Toneel

Who's afraid of Virginia Woolf Mesut Arslan / 0090 & KVS

Een veeleisende stoelendans

‘Who’s afraid of Virginia Woolf’ , in een regie van Mesut Arslan voor 0090 en KVS, biedt een heel aparte versie van een klassieker uit de twintigste eeuw: teksttheater dat het realisme schuwt en door een spel met oneindig veel stoelen ook een vorm van ervaringstheater is. Uitstekend verdedigd door de vier spelers, met een flamboyante Frans Dierens, en drie uitstekende nieuwkomers. Een pluim voor Darya Gantura.

Uitgelicht door Johan Thielemans
Who's afraid of Virginia Woolf
Johan Thielemans KVS Box, Brussel meer info
02 november 2019

‘Who’s Afraid of Virginia Woolf’ van Albee uit 1962 is een moderne klassieker – dit seizoen is het stuk niet van de Vlaamse programmatie weg te slaan. In de KVS heeft Mesut Arslan het op een erg originele manier aangepakt. Hij heeft de realistische stijl opengebroken en het stuk in een verrassende ruimte geplaatst. Daar moet ik het dus eerst over hebben.

Als ik de kleine zaal betreedt, ontdek ik een landschap van stoelen die kris kras door elkaar staan (een scenografie van Pascal Leboucq). Er is geen podium te ontwaren, maar slechts een structuurloze ruimte. Ik ga dus ‘ergens’ wat ongemakkelijk zitten. Ik weet meteen dat Arslan opnieuw op zoek is gegaan naar een afwijkende opstelling. Zijn handtekening, zeg maar.

In die zee van stoelen klinken plots twee stemmen : Martha (Darya Gantura) en Georges (Frank Dierens). Ze zijn erg ver van elkaar verwijderd, en communiceren dank zij microfoons. Vanop grote afstand slingeren  twee echtelieden verwijten naar elkaar. Na een tijd  krijgen ze bezoek van een jong koppel (Rashif El Kaoui en Dorien De Clippel). Het vuurwerk kan beginnen.

De gespannen verhouding binnen het echtpaar strekt zich nu ook uit over de twee bezoekers: deze jonge mensen zijn schietschijf en slachtoffer van de wrede humor en het radicale misprijzen waaronder ze bedolven worden. Albee schrijft repliek na repliek die snijdend pijn doet, zeker voor het publiek dat alleen maar kan toekijken hoe mensen nood hebben om elkaar te vernietigen. Dat doen ze in verschillende rondes, waarbij telkens iemand anders genadeloos te kijk gezet wordt.  

Het echtpaar heeft een geheim : ze beweren dat ze een zoon hebben, maar willen dat stil houden. Nochtans wordt dat kind de inzet van de laatste ronde – waarbij Georges verklaart dat het kind dood is -al blijkt later dat het nooit bestond, behalve dan in de fantasie van het echtpaar. Dat is zijn  ultieme triomf over zijn vrouw. Daarna blijven ze alleen achter, uitgewoed, gekwetst.

Maar in de laatste minuten van deze vreselijke  nacht vinden ze elkaar, is er als een tedere , wanhopige toenadering. De boze geesten zijn dan uitgebannen en een nieuw leven – zonder leugen- kan beginnen. Een hoop vol wanhoop. Albee heeft hiermee één van de meest aangrijpende, pijnlijke eindes geschreven, mikkend op grote emoties.

Met deze voorstelling heeft Mesut Arslan zichzelf een heel moeilijke taak toegewezen. De personages komen elkaar fysiek nauwelijks naderbij, waardoor er geen intimiteit is. In het tweede deel van de avond begint er plots een koor te zingen – ‘stemacteurs’ die tussen het publiek ‘verscholen ‘ zitten. Wat hun betekenis is blijft onduidelijk (om de bedoelingen van de regisseur te achterhalen ben je op het programmaboekje aangewezen).

Met deze voorstelling heeft Mesut Arslan zich een heel moeilijke taak toegewezen. 

De ‘stemacteurs’ nemen ook deel aan een actie buiten de tekst. Ze zeulen met stoelen ( tot op het irritante af), en construeren er wankele bouwsels mee. Dat  schreeuwt om interpretatie, maar die vind ik met de beste wil van de wereld niet. Op het einde van de voorstelling wordt het gros van de stoelen, in een paar lagen boven elkaar, op één lijn geplaatst. Zo ontstaat een lange stoelenwand die het nu ontruimde speelveld schuin in twee deelt.

De stemacteurs komen nu weer tussen. Ze lopen in processie rond de stoelen terwijl ze ‘Libera me’ zingen. Ook waar deze religieuze toets vandaan komt, ontgaat mij totaal. Wordt ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf’ hier tot een katholiek spektakel omgedoopt? Het is alsof ik naar een ander stuk zit te kijken.

Door de zaalopstelling worden de vier spelers ook gedwongen om anders met de tekst om te gaan. Van Arslan hebben ze een erg moeilijke opdracht gekregen. Toch voeren ze die alle vier erg overtuigend uit. Bij Frans Dierens klinkt de tekst erg retorisch. Het is een toon die hij van bij het begin aanslaat en de hele voorstelling zal aanhouden.  Dat is erg knap, maar de psychologische dimensie van het stuk geraakt zo wel in de verdrukking. Dierens mist zo een diepere laag: de angst van het personage, zijn kwetsbaarheid, zijn agressie als wapen tegen zijn eigen mislukking, het komt allemaal nauwelijks aan de oppervlakte. In een woord: Frans Dierens is, ondanks alles, te vriendelijk. Door een gebrek aan afwisseling gaat zijn tekstbehandeling wegen op de spanningsboog.

Even retorisch is de Martha van Darya Gantura: haar kleine gestalte is één en al gebalde energie en vuur. Maar ook zij kan de vele aspecten niet laten openbloeien: ze zet de avond in met één register, en daar blijft ze bij. Ze straalt veel autoriteit uit, en is, als we het concept van de regisseur aanvaarden, bijzonder sterk. Op het einde wordt ze door de stemacteurs door de lucht gedragen – als, ja als wat? Alsof ze vliegt. Maar dat komt, zoals heel veel in de voorstelling, als een regisseursbeslissing over die zijn  grond niet vindt. Een regie kan ook te virtuoos zijn.

Als ik terugdenk aan de recente ensceneringen van dit stuk, dan komt mij onmiddellijk het beeld van Peter de Graef voor de geest. In de regie van Dirk Tanghe was hij vol bittere subtiliteit, één grote oefening in subtekst. Eén van zijn grote rollen. In de regie van Arslan daarentegen moet een enthousiaste Frans Dierens het samen met  Darya Gantura, hebben van een flamboyante retoriek. Helaas gomt die belangrijke lagen van de tekst uit. De versie van Arslan is extravagant, een strijd tegen simpel realisme, maar al dwingt het resultaat respect af, het kan niet helemaal overtuigen.

Dat blijkt ook uit de vertolking van de twee andere personages. Die is goed vertolkt, maar het valt sterk op dat zowel Rashif El Kaoui als Dorien De Clippel bijrollen zijn. Zo kijken we naar een stuk dat hoofdzakelijk over de twee protagonisten gaat. Ook de polyfonie van de vier stemmen komt hierdoor in het gedrang.

Dit is, om het kort samen te vatten, een  regisseursopvoering, of een conceptopvoering. Je kijkt er met respect naar: de regisseur heeft erg zwaar gewerkt, alle participanten hebben zich met  hart en ziel op zijn voorstel gestort. Maar je kijkt er naar – de bijtende humor in de tekst komt nauwelijks tot zijn recht, en de emotie blijft uit. Als publiek word je daarbij regelmatig ‘gestoord’: je moet rechtstaan, je wordt naar een andere stoel gejaagd ( is dat de vrijheid waarover Arslan het in de programmatekst heeft?). Achteraf blijf je wel met de vraag zitten : wat is daar de meerwaarde van.

In de scenografie is er een lichtsculptuur van Jan Maertens : een compacte bundel spots. Ze laten een subtiele lichtregie toe. Alleen vergaten de makers dat zo’n bundel heel, maar dan ook heel warm is. In deze gesloten, bescheiden ruimte wordt het licht zo vaak een marteling voor het publiek: met de beperkingen van de zaal werd te weinig rekening gehouden. Dus niet: meer licht, maar wel meer lucht. En een tip : ga op de zijkanten zitten, daar is de temperatuur beter te harden.

Misschien voor mij de meest belangrijke vraag : hoeveel stukken had je ook in deze opstelling kunnen opvoeren. Komt de tekst er dan nog echt op aan? 

Correctie :

 Michael De Cock ( die meewerkt aan de voorstelling in de KVS) meldt mij dat mijn reactie ophet gezang  'Libera me' voorbijgaat aan het feit dat Albee deze tekst in zijn stuk heeft gebruikt ( zelfs het hele gebed). Ik zei dat ik niet wist waarom dit gezang in de voorstelling terecht was gekomen. Maar nu is het duidelijk.