Toneel

Dochters van ondernemers Arsenaal/Lazarus

Toen was hard werken heel gewoon

Op bouwwerven hoor je tegenwoordig vooral Bulgaars of Pools. De buurtsuperette werd een nachtwinkel waar een Nepalees de dienst uitmaakt. Slechts weinig Vlamingen wagen zich nog aan zo’n bestaan als ‘kleine zelfstandige’. Maar niet eens zo lang geleden bloeiden familiebedrijven in Vlaanderen volop. In ‘Dochters van ondernemers’ vertellen vijf actrices over hun kindertijd in zo’n bedrijf. Een sociologische schets met een onmiskenbaar vleugje melancholie. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Dochters van ondernemers
Pieter T’Jonck De Grote Post Oostende
TAZ 2019
meer info
01 augustus 2019

Vijf jonge vrouwen zetten parmantig, op een rijtje achter elkaar, stapjes vooruit als would-be linedancers. Ze draaien een halve slag en kijken het publiek recht aan. De middelste, Julie Delrue, pakt een microfoon om in plat West-Vlaams te rappen. Maar ze heeft het niet over bling-bling of seks, wel over hard werken. Altijd maar voortjakkeren. ‘Weerdje, hoastje’, in het West-Vlaams.

De woorden katapulteren je terug naar een niet eens zo lang vervlogen tijd waarin de ‘hardwerkende Vlaming’ nog geen politieke mythe, maar dagelijkse realiteit was. De naoorlogse periode toen ‘kleine zelfstandigen’ door hard aanpoten fortuin konden maken in een of ander ambacht, zonder al te veel hinder van reglementen en controles, zonder dat iemand om diploma’s vroeg. Je begon er gewoon aan, en je deed ermee door, desnoods tot je erbij neerviel.

De vijf actrices komen uit zo’ n nest. Leen Degraeve en Annelore Crollet groeiden op in een tuinbouwbedrijf. Julie Delrue’ s ouders waren huisschilders en die van Karlien Torfs aannemer. Nathalie Goossens’ moeder dreef een lingeriezaak. Dat is de enige zaak die nog bestaat trouwens. Het ene tuinbouwbedrijf ging over kop door misoogsten, het andere werd opgedoekt voor het zover kwam. Ook het schildersbedrijf ging bankroet. De ouders van Karlien Torfs verging het (veel) beter, maar ook zij legden er het bijltje bij neer toen er steeds meer papierwerk, en steeds minder ‘echt’ werk, aan de aannemerij te pas kwam.

De vijf vrouwen deden nogal wat research voor dit stuk, maar het gros van de scènes is toch vooral gebaseerd op hun eigen beleving. Zonder uitzondering voelden ze als kind al dat hun gezin anders was dan de andere. Voor hun ouders ging het werk altijd voor. De kinderen werden zo’n beetje aan hun lot overgelaten, of moesten geregeld inspringen als er een bestelwagen uitgeladen moest worden of het huis opgeruimd voor een klant die op bezoek kwam.

Maar daarover klagen ze niet, want zo hadden ze ook meer vrijheid dan andere kinderen. In hun herinnering leefden ze bovendien in een wereld vol bijzondere geuren en kleuren en wonderlijke raadsels. Ze konden in de serres door de warme aarde stappen of spelen in een heel grote tuin. Het huiskantoor was een grot van Ali Baba, met gekleurd papier, of een kopieerapparaat -toen nog een rariteit-.

Eigenlijk had alle bedrijvigheid die ze om zich heen zagen iets van een mysterie, want hun ouders lieten er weinig over los, zeker niet als het slecht ging. Hoogstens prentten ze de kinderen een gedragscode in: ‘spreek niet over dit of dat, zorg dat je met iedereen bevriend bent, vertel niets over die nieuwe veranda die we bouwden…’.

Het ging de ouders niet echt om het geld, wel om een soort dadendrang. Ze wilden ‘iets’ te realiseren. 

Een ding begrijp je als kijker snel: het ging de ouders niet echt om het geld, wel om een soort dadendrang. Ze wilden ‘iets’ te realiseren. Ze wilden geen ‘veilige job’ als ambtenaar, dokter of advocaat. Ze hadden er wellicht niet eens de kennis voor. Het waren praktische mensen die wilden bouwen, planten telen, handel drijven. Daarvoor moest alles wijken. Als dat dan, door veranderingen in de economie, in drie gevallen spaak liep rond het einde van de vorige eeuw, brak dat hun hart.

De verhalen van de vijf actrices passeren na elkaar de revue. Doorgaans zijn ze vrolijk van toon, zelfs als het gaat om de schaamtegevoelens rond een bankroet. Dat past ook helemaal bij de spirit van hun ouders. ‘Het moet positief blijven’ is niet toevallig de laatste zin van de voorstelling.

Als bitterheid toch de kop opsteekt, dan is het vaak om een andere reden. Karlien Torfs bekent bijvoorbeeld dat het haar als actrice niet lukt om het helse werkritme van haar ouders te evenaren. De ‘work-life balance’ speelt haar parten. ’s Ochtends lesgeven, ’s middags repeteren, ’s avonds spelen en ’s nachts nog een tekst in elkaar draaien, ze wil wel, maar het lukt haar niet. Alsof ze onder posttraumatische stress van jaren hectische arbeid leefde.

Plots besef je dat haar ouders maar zo hard konden doorgaan, omdat ze ‘resultaat’ boekten. Kom daar maar eens om in een diensteneconomie die alles onvatbaar en immaterieel maakt, met het getal op je bankrekening als enige kompas.

Dat verschil tussen de immateriële diensteneconomie en een concreet ambacht duikt ook op bij Nathalie Goossens. Goossens kruipt in de huid van haar moeder op een dag dat het haar zo zwaar te moede is dat ze de winkel sluit. Ze vraagt haar moeder of de winkel alle opofferingen nog waard is. Het antwoord heeft iets ontroerends: de moeder toont, met het publiek als getuige, dat ze haar waardigheid en zelfrespect nog steeds ontleent aan haar vermogen om al haar klanten gelukkig te maken. ‘De winkel, dat ben ik’.

De actrices zijn echter niet blind voