelijke uitspraken eruit oplichten op het scherm achteraan -een low fi theaterversie van de streamers in de TV beelden eerder.

Dat interview ontwijkt aanvankelijk de kwestie van de dood van Kadhafi. Het gaat vooreerst over het spionnenbestaan, met vragen die iedereen zich wel eens stelt. Hoe word je een spion? Waarom doe je dat? Uit vaderlandsliefde, uit zin voor avontuur? De ex-spion praat opmerkelijk vrijuit over zijn persoonlijke motieven. Je verneemt bijvoorbeeld dat de zelfmoord van zijn vader hem ertoe bracht deel te nemen aan het toelatingsexamen voor de DGSE. Het maakt hem erg menselijk en herkenbaar, zodat je vergeet dat hier iemand spreekt die zelden de waarheid kan zeggen. Onder het mom van ‘live journalism’ leidt het interview zo misschien wel eerder af van de kwestie wat veiligheidsdiensten doen dan ze te verhelderen. Een soort spektakel dus.

Het gaat over het spionnenbestaan, over vragen die iedereen zich daarover wel eens stelt

Dat is zeker zo als het vervolgens gaat over de opleiding tot spion. Nu waakt de geïnterviewde er wel voor zijn mond voorbij te praten. Hij licht de structuur en de modus operandi van de DGSE enkel in zeer algemene termen toe. Hij legt bijvoorbeeld uit hoe hij als spion een geloofwaardige dekmantel creëerde. De gelijkenissen met de spraakmakende serie ‘Le bureau des légendes’, die geen fraai portret schetst van de DGSE, komen hier ter sprake. Hij onderstreept dat de job veel administratiever van aard is. Tot acties op het terrein, zoals in ‘Le bureau des légendes’, kwam het zelden.

Intrigerend is vooral zijn relaas van zijn Libische periode. De maîtresse van Seif al-Arab, de jongste zoon van Mouammar, was zijn contact. Het was deze Tsjechische niet om het geld te doen, wel om de eer iets te betekenen voor Frankrijk, het land waar ze van hield. Je verneemt hoe de DGSE zo iemand strikt in haar netten. Je leert ook veel over de gespannen politieke situatie in het land in 2007, kort voor de Arabische Lente van 2010. Het eerste is een puur verzinsel, hoe aannemelijk ook. Het tweede is daarentegen helemaal waar. Het land was inderdaad sterk verdeeld door de ongelijke ontwikkeling ervan. Toen de economische situatie verslechterde door de achteruit hollende olie-inkomsten kwamen benadeelde steden als Benghazi in opstand.

Maar zelfs die periode was voor de agent naar zijn zeggen minder rocambolesk dan een serie als ‘Le bureau’ doet uitschijnen. De ex-agent beklemtoont dat de DGSE gewelddadige interventies als de aanslag op het Greenpeace schip ‘Rainbow Warrior’ (1995) al lang afgezworen heeft. Op dat moment bedacht ik me dat je zijn woorden maar beter met een korreltje zout neemt, ook al geeft hij toe dat de DGSE weinig scrupules heeft als het op de verdediging van Franse ‘belangen’ aankomt. Want de rol van Frankrijk in Libië in die periode was zeker niet louter ‘humanitair’. Dat erkent de agent zelf ook: ‘Libië, dat was ons Irak’, een verwijzing naar de catastrofe die de USA aanrichtten in Irak nadat ze Sadam Hoessein ten val brachten.

Blijft natuurlijk de vraag waarom zo iemand er dan na tien jaar de brui aan geeft, en vooral, wil getuigen over die periode. Toch stelt Poulin die vraag niet meteen. Hij laat eerst het woord aan het publiek. In Amiens draaiden de vragen vooral rond wat het betekent om te leven als geheimagent. ‘Heb je vaak angst gekend?’ ‘Kan je een persoonlijk leven combineren met je rol als spion?’. Roch beantwoordde die vragen echter met een naturel die je had doen zweren dat hij werkelijk een geheimagent was. Het bewijst dat aan het stuk een bijzonder grondige voorbereiding vooraf ging

Pas na die vragenronde stelt Poulin, de hamvraag: ‘Waarom keerde je de dienst uiteindelijk de rug toe?’. Het antwoord verrast. ‘Als geheim agent weet je maar al te goed dat liegen en bedriegen een deel van de job is’, stelt hij. ‘Maar je kan dat voor jezelf ethisch verantwoorden omwille van een ‘hoger belang’. Op een bepaald moment besefte ik echter dat mijn werk in Libië niet langer het Franse belang diende, maar dat van een specifieke clan. Dat was voor mij de spreekwoordelijke ethische ‘rode lijn’. Daar wilde ik niet aan meewerken’.

