Toneel

ForsterHuber Heyne De Koe / Mainzer Staatstheater/De Nwe Tijd

Kinderen van de revolutie

Rond het woord ‘Ideeënstuk’ hangt een mottenballengeur: schetsmatige personages en een dito plot, die alleen dienen om een idee te illustreren. Geeuw. ‘Forster Hüber Heyne’, een stuk van Willem De Wolf en Rebekka De Wit bewijst dat het anders kan. Drie historische figuren gaan in de clinch over ideeën die tijdens de Franse revolutie in heel Europa opspeelden, en toont hoe actueel ze nog steeds zijn. De verhouding tussen individu en maatschappij, tussen erotiek en politiek is nog steeds aan de orde van de dag. ‘De dingen lopen door elkaar. Het is zo’. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
ForsterHuber Heyne
Pieter T’Jonck Loods NMBS, Oostende
TAZ#19
meer info
17 augustus 2019

‘ForsterHuberHeyne’ is het product van een nogal ongewone coalitie: het Mainzer Staatstheater vroeg Willem De Wolf, lid van de artistieke kern van het Vlaamse gezelschap ‘De Koe’ om een stuk te maken over een berucht moment in de geschiedenis van de stad. Tussen maart en juli 1793 was ze, in de nasleep van de Franse Revolutie, een ‘république soeur’ geworden van de Franse Republiek.

Georg Forster had toen al een imposant CV als Ruslandkenner, ontdekkingsreiziger op de expeditie van James Cook en wetenschapper-essayist. Hij was ook een voorvechter van ‘Mainzer Republik’. De pret was snel voorbij toen de Pruisen en Oostenrijkers de stad terug veroverden. Forster was er geen getuige van want hij reisde kort tevoren af naar Parijs als afgevaardigde van Mainz. Terugkeren bleek uitgesloten. Maar Parijs was ook een verschrikking: de ‘Terreur’ van Robespierre was op zijn hoogtepunt. Berooid en vergeten overleed Forster daar.

Het had anders kunnen lopen. Forster was in 1785 gehuwd met Therese Heyne, dochter van filoloog Christian Gottlob Heyne, een vriend van Forster. Therese Heyne moet een zeer opvallende vrouw geweest: onconventioneel, geletterd, vrijgevochten. Ze werd de eerste vrouwelijke uitgeefster in Duitsland, en schreef ook talloze teksten. Maar het huwelijk, waar -naargelang de bron- twee of drie kinderen uit voortkwamen, was ongelukkig. Mogelijk wilde Forster daarom wel naar Parijs.

Of kon hij het niet velen dat Heyne er openlijk een minnaar op nahield? Die Ludwig Huber was volgens Forster een saaie conservatief. Na Forsters vertrek naar Parijs nam zij met Huber de wijk naar Zwitserland, scheidde van Forster en hertrouwde. Ze overleefde Huber, die overleed in 1804, nog meer dan twintig jaar.

Stof genoeg voor een historisch drama, zou je denken, maar zo begint het stuk niet. De drie acteurs verschijnen niet in historische kostuums, maar in hedendaagse kledij. Iets formeler bij De Wolf -die de tekst niet alleen mee schreef maar hier ook speelt- als Huber, ‘casual’  bij Suzanne Grotenhuis (Heyne) en Vincent Doddema (Forster). Op zich niets bijzonders. De tijd dat een historisch stuk ook historische kostuums vroeg stierf in de jaren 1980, na een lange doodstrijd, een stille dood.

Wel bijzonder is dat De Wolf, schijnbaar zonder medeweten van de anderen, meteen de onderneming in vraag stelt. Zou het iemand nog  werkelijk interesseren dat acteurs zichzelf publiekelijk in vraag stellen? ‘Wat moeten we doen als ook het kwetsbare in ons besluit dat het beter is onaangedaan te worden en het naïeve in ons corrupt?

Zou het iemand nog werkelijk interesseren dat acteurs zichzelf publiekelijk in vraag stellen?

Waarom hij die vragen stelt blijft in het ijle hangen. Je moet al wat stukken van het gezelschap ‘De Koe’, waar De Wolf kernlid van is, achter de kiezen hebben om dit te herkennen als de twijfel die bij elk van hun stukken aan het begin toeslaat. Anders kan je je alleen maar afvragen wat deze ironische zelfbevraging te maken heeft met de Mainzer Republik’? Pas op het einde van het stuk blijkt de zin ervan. Dan zagen we namelijk hoe een Revolutie niet alleen maatschappelijk, maar ook in de intieme sfeer bressen slaat.

