Toneel

Ten oorlog III Camping Sunset

Dodendans in het droogdok

De laatste aflevering van Tom Lanoye’ s  trilogie ‘Ten Oorlog’ door Camping Sunset trekt een experimentele kaart. Maar waartoe leidt dit? Vaak lijkt het een zoekplaatje ‘Waar is Risjaar Modderfokker?’ Is het zo spannend als het concept -een lange dodendans- belooft?

Ten oorlog III
Johan Thielemans Stormkop Droogdok, Antwerpen
Theaterfestival
meer info
02 september 2021

Shakespeare schreef met ‘Richard de Derde’  het portret van de perfecte Machiavellist:  cynisch, brutaal, schaamteloos en roekeloos. Het fijne van het stuk schuilt hem echter in het feit dat Richard het publiek tot getuige maakt van zijn boosaardige listen om zijn rivalen uit te schakelen. Je kan genieten van zoveel slimmigheid en wreedheid.

Zo’n door en door slecht personage wordt op het toneel een gegeerde rol. De lijst van beklijvende vertolkingen is ellenlang. Klassiek is de interpretatie van Laurence Olivier. Ian McKellen zette een schaamteloze koning neer. In ons taalgebied maakte Pierre Bokma het publiek bijna tot medeplichtige in zijn subtiele vertolking. Hans Kesting toonde de koning, in de regie van Ivo van Hove, dan weer als een man die verteerd wordt door paranoia, angsten én agressie. Dichter bij ons was er de Antwerpse versie van Peter Van Begin. Die vertolkingen waren stuk voor stuk een hoogtepunt in een al rijk acteursleven.

Maar dan heb je nog de ‘Risjaar Modderfokker’ uit Lanoye’s ‘Ten Oorlog’. Hij spitste het stuk van Shakespeare toe op een monoloog: een dronken incarnatie van een wanhopige machtswellusteling. Perceval zag hem als de belichaming van het kwade, Tom Lanoye zorgde voor passend  taalvuurwerk. Hij vermengde Nederlands en Engels tot een gevaarlijke cocktail, een roes die smaakte naar de taal in de film ‘Reservoir Dogs’ van Tarrantino.

 De hedendaagse pendant van de schurk Risjaar is hier inderdaad te vinden in de Amerikaanse gangsterfilm. Jan Decleir maakte van de monoloog een beklijvend moment – eenzaam aan een tafel met een fles witte wijn. Hans Thieme bracht deze taalwaterval nog virtuozer In de Duitse versie van ‘ten oorlog’ die Perceval regisseerde voor de Salzburg Festspiele.

Dat allemaal om te schetsen dat de figuur van Richard de Derde op een lange traditie kan bogen: hij is één van de geliefde schurken uit de theaterliteratuur. Je kijkt dus uit naar de interpretatie van de jonge spelers van Camping Sunset. Ze spelen, naar goede gewoonte op locatie. Deze keer is dat het  droogdok van de Stormkop in de Antwerpse haven. Een prachtig beeld: een lange gracht met steil oplopende, hoge wanden die er erg ontoegankelijk uitziet.

Nadeel is dat de overweldigende ruimte geen centraal punt biedt van waaruit een drama zich kan ontspinnen. De locatie is niet alleen prachtig, ze stelt ook een hele uitdaging. Op het einde van de avond zal blijken dat dit dok zich niet liet inpalmen.

De voorstelling begint met stil spel: hier en daar verschijnen figuren. Het verrast je als een personage moeizaam langs de wand naar beneden kruipt. Als al te veel spelers die actie blijven herhalen verliest ze echter alle spanning . De angstige vraag bekruipt mij dan: waarom? Er zijn toch normale trappen om naar beneden te komen?

In de loop van de voorstelling blijven zo’n waaromvragen zich opstapelen. Om te beginnen: waarom dat vele Engels, vaak zo luid geschreeuwd dat je het niet kan verstaan. Als Risjaar dan even overschakelt naar het Nederlands blijkt hij/zij uit West-Vlaanderen te stammen. (Tussen haakjes: ik heb wel last van al dat Engels: het bewijst dat jonge spelers zich in de armen van het Amerikaanse imperialisme werpen, gedwee in de pas van de vermaaksindustrie. Ga dan maar over verzet en verdediging van de eigen identiteit praten. En Lanoye dan, hoor ik u denken. Bij hem zat er een duidelijk ideologisch motief achter, en leverde de afwisseling Engels-Nederlands een aantrekkelijk spel met woorden op.)

