Toneel

Clash BRONKS / Joost Vandecasteele & Joris Van den Brande

Kortsluiting in het brein

Na ‘Sorry voor alles’ (2013) maken Joris Van den Brande en Joost Vandecasteele een nieuwe BRONKS-productie. ‘Clash’ ontleedt de onlogische samenhang tussen lichaam en geest die veel (jonge) mensen parten speelt. 

Uitgelicht door Liesbeth De Clercq
Clash
Liesbeth De Clercq Bronks Brussel meer info
31 december 2019

In ‘Clash’ spelen beide acteurs onder hun eigen naam. De manier waarop ze het podium opkomen verraadt meteen wat voor personage ze zijn. Joris is een stijve figuur. Zijn handen omklemmen een stapel borden zo stevig, zelfs krampachtig dat je meteen vermoedt dat hij het moeilijk heeft met emoties. Daarna kondigt een vallende pop de komst van Joost aan. Hij veert op van achter een lage kast, en zegt over de pop: ‘doet me niks’. Het wordt zijn leuze. Hij zal de woorden vaak herhalen.

Die tegenovergestelde houding wordt de hele voorstelling door bevestigd. Joris is emotioneel wankel. Hij lijdt onder emoties en gevoelens waar hij geen weg mee weet. Joost belichaamt het andere uiterste van het spectrum. Niets, of het nu afwijzing of genegenheid is, lijkt hem te raken.

Op de vloer is een vlak afgebakend met daarop een tafel, twee stoelen en een kast. Dat is het speelveld waarin beide personages filosoferen over het grote leven en wat ze wel en niet voelen. Terwijl ze tussen het meubilair laveren springen hun gedachten van de hak op de tak. Soms spuwen ze die uit, soms zijn ze eerder beschouwend.

Beider denktrant strookt met het soort personage dat ze bij het begin van de voorstelling installeerden. Daardoor komen ze wel vaker in de buurt van clichés of al te voorspelbare inzichten. Je kijkt er bijvoorbeeld niet van op dat Joris zich laat kennen als een echte emo-eter, te kwetsbaar voor de liefde, maar toch euforisch als het geluk hem toelacht. Desondanks primeert steeds de humor.

Tussen die scènes en discussies leer je de verlangens van de twee mannen beter kennen. De ene, Joris, zoekt wanhopig naar verbondenheid met anderen. Joost daarentegen zou het liefst van alles en iedereen afgesneden zijn. Daar vonden ze elk hun oplossing voor.

Uit eenzaamheid vond Joris er niets beter op om zijn zielenroerselen op het internet te zetten. Hij smacht enorm naar verbondenheid, en ziet plots zijn kans schoon als hij ontdekt dat een Chinese vrouw zijn hersenspinsels via het net volgt. Joost daarentegen denkt dat hij een smartphone is omdat hij niks voelt. Hij koestert vurig de krankzinnige wens om effectief een mobiele telefoon te worden.

Na enkele vergeefse pogingen om hun emoties te uiten, nemen de twee vrienden hun toevlucht tot therapeutische technieken. Joost spoort Joris aan om terug in de tijd te gaan en zijn allereerste angst te visualiseren. Hij herbeleeft hoe een grote badeend hem achterna zat in een nachtmerrie achterna. Soelaas brengt dat niet, want zijn angst wordt juist werkelijkheid: een reusachtige opblaasbare badeend rijst op uit het tafelblad om pas aan het einde van de scène weer leeg te lopen. Als hij dan met de aanmoediging van Joost meer zelfzeker probeert te worden door zichzelf moed in te spreken en de kracht van verbeelding te gebruiken, faalt hij.

Er rest hen slechts één middel om een antwoord te vinden op hun vragen: het wereld wijde web. Een golf van wisselende fel gekleurde lichten, muziek en computergeluiden verbeeldt hoe ze opgaan in het web. Op dat ogenblik verdwijnt Joost van het podium om terug te keren als een personificatie van de zoekmachine google. Zo komt Joris hem weer tegen. Joris vraagt hem ‘hoe te leven?’. Daarop spuwt de zoekmachine miljoenen mogelijke zoekresultaten, maar helaas geen sluitend antwoord. Wanneer Joris uit frustratie zijn gsm opeet, worden de twee terug gekatapulteerd naar de gewone werkelijkheid.

Eens daar weer aanbeland komt de absurditeit die de voorstelling doordesemt tot een hoogtepunt.  Joost voelt zich zo ‘opgeladen’ dat hij er met behulp van elektronica in slaagt zichzelf te ‘upgraden’. Hij verandert in een smartphone en krimpt tot een barbiepop. Joris gebruikt de pop, die sprekend lijkt op Joost, om zijn Chinese date te bellen. Ze spreken af om elkaar te ontmoeten. De voorstelling eindigt met Joris die zijn angst om buiten te komen overwint: een volgcamera toont via een beeldscherm hoe hij zich door de gangen en kamers van het theater naar buiten rept.

‘Clash’ verkent de kronkels van ons brein zonder uit te leggen hoe je daar mee om kan gaan. Al staat de erg lange inleidende karakterschets van het duo de ontwikkeling van het plot soms wat in de weg, toch slagen Van den Brande en Vandecasteele er met spel en tekst vol humor in om het taboe rond psychische kwetsbaarheid te laten vervliegen. Samen schetsen ze met overgave het portret van twee vrienden die elkaar herkennen in hun onvermogen om hun gevoelens te uiten.