Toneel

'Wachten op Godot' Olympique Dramatique / Toneelhuis

Spelers in de wereld van Beckett

‘Wachten op Godot’ van Samuel Beckett heeft een rijke en gevarieerde opvoeringsgeschiedenis, ook in Vlaanderen. Daardoor ben je altijd nieuwsgierig naar wat een nieuwe generatie spelers uit dit stuk zal halen. Olympique Dramatique vult de vier personages zo overtuigend in dat de vergelijking met die vele eerdere interpretaties met glans doorstaan. Het intelligente gebruik van de ongewone locatie, de Waagnatie, draagt daar toe bij

Uitgelicht door Johan Thielemans
'Wachten op Godot'
Johan Thielemans Waagnatie, Antwerpen
Toneelhuis
meer info
17 oktober 2020

Als ik aan deze voorstelling van ‘Wachten op Godot’ in de Waagnatie terugdenk,  zie ik in de eerste plaats een beeld : het grote, weidse toneel met een boom die in de lucht hangt. Het licht  is schaars, in de verre mist lopen twee onduidelijke mensen rond. Scenografie van het hoogste niveau. In  het programma lees ik dat de vier acteurs , Koen De Sutter, Tom Dewispelaere, Nico Sturm en Tom Van Dyck voor het ontwerp tekenen. Het wijst erop hoe sterk zij een eigen stempel op de wereld van Beckett wilden drukken. Het is ook een voorstelling zonder ‘regisseur’, want Stijn Van Opstal en Raven Ruell  hebben aan de coaching gewerkt, wat de  verantwoordelijkheid sterk op de schouders van de spelers legt.

De immense  ruimte van de Waagnatie stelt de spelers voor een belangrijk probleem. Hoe bereiken ze het publiek?  Dat doen ze dank zij een ingenieus systeem met micro’s en koptelefoons voor de kijkers. Vanuit een zetel hoort het publiek de tekst, heel dichtbij en intiem. De afstand wordt perfect overbrugd, wat een intrigerende paradox tussen toeschouwer en acteur tot gevolg heeft.

Bij elke voorstelling van het fascinerende stuk van Beckett duikt de vraag op : hoe zien de makers de wereld van Beckett? Hoe weegt de eerste zin :” Het heeft geen zin”, op  de interpretatie. Het hoeft geen betoog dat toen het stuk gecreëerd werd in 1953, vooral de leegheid van het bestaan de toon zette. Later, toen Beckett zelf de komische kant van het stuk beklemtoonde, werden de opvoeringen luchtiger. Bij Arca  leverde dat in 1983 een productie van Walter Tilllemans op waar de twee zwervers trekjes meekregen van clowns in het circus, of ook wel leken op erfgenamen van  Laurel en Hardy, de komieken met de bolhoed.

Welke keuzes maakte Olimpique Dramatique? De spelers bewegen zich door een ruimte die een dramatische sfeer oproept dank zij de subtiele  belichting van Dominick Geentjes. Een onvriendelijk universum. De twee zwervers lopen verloren in een uitgestrekte , onherbergzame vlakte. Al is dit in de eerste plaats een abstracte plek , toch hebben Tom Van Dyck en Tom Dewispelaere voor een psychologische invulling gekozen.

Zo ontstaan er twee personages, die duidelijk van elkaar verschillen. Tom Van Dyck (Estragon) is de intellectueel die de tijd dood doet met verhalen en theorieën. Hij twijfelt aan alles, ook aan het evangelieverhaal over de twee moordenaars. Bij Beckett wordt dat geen theologische verhandeling. Alles wat in dit stuk gebeurt, dient om de lege tijd te bemeubelen, alles is ijl gepraat. Maar het maakt het eindeloze wachten op Godot dragelijk.

Tom Dewispelaere (Vladimir) is een sukkel die worstelt met te kleine schoenen. Noem ze lichaam en geest. Hun bestaan heeft geen zin. Ze hopen die te  verwerven als Godot hun een opdracht zou geven. Maar Godot zal niet komen. De leegte zal door hem niet gevuld worden. We bevinden ons immers in een wereld waar god dood is. Twee keer komt een boodschapper, een kind ( heel zuiver gespeeld door de knaap Bill Dewispelaere) iets over Godot vertellen. Het blijkt dat het een man met een witte baard  is– een beeld uit het volkse bijgeloof.

De spelers drukken sterk hun eigen stempel op de wereld van Beckett

Maar Dewispelaere en  Van Dyck voegen  subtiel iets toe aan hun personages : ze zorgen voor elkaar. Zo sluipt er wat tederheid in het verhaal binnen. Het zijn enkele beelden ( omarmd lopen ze elkaar ondersteunend ) die aan Vladimir en Estragon enige menselijkheid verlenen, als een zucht van solidariteit in een bar landschap. Het is een persoonlijke invulling die niet Beckettiaans is. De harde wereld van 1950 wordt met enkele gebaren verzoet.