De anderen acteurs roepen De Wolf dan ook tot de orde. Stuk spelen, en daarmee basta. Toch lijden ook zij onder koudwatervrees. Het duurt een paar scènes voor de geschiedenis van Forster en Heyne geschetst is. Je leert dat het koppel er de vreemde gewoonte op nahield om te communiceren via brieven vol pijnlijk zelfonderzoek. Het boterde vooral op seksueel vlak immers niet goed tussen hen. Pas dan stappen ze -met een halve teen- in hun personage.

In een aantal sterke scènes ontwikkelen de personages zich nu als twee manieren om een Revoulutie te zien. Ze zijn het er roerend over eens dat de Revolutie de mens machtigt voor zichzelf te denken en te handelen. De mens is niet langer een verlengstuk van God en Koning. Voor Heyne houdt dat vooral een persoonlijke bevrijding in. Ze wil haar geknechte lichaam voor zichzelf opeisen. Forster daarentegen projecteert de revolutie naar buiten: voor hem moeten alle sociale verhoudingen radicaal veranderen naar het ideaal dat hij voor ogen heeft.

Huber zal het fanatisme van Forster al snel ontmaskeren als ‘Schwärmerei’ -romantische bevlogenheid, of gezwets zo je wil. Hij zal tonen hoe blind het is voor menselijk falen. Je zou kunnen zeggen: hij ontmaskert Forster als een narcist, die weigert zich in anderen in te leven.

Eens de kaarten zo verdeeld zijn, wordt het stuk plots verbazend actueel. De twee manieren waarop Heyne en Forster naar ‘bevrijding’ streven, vertrekken niet vanuit een analyse van de wereld zoals hij is, maar vanuit hun eigen angsten en verlangens, waarin ze zich -denk aan de brieven die ze elkaar schreven- verliezen, tot ze geloven dat hun eigen ‘oplossingen’ wel de enig juiste moeten zijn, en door iedereen aangenomen zullen worden. Bij Forster neemt die naïviteit grotesk totalitaire vormen aan. Geen wonder dat hij über-radicaal Robespierre als voorbeeld zag.

Huber, de conservatief dus, analyseert naar het einde van het stuk haarfijn wat daar misloopt. Als de Revolutie gebouwd wordt op introspectie, dan sluit iedereen zich op in zijn eigen voortreffelijke overtuiging, zijn eigen revolutionaire leer. Dat levert een bende onvolwassen ruziemakers op, die een gemakkelijke prooi worden voor tegenstrevers die niet aan morele scherpslijperij doen.

Met een reuzensprong beland je zo van de Mainzer Republik terug in de wereld vandaag: als links niets meer voorstelt, dan wel omdat het zichzelf de nek omwringt, nog voor de tegenstanders dat doen. Dat klinkt maar al te bekend. Plots krijgen de twijfels van De Wolf in het begin van het stuk hier ook hun volle betekenis.

Daarmee beweert dit stuk nog niet dat elk revolutionair élan onzin zou zijn, noch dat zelfbevraging uit den boze is. Integendeel. De conclusie lijkt eerder dat iedereen heeft het recht op zijn revolutie, om alles helemaal opnieuw te bedenken. Op voorwaarde althans dat je beseft dat falen en dwalen je onvermijdelijk je deel zijn. Dat een beetje ironie dus nuttig is. De slotzin vat het kernachtig samen. ‘De dingen lopen door elkaar, het is zo’ zegt Grotenhuis. Daar moet je mee leren leven. Zonder op te geven.

Daarmee is weinig gezegd over de vorm die dit stuk kreeg. Die is werkelijk merkwaardig: zelden of nooit komen de acteurs los van zichzelf om zich volledig over te geven aan het verhaal en de personages. Ze blijven vaker onder elkaar kibbelen over de betekenis van elk klein detail dat ze bovenhaalden over Forster, Huber en Heyne dan dat ze het verhaal uitbeelden. Alsof ze eigenlijk niet moeten spelen, omdat die vragen gewoon de hunne zijn, ook al is deze geschiedenis  meer dan 225 jaar oud. De Franse revolutie zette een spoor uit waar we nog steeds niet mee in het reine zijn. Of zoals Mao Zedong volgens dit stuk ooit zou beweerd hebben: ‘Het is te vroeg om er een oordeel over te vellen’.