Fundamenteler is dat de spelers van Camping Sunset radicaal kozen voor een verhaal zonder structuur. De tijd speelt hier bijvoorbeeld geen rol. Bepaalde scenes worden een paar maal herhaald. Zo wordt de Earl of Warwick, die nooit afdaalt in het dok en van boven de rand toekijkt, een paar keer vermoord. De eerste keer nadat we vernamen dat er wolven zijn gemeld. De tweede keer werpt Risjaar zich met zijn kompanen op Warwick. Ze doden hem niet alleen, maar doen zich als bloeddorstige wolven ook tegoed aan zijn lijk. Maar daarna leeft Warwick toch weer.

Het doodsthema spookt zo door de voorstelling: Ook in de spelonk van het droogdok zien we in de verte verschillende spelers sterven om weer op te staan en dan nogmaals afgemaakt te worden. Door die herhaling verliezen de spelers hun persoonlijkheid. Hun dood raakt me steeds minder omdat ik op de duur alleen een soort poppen die in een droogdok rondwaren zie.

Als een overlijden een persoonlijk karakter krijgt, wordt ze in een formele vondst verpakt. Als een vrouw wordt onthoofd verschijnt er een violiste. Simultaan met de bewegingen van haat strijkstok glijdt het zwaard over de hals van het slachtoffer. Je kan het een vondst noemen, maar mij ontging wel wie wordt omgebracht, en waarom de actrice na de act met de strijkstok gewoon opstapt.

De structuur van het stuk begrijp je maar als je de oorspronkelijke tekst kent. Zo zien we Risjaar Anna verleiden. Of krijgen we heel laat in de voorstelling de dialoog tussen Risjaar en koningin Elizabeth, de moeder van zijn vele slachtoffers. Bij Shakespeare zijn dat scènes vol ironie. Hij drijft het cynisme ten top in het subtiele spel tussen verleiding, bedreiging en agressie. Hiet ontbreekt net die subtiliteit. Deze scenes vallen plat omdat ze geen context krijgen, en zo ook niet griezelig worden.

Zoals bekend: op het einde legt Risjaar het loodje en roept hij om zijn paard. Camping Sunset vertaalt dat in een mooi beeld: de spelers vormen dat paard. Dat draagt Risjaar weg. Maar deed niet juist het gemis van een paard hem de das om, denk je dan? Maar nu het ensemble iets moois bedacht heeft, moeten we dat paard er maar bijnemen.Daarna volgt een laatste beeld: alle spelers gaan op kisten liggen. Ze zijn dood, en even zie ik de bedoeling van de makers. Je kan dit als een lange dodendans beschouwen.

Maar de voorstelling kent heel wat gebreken. De spelers gebruiken de microfoon, maar toch staat zowat iedereen te roepen, alsof ze de immense ruimte willen overmeesteren. Plots zie ik erg ouderwets toneel. Het maakt me onverschillig, zodat geen enkele dood, geen enkele moord mij ook maar in de geringste mate treft. Risjaar Modderfokker lijkt hier ook vooral de leider van een luidruchtige bende straatvechters. Dat is erg weinig als interpretatie.

Dit derde deel van ‘Ten Oorlog’ is zo een optelsom van een weerspannige locatie, slecht acteren, en onduidelijke handelingen. Je kan het concepttheater noemen, maar dan de slechte versie ervan. Als ik mijn gedachten nog even over de voorstelling laat gaan blijft er slechts dit over: spelers die links en rechts met moeite een wand afdalen. Het resultaat: een voorstelling die mij koud laat. Zowel Shakespeare als Lanoye verdienen beter.

Het is een ronduit ontgoochelende afsluiting van deze trilogie. Gezien dit gezelschap zweert bij een korte repetitietijd en nadien blijft sleutelen aan een voorstelling, voor het oog van het publiek, zal er nog wel wat veranderen. Maar of dat goed komt, betwijfel ik. Vraag is: hoe komt het dat deze voorstelling het peil van de eerste twee delen niet haalt? Qua bezetting ontbreken hier in elk geval de sterhouders van het ensemble. We zien, oneerbiedig uitgedrukt, een B-ploeg aan het werk.

De trilogie blijkt zo erg wisselend van kwaliteit. De eerste aflevering in Gent was op dat punt heel gemengd. In het tweede deel vond Camping Sunset wel zijn draai, met tenminste één schitterend bedrijf. In het derde deel gaan ze een experimentele kant op die ik, helaas, weinig kan smaken. Een les is zeker dat de keuze van de locaties een belangrijke rol speelt in lukken en mislukken.

Beschikbaar voor iedereen, gefinancierd door lezers en organisaties.
Steun pzazz met een abonnement.

Abonneren