Tegenover de twee zwervers staat het koppel Pozzo en Lucky, meester en knecht. Bij dit tweetal heeft Beckett een sociale dimensie toegevoegd. In het eerste bedrijf is Pozzo rijk en vol misprijzen voor de lagere klasse. Zijn knecht noemt hij ‘varken’. Bevelen geeft hij met een zweep, wat aangeeft dat Beckett hier onrechtstreeks aan circus heeft gedacht. Koen De Sutter geeft een kleurrijke vertolking van zijn personage. Hij geniet duidelijk  van het machtsspel. Tegenover het ingehouden spel van Van Dyck en Dewispelaere gaat hij breed voor theatraal spel. Tegenover het kleine spel en het intiem spreken van de zwervers staan nu grote gebaren.

De Sutter voegt er een interessant idee aan toe : Pozzo bedient zich van een reeks vreemde talen. Nederlands, Frans en Duits tuimelen over elkaar. Het effect is komisch en geeft  ook aan dat Pozzo een man van de wereld is. In het tweede bedrijf is Pozzo verzwakt en blind. De machtigen der aarde, zo kan je dit lezen, verliezen hun status en worden een hoopje miserie. Op dit punt heeft de aankleding mij niet overtuigd : De  Sutter  verschijnt in ondergoed, maar dat werkt niet als duidelijk teken van verval.

De ploeg van ‘Wachten op Godot’ heeft in de tekst ook verwijzingen menen te vinden naar hun status van acteur. Dat proberen ze wat onhandig duidelijk te maken door even uit de rol te treden. Dat gebeurt het duidelijkst bij De Sutter die plots niet verder kan – als speler. Hij gaat dan bij Van Dyck staan alsof hij raadt vraagt aan een regisseur. Maar de zwakte en twijfel van de acteur staat mijlenver van de kosmische wanhoop van Beckett.

En dan is er het personage van Lucky. Hij is eerder een slaaf. Ter verstrooiing kan hij hardop denken, tenminste als Pozzo hem een hoed opzet. Hij mag alleen denken op bevel van zijn meester- een brandende commentaar op de sociale positie van intellectueel, filosoof of kunstenaar. De acteur staat hier voor een moeilijke taak. Beckett, de vriend van James Joyce, heeft  een stukje parodie van de innerlijke monoloog geschreven. Het is een lange tekst vol halve zinnen en verspringende gedachten.

Ik herinner mij dat bij de eerste opvoering in Vlaanderen in 1957  het Gentse Arcatheater er vanuit gegaan was, dat dit toch wel materiaal was die een zware last op het geheugen van de acteur legde.  Lucky werd vertolkt door mimespeler Marcel Hoste. Hij drukte de verwarde tekst lichamelijk uit, maar zijn tekst ratelde hij af op een tape. In latere opvoeringen, zoals bij NTGent  in 1993 , bleef regisseur Sam Bogaerts het houden bij het ‘onbegrijpelijke’ – een wat absurde circusact van Jobst Schnibbe, mikkend op een komisch nummer. Sam Bogaerts ging bij Theater Malpertuis nog een stap veder, en verving de modernistische tekst van Beckett door een krantenartikel.

Dit schetsmatig overzicht toont  aan dat de monoloog van Lucky een probleem is voor de acteur. Ik was dus erg benieuwd naar de aanpak van Nico Sturm. Eens hij mag denken , zegt hij de tekst in alle kalmte en met grote ernst op, alsof hij een lezing geeft –  de tekst staat  trouwens vol verwijzingen naar niet bestaande wetenschappers. Het fijne is dat het lijkt dat Sturm deze tekst begrijpt zodat hij knap kan suggereren dat die dan ook zin heeft. Dit is een heel slimme aanpak. Beckett mag zich dan vermaken met nonsens op te schrijven, voor Sturm is die vanzelfsprekend en normaal. Zo krijgt de parodie op wetenschappelijk jargon zijn volle gewicht. Meteen geeft Sturm er ook een ‘ongewild’ komische dimensie aan.

De voorstelling wordt  gedragen door vier virtuoze acteurs, die hun virtuositeit gebruiken om dit intrigerend stuk een heel aparte, maar wel overtuigende vorm te geven – ten dienste van de auteur. Daarom blijft de voorstelling ook nazinderen. Als het licht op het einde uitfloept, heeft de toeschouwer staat hopelijk de eerste zin nog voor de geest: het heeft geen zin, waar we  nu de zin (!) van begrijpen: het is het leven, ons bestaan dat zinloos is. Het is een stelling die met verve door de vier spelers wordt verdedigd.

Twee opmerkingen : di is de terugkeer van Tom Van Dyck naar het theater en hij heeft zijn entree niet gemist -integendeel: wij hebben hem al die jaren op onze planken erg gemist.

Deze voorstelling met zijn ernst en speelsheid, met zijn mysterieuze vormgeving, en zijn  hoge kwaliteit aan acteerprestaties, toont hoe sterk Olympique Dramatique in de voorbije jaren is gegroeid. Als ik goed ingelicht ben is de raad van bestuur nog altijd op zoek is naar een nieuwe leiding voor het Toneelhuis. Verbazend vind ik dat wanneer ik deze kwalitatief hoogstaande voorstelling zie. Of zijn ze ziende blind?