Mijn werk diende niet het Franse belang, maar dat van een specifieke clan.

Het is een cruciale uitspraak. Ze is ontleend aan de echte geheimagent die model stond voor deze voorstelling. Ze vormt ook een wezenlijk keerpunt in de voorstelling. Toch moffelde Superamas ze weg: het lijkt alsof Poulin die vraag pas bedenkt aan het einde van de vragenronde. Alsof hij ze ook niet had kunnen stellen. De reden is dat de geheimagent anders nu al had moeten zeggen wie ‘de clan’ was die de DGSE misbruikte. Daarvoor is echter eerst nog een lange omweg nodig.

Wel merk je dat de agent en zijn verhaal vanaf dan letterlijk naar de achtergrond verdwijnen. Vanaf nu wordt de voorstelling openlijk ‘toneel’ en niet langer ‘live journalism’. Jérôme, die tot dan de techniek van de voorstelling verzorgde, springt Poulin nu bij als die onverhoeds van onderwerp verandert. Hij zoomt in op een onsmakelijke episode in de Franse geschiedenis. In 2012 maakte het Franse online-magazine Médiapart’ bekend dat de Franse ‘hyper-président’ Nicolas Sarkozy voor zijn succesvolle verkiezingscampagne in 2007 vermoedelijk zo’n 50 miljoen euro van Mouammar Kadhafi kreeg. Dat was een flagrante inbreuk op de Franse verkiezingswetgeving die de uitgaven voor de race naar het presidentschap beperkt tot… 20 miljoen euro! Het was bovendien, hoe dan ook, een misdadig opzet, omdat het ging om illegaal geld.

Jérôme springt hem bij om dit verhaal met een kleine, (met opzet) nogal klungelige, pantomime te illustreren. Elk personage in dit verhaal wordt gerepresenteerd door een pancarte met zijn hoofd erop, van Claude Guéant, de campagneleider van Sarkozy tot Béchir Salah, een financier van Kadhafi, of Ziad Takieddine, de Libanese zakenman die de partijen bij elkaar bracht. Op een potsierlijke manier toont hij hoe alle handlangers van Sarkozy cash betaald werden. De speurtocht van Guéant naar een brandkast van voldoende afmetingen om alle geld op te slaan is een giller.

Het vervolg is dat iets minder. Blijkt dat de ene na de andere figuur in deze affaire het zwijgen werd opgelegd of vermoord. Ondertussen nam Sarkozy in 2011, tegen de andere staatshoofden van de EU in, het initiatief om de Libische rebellen te erkennen als rechtmatige vertegenwoordiging van het land, en een invasie van de Verenigde Naties op het getouw te zetten. Er volgden enkele mislukte aanslagen op Kadhafi, tot hij, in nooit geheel opgeklaarde omstandigheden, de dood vond in een rioolpijp. Wie daartoe opdracht gaf, dat is de vraag van deze voorstelling.

De ironie van deze scène is dodelijk. De affaire Sarkozy-Kadhafi wordt voorgesteld als een parodie op een spionagestripverhaal of dito film, met alle kenmerken van het genre, zoals de hooggeplaatste verraders en de louche stromannen. Alleen, het is wel echt gebeurd. Een samenvatting ervan valt bijvoorbeeld te lezen op https://fr.wikipedia.org/wiki/Affaire_Sarkozy-Kadhafi. Sarkozy krijgt de hoofdrol in deze wrange klucht als een boosaardige clown.

Het vraaggesprek tussen de ex-agent van de DGSE en Poulin herneemt nu. Meteen is de ernstige ‘live journalism’ toon terug. Poulin vraagt zich af waarom Sarkozy er zo op gebeten was Kadhafi te onttronen, terwijl hij hem in 2007 nog internationaal rehabiliteerde. De agent schetst daarop het geopolitieke perspectief.

