Toneel / Performance

The journey Anna Luka da Silva

Dramatische helletocht

In haar vierde jaar aan de Toneelacademie Maastricht maakte Anna Luka da Silva ‘The journey’: een solo die een helletocht langs nare jeugdherinneringen, richting geestelijke wanorde en verval, verbeeldt. Het reisverslag is van een soms onthutsende kracht. Drama met bakken, zoals je het al lang niet meer zag. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
The journey
Pieter T’Jonck De Grote Post, Oostende
TAZ#19
meer info
05 augustus 2019

Van tussen twee gordijnen achter het podium komen een hand, een been en een hoofd schuchter tevoorschijn. Pas dan laat Anna Luka da Silva zich helemaal zien. Een vreemd verknipte verschijning. Niet alleen door haar bizar verknipte jurk -het lijkt wel een stuk van Martin Margiela- maar vooral door haar gang: ze loopt op haar tenen, met knikkende knieën en onvaste stap. Haar armen en handen fladderen chaotisch boven haar hoofd. Ze lijkt wel een medium in trance, of een hysterica van Charcot.

Het merkwaardigste van alles zijn haar ogen: enorm groot, en wit, met zwarte stippen als pupillen, alsof ze een hysterische toeval had. Tot je beseft dat die ogen op haar gesloten oogleden geschilderd zijn. Ze ziet ons dus niet. Ze ziet zelfs gewoon niets, behalve wat zich voor haar geestesoog afspeelt. Daar moeten die geschilderde ogen dus wel symbool voor staan, voor de blik naar binnen, naar getormenteerde zielenroerselen. Dat blijkt ook.

Langzaam, en heel moeizaam, stoot ze nu klanken uit, waar je letter na letter woorden in hoort als ‘childhood’ en ‘memory’. Plots ontspant ze, alsof ze finaal beland was in een gebied van haar herinneringen waar ze haast geen toegang meer toe had. Nog steeds met gesloten ogen stapt ze nu voorzichtig naar voren, maar wel met beide voeten op de grond. Het extatische controleverlies is weg. Alsof ze een geheime bron aangeboord had borrelen verhalen nu op in een niet te stelpen vloed.

Ze brengt die niet zo’n beetje langs de neus weg, zoals je het vandaag doorgaans ziet. Integendeel. Deze vrouw is één en al dramatiek. Als ze het over een personage heeft, neemt dat meteen bezit van haar lijf. Daar heb je ‘Uncle Jimmy’, die alleen al door zijn temerig verlokkende stem hoogst onbetrouwbaar lijkt. Of ‘Auntie’, die geen hoge dunk heeft van haar zuipende en ontrouwe echtgenoot. Maar vooral is er dat kleine meisje Joranda -als ik de naam goed verstond tenminste- die met grote schrikogen luistert naar de ‘rare verzoeken’ van Uncle Jimmy. Als tegengewicht paradeert da Silva even later langs het publiek als een stoere vrouw die trots haar tattoos toont.

Met horten en stoten gulpt zo een verhaal van ellende en wanhoop, dat vaag smaakt naar kindermisbruik, naar buiten. Da Silva’s gedaantewisselingen zijn daarbij zo griezelig overtuigend dat een Hollywoodfilm er niet aan kan tippen. Maar natuurlijk is dit helemaal geen film is. Het enige ‘special effect’ van de voorstelling zijn die gedaantewisselingen van da Silva. Ze zijn, uiteraard, totaal artificieel. Het is allemaal spel, doen alsof, niets anders. Groot, zelfs overdreven groot acteren.

'Sturm und Drang' vind je hier volop

Niet erg ‘zeitgemäss’, om het zacht uit te drukken. Stamelende kwetsbaarheid, dat willen we vandaag zien. (De voorstelling ‘Anne meets Jeffrey’ van Emma Berentsen op hetzelfde TAZ festival was daar een schoolvoorbeeld van). Zelfs haar taal is het tegenovergestelde van stamelen: ze dist haar visioenen op in vlekkeloze rijmen, al komen die soms vervaarlijk dicht op het randje van de rijmelarij. Ook daar weer dat artificiële, hooggestemde, smachtende zelfs. Haar voorbeeld is, welllicht niet toevallig, Goethe’s ‘Faust’. ‘Sturm und Drang’ vind je hier inderdaad volop.

Toch is deze voorstelling alles behalve naïef, maar integendeel erg subtiel, als je op details gaat letten. Bijna terloops, net als de rijmen stroef en plichtmatig worden, zegt de actrice iets over de kloof die gaapt tussen wat zich allemaal in haar hoofd afspeelt, en het houterige gedoe waar het mee eindigt als je het dat tot uitdrukking wil brengen. Het is maar toneel, maar waar anders kunnen we onze grote gevoelens kwijt?

In die ene lapsus toont da Silva dat ze ook wel weet toneelspelen ‘onecht’ is, maar dat weerhoudt haar er niet van om toch te proberen over die horde heen te springen. Daarin is Goethe’s faustiaanse verlangen om het ‘allemaal’ te bevatten niet eens zo ver weg trouwens. Op een gekke manier wordt haar performance zo een kritiek op een vorm van acteren die niet durft buiten de lijntjes kleuren, die zich niet voorbij een ‘tongue in cheek’ attitude waagt. ‘She wants the world, and she wants it…now’.

Net op het hoogtepunt van de vervoering volgt een tweede ‘lapsus’: enkele seconden lang, vlak voor het publiek, slaat da Silva plots haar oogleden op. Voor even kijk je in haar echte ogen. Alsof ze zelf terugdeinsde voor haar vlucht vooruit in tomeloze emotie. Ook dat is een gewild effect. Maar wel zo feilloos getimed dat het haast niet anders kan of er zit een heel precieze intuïtie achter. Het is maar op een haar na niet echt. Dan verdwijnt ze weer achter haar oogleden.

Slechts veertig minuten duurt deze bizarre tocht in de krochten van een getormenteerde ziel. Maar het lijkt een hele reis, want ze doet haast vergeten registers van expressie, verzonken gevoelscontinenten, aan.