Toneel

Girl from the fog machine factory Thom Luz & Bernetta Theater Produktionen

Luchtkastelen

De Zwitserse regisseur Thom Luz is gefascineerd door rookmachines. Ook in zijn nieuwe voorstelling ‘Girl from the Fog Machine Factory’ maken zijn machines nevelwolken die doorzichtige patronen en traag glijdende cirkels voortbrengen. Die indruk valt nauwelijks na te vertellen. Deze wonderlijke wolken lijken niet alleen gewichtloos, ze hangen soms ook als een dreigende regenbui boven je hoofd. Ze doen dromen van een wereld waarin niet alles koopwaar is, waarin vluchtige, eenmalige ervaringen waarde hebben. Naar wolken kijken en kind zijn, Thom Luz staat het je toe.

Uitgelicht door Lotte Ogiers
Girl from the fog machine factory
Lotte Ogiers Singel, Theaterstudio, Antwerpen meer info
17 december 2019

Op het podium zie je een fabriek waarvan archivarissen wild zouden worden. Ventilatoren en microfoons uit de jaren zeventig, radio’s uit de oorlogstijd en kartonnen buizen die er als kwetsbare schoorstenen bovenuit steken. In de coulissen weerklinkt een canon. ‘It was a long time ago,’ zingt een klein koor.

Eén voor één treden de spelers naar de voorgrond. Ze zwaaien naar hun eigen schaduw op de muur en fluiten of neuriën het lied mee dat de spelers die in de coulissen nog steeds zingen. Er ontstaat een canon van woorden en klanken waarin je voelt hoe muziek een spoor achterlaat in het geheugen.

Het groeten van de schaduw is poëtisch en tragisch tegelijk. De menselijke schaduw als een  compagnon de route die steeds verandert volgens de stand van de zon en je bewegingen. Je schaduw aankijken is een ultieme- en meteen ook mislukte- poging om het vluchtige vast te leggen.

Thom Luz heeft geen diepgravende monologen nodig om zijn punt te maken. In de kleine momenten verleidt hij het publiek om zijn verbeelding te gebruiken en zich over te geven aan het wonder van simpele dingen als voorbijgaande wolken. Muziek, mist en klanken zijn hier belangrijker dan tekst.

Wanneer de fabrieksleider, een rol van Samuel Streiff, roept dat hij iets belangrijks wil zeggen, verdwijnt hij achter een grote wolk die hem de mond snoert. Aan de telefoon antwoordt hij enkel met ‘ja’ en ‘nee’. Je hoort hem zeggen dat er geen geld is. Dat is de knoop: deze wolkenfabriek is niet meer rendabel. Mathias Weibel op celesta en Mara Miribung op cello voegen daar een treurzang over die teloorgang aan toe. Ze lijkt uit een muziekdoos te komen.

Om te overleven heb je nieuwe adem nodig. Die krijgen de arbeiders als een meisje (Fhunyue Gao) de fabriek wil bezichtigen. Samuel Streiff, Sigurdur Arent Jonsson en Mara Miribung lopen elkaar bijna extatisch omver omdat iemand interesse toont in wat anderen al lang  vergeten waren. Luz maakt hier handig gebruik van de komst van een buitenstaander om ook het publiek te fascineren voor de onvoorspelbare nevel.

Er volgen diverse scènes waarin mist de hoofdrol speelt. Zo rollen de arbeiders een rode loper uit waarna ze wolken als filmsterren behandelen. Mara Miribung duikt als een geoefende paparazzo neer om foto’s te trekken met een ouderwets toestel. Hun enthousiasme is aanstekelijk. Het publiek lacht als de kleinste rookmachines een wolkje frivool de lucht in schieten. Er wordt ‘oh’ en ‘waw’ geroepen wanneer Fhunyue en Sigurdur twee mistcirkels langzaam de zaal in laten schrijden. 

De liefde blijkt even vluchtig en ongrijpbaar als het wolkendek 

Met die cirkels introduceert Luz een nieuw thema: de liefde. Die blijkt even vluchtig en ongrijpbaar als het wolkendek waarin soms olifanten, dan weer ijsjes door de ogen van kinderen te zien zijn. Fhunyue en Sigurdur zijn als de twee cirkels die elkaar even raken en dan uiteenspatten. Alweer een simpel beeld met een krachtig effect. Maar hoopgevend is het niet, want ondertussen declameert Streiff Ovidius’ raad over liefdesverdriet. ‘Voer oorlog en ga terug aan het werk,’ is de vijfde stelling.

Samuel Streiff fluistert het publiek toe hoe de liefde tussen Fhunyue en Sigurdur ontstond terwijl de twee op de achtergrond een enorme zak met rook vullen. Zijn woorden ondersteunen beelden die voor zichzelf spreken. De twee houden de zak, die nu bol staat, als een deken tussen hen in. Streiff wijst op de stilte tussen de geliefden. De lucht wordt nu een medespeler, een beeld van wat mensen niet gezegd krijgen. Je ziet een eerste toenadering maar omdat Streiff in de verleden tijd spreekt besef je dat tot mislukken gedoemd is. Prille liefde is slechts een herinnering die nauwelijks herbeleefd kan worden.

Luz toont eenzame mensen die wolken achterna jagen als om het besef van hun eindigheid te verjagen. Erover praten kunnen ze niet. Daarom maken ze met behulp van hun rookmachines het Dodeneiland van de schilder Arnold Böcklin na of zijn ze samen met hun ventilatoren de dunne mannetjes van Giacometti. Maar bovenal hebben ze muziek nodig om onder woorden te brengen wat hen drijft, van Schlager tot 'Bonjour mon coeur', Gospel en Schubert.

Het is een prachtig beeld wanneer Mathias Weibel als een dirigent voor de kartonnen schoorstenen staat en er rook uit tovert. Een warme gloed belicht het podium terwijl Weibel maar blijft dirigeren en een geluidloze compositie maakt met de nevel. Wat is het meest vergankelijke, de fabriek die aansturing nodig heeft, of de muziek die je zelfs hoort zonder dat ze er is?

Geleidelijk komt sterfelijkheid centraal te staan in de voorstelling. Tot Luz het ook expliciet laat horen door een krakende radio. Een Amerikaanse nieuwslezer vertelt dat vijf arbeiders stierven op 14 februari door een ontploffing in hun fabriek. Zoals Böcklin in zijn schilderijen een eiland schilderde dat symbool stond voor de overgang tussen leven en dood, zo wordt de rookfabriek plots een plek waarin wolken niet langer onschuldig zijn, maar de mist worden die hangt rond het sterven.

Het theater van Thom Luz wil niet vooruitstrevend zijn. Dat is een verademing. Zijn letterlijk onvatbare, kleine beelden hebben een heel eigen, maar zeer herkenbare poëtica. Ze zweeft tussen zwaarte en lichtvoetigheid om de absurditeit van het leven te onthullen. Door vereenzaamde personages, die uit een film van Roy Andersson lijken te komen, in een Tik-Tak-achtig kader te plaatsen overtreft Lutz de poëzie van een gesproken tekst. De contradictie tussen de ervaring en tastbare koopwaar blijkt niet uit woorden, maar uit beelden die een blijvende indruk nalaten, ook al zijn ze ontastbaar. Meer moet dat niet zijn.