In juli 2007, kort na zijn verkiezingsoverwinning dus, legde Sarkozy een staatsbezoek af aan Libië. Het land beschikte toen nog over buitengewoon veel geld door zijn olie-inkomsten, maar was tegelijk op zoek naar een meer gediversifieerde economische ontwikkeling. Die kwam niet van de grond omdat Libië op grond van terrorisme internationaal een pariastaat was. Op het eerste gezicht probeerde Sarkozy dus gewoon om voor de Franse industrie contracten in de wacht te slepen. Hij ging wel nog een heel stapje verder door Kadhafi eind 2007 officieel uit te nodigen voor een staatsbezoek in Parijs. Daarmee lichtte hij quasi-officieel de ban op betrekkingen met Libië. Niet toevallig werden op dat moment ook lucratieve contracten tussen Frankrijk en Libië in het vooruitzicht gesteld.

Het probleem, zo stelt de agent, is dat al snel bleek dat Kadhafi nog steeds even wispelturig en onbetrouwbaar was. Er braken schandalen uit, o.a. rond het gedrag van zijn zoon Hannibal in Zwitserland. Kadhafi zelf hield een opruiende toespraak in de VN. Sarkozy liet Kadhafi daarom weer vallen als een baksteen. De voorgespiegelde contracten bleven ongetekend.

Niets garandeerde dat Kadhafi niet uit de biecht zou klappen over de 'schenking' van 50 miljoen. 

Dat zadelde Sarkozy, in het licht van de eerdere steun die hij ontving van Kadhafi, met een serieus probleem op. Niets garandeerde dat Kadhafi niet uit de biecht zou klappen over de ‘schenking’ van 50 miljoen. Zijn zoon, Saïf-al-Islam,  deed dat trouwens al in 2011, maar dat kon Sarkozy nog gemakkelijk wegwuiven als prietpraat van een verwend zoontje van een overwonnen despoot. Dat werd moeilijker na de beschuldigingen van médiapart waarvoor Sarkozy nu trouwens terecht staat.

Van de eerdere terughoudendheid is bij de agent nu geen spoor meer. Hij brengt een schokkend verslag van de operaties die de DGSE vanaf 2008 uitvoerde in Libië. Ze steunde actief de opkomende verzetsbewegingen in Libië, met het oogmerk Kadhafi te vermoorden. Dat ze zo islamisten steunden, en dat er geen plan was voor een politieke heropbouw na Kadhafi namen ze er blijkbaar bij. Dezelfde fout die de USA in Irak maakten. Vandaar dat de agent eerder sprak over ‘L’ Iraq à nous’. Dan stelt Poulin de finale vraag: ‘Qui a tué Mouammar Kadhafi?’. Volgens de agent lijdt dat geen twijfel: Sarkozy zelf gaf daartoe opdracht. Daarbij vielen nodeloos veel slachtoffers. Dat was het moment waarop hij afhaakte.

Die mededeling markeert de laatste, zeer betekenisvolle omslag in het stuk. De agent komt naar voor, en spreekt onder stralende lichtbundels rechtstreeks de zaal aan, op een uiterst theatrale manier. Plots is het zonneklaar dat de voorstelling een charade was. Je moet ongeveer stekeblind zijn om niet te beseffen dat de man die poseerde als de geheimagent een acteur is, die nu -weliswaar mede in naam van de ‘echte’ geheimagent- zijn conclusie meedeelt.

Op een paradoxale manier vallen, door de onthulling dat we al de hele tijd een maskerade zagen, de maskers pas echt. We weten nu dat we een spektakel zagen, maar, naar het voorbeeld van Hamlet, toonde het wel de ware toedracht van de dingen. Via een omweg. Die was nodig om de mist rond ‘echte’ TV beelden te laten optrekken. Die beelden zetten in scène hoe ‘‘rebellen wraak namen op ‘dictator’’. In werkelijkheid legde Sarkozy Kadhafi in koelen bloede het zwijgen op om zijn hachje te redden. Met ‘rebellen’ als dekmantel.

Het verbijsterende inzicht dat hieruit volgt is dat het in onze ‘overgeïnformeerde’ tijd heel wel mogelijk is om in het volle zicht van iedereen, met een rokende revolver bij wijze van spreken in de hand, de grofste misdrijven te begaan, zolang je de ‘framing’ van de feiten maar controleert. Dat lukte Sarkozy lange tijd (en misschien komt hij er wel definitief mee weg).

Gelukkig kijkt er af en toe toch eens iemand vanuit een ongewone hoek naar de dingen.