Toneel

Retour à Reims Thomas Ostermeier / Schaubühne Berlin - Théâtre de Liège

Ostermeiers politiek theater

In ‘Retour à Reims’ maakte de Franse schrijver en socioloog Didier Eribon een analyse van de werdegang van de socialistische partij in Frankrijk. De bewerking voor theater van de Duitse regisseur Thomas Ostermeier, nu te zien in een Franse versie in het ‘Théâtre de Liège’ roept bredere politieke vragen op. We zien hier een ‘nieuwe’ Ostermeier, die je dwingt kleur te bekennen. 

Uitgelicht door Johan Thielemans
Retour à Reims
Johan Thielemans Salle de la Grande Main, Luik meer info
15 oktober 2019

‘Retour à reims’ is een politiek, sociologisch én autobiografisch essay waarin Eribon vertelt hij hoe hij terugkeerde naar zijn geboortehuis in een arbeidersbuurt van Reims. In politiek opzicht gaat het over de essentiële vraag hoe het mogelijk was dat zijn (gehate) vader, een communist, op het einde van zijn leven overstape naar het extreemrechtse ‘Front National’ van Jean-Marie Le Pen.

Dat thema sprak Thomas Ostermeier sterk aan. Hij bouwde rond de tekst een voorstelling, die uiteenvalt in drie luiken. Het eerste luik is een heuse documentaire, die Ostermeier maakte in samenwerking met Sébastien Dupouey. Daarover wordt tijdens het tweede luik gediscussieerd. Tenslotte voegt Ostermeier aan het boek van Eribon een nieuw en zeer actueel thema toe.

In het eerste deel volgen we de tocht van Eribon (de schrijver zelf, geen acteur) naar Reims. In het tweede deel komt het volle gewicht op de ontreddering van zowel de communistische als de sociaaldemocratische partij te liggen. In Frankrijk een brandende kwestie, want de socialistische partij ligt er op apegapen, maar ook in Vlaanderen gaat die partij door zwaar weer.

De film wordt op groot scherm geprojecteerd. We bevinden ons  in een opnamestudio waar de beelden van een voice-off worden voorzien. We zien dus een actrice (Irène Jacob) de tekst van Eribon voorlezen. Dat is volledig ondramatisch en vraagt van het publiek een grote vorm van concentratie. Zowel in Engeland (waar de Duitstalige versie van de voorstelling in Manchester in première ging) als in Frankrijk en Duitsland vroegen een aantal critici zich af of dit wel toneel was.

In het tweede deel wordt het gaandeweg wel interessant. Er ontspint zich een dialoog tussen actrice Irène Jacob en filmregisseur Cédric Eeckhout (een Belg trouwens) over de stellingen in de tekst. Zij vindt een stuk van de documentaire ongepast als illustratie. Na een pauze toont de regisseur een volledig andere versie, waarop de tekst veel beter past. Nu is het een montage geworden van de evolutie van links .

Het begint bij Mitterand die na een linkse overwinning theatraal met een roos door Parijs stapt. Daarna volgen de politici die de linkerzijde fel verzwakt hebben. Dat zijn dan Thatcher en Reagan, maar ook de linkse politici in Europa. Gordon Brown wordt betrapt op cynisme, en Tony Blair, de held van de derde weg, zien we breed lachend zijn plan uitleggen.

Het neoliberalisme kan dan zonder tegenstand oprukken. De linkse tegenkrachten, en vooral de syndicaten, verliezen hun impact. De ‘klassenmaatschappij’ bestaat niet meer. De nieuwe slogans gaan over identiteit – een nieuwe verdeling tussen wij en zij- en er verschijnen van nieuwe vijanden. De linkerzijde weet niet wat aan te vangen met de immigratiegolf. Ze verliest haar verhaal en de nieuwe tegenstellig levert rechts stemmen op. Het essay eindigt met een oproep om een nieuw links project .

De criticus geeft zich bloot. 

Daar stopt de tekst van Eribon. In de opnamestudio is er echter een eigenaar/technicus : ironisch genoeg een Senegalees. Die rol wordt gespeeld door Blade Mc Alimbaye, een  geëngageerde rapper die in zijn teksten naar de geschiedenis van zijn land teruggrijpt, al groeide hij als Fransman op in Normandië. Ostermeier laat hem op een bepaald ogenblik rappen  - waarbij de gesloten vorm verlaten wordt, en de zanger rechtstreeks met het publiek communiceert.

De voorstelling wordt afgesloten door een monoloog. Blade Mc Alimbaye vertelt over zijn grootvader. Tijdens WO II werd die vanuit Senegal naar Frankrijk gehaald als lid van de ‘Tirailleurs Sénégalais’ – zwarte soldaten die als kanonnenvlees dienden. Maar als De Gaulle op de Champs Elysées de overwinning vierde, mochten de zwarte soldaten niet in de stoet mee opstappen : de ‘Tirailleurs Sénégalais’ in de stoet waren blanke plaatsvervangers.

Ostermeier stelt in deze Franse versie twee autobiografieën tegenover elkaar. Dat plaatst het pessimisme van Eribon in een ander daglicht. In de laatste minuten concentreert de voorstelling zich op de hedendaagse discussie rond dekolonisering.

Ik vond veel ontevreden reacties van theatercritici. De vorm bevalt velen niet. Het is zeker een andere ( nieuwe?) Ostermeier die we hier aan het werk zien: hij ziet hier af van zijn dynamische aanpak. Ikzelf ben helemaal met de ploeg van Ostermeier meegegaan. De voorstelling blijft dan ook nazinderen : je bent een paar dagen zoet met de problemen die aangesneden worden.

Bij de kritische reacties voel je dat er ook persoonlijke, ideologische motieven spelen. Het standpunt is niet helemaal juist, het is te sterk of te zwak, of naast de kwestie. De criticus geeft zich bloot. Het feit dat ik de voorstelling relevant en verstandig vond zegt dus evenveel over mij. Maar is dat niet precies het bewijs dat het om een echte politieke voorstelling gaat?

Trouwens de thematiek slaat op een andere manier aan naargelang het land. Zo schreef een Duitse criticus dat de première in Manchester op een verkeerd moment kwam. Labour zou weer helemaal meetellen dank zij Corbyn ( bij de volgende verkiezingen zullen we dat nog zien, ik hou al mij hart vast). De scherpe, negatieve analyse van Eribon klinkt natuurlijk anders in Frankrijk. En ook in België : de P.S. in Wallonië maakt geen existentiële crisis door, maar als Vlaming voel ik me helemaal aangesproken. Daar heeft de SP.A zich teveel laten inpakken door de neoliberale verleiding.

In Luik althans kende de voorstelling veel succes, tot tien keer moesten de acteurs komen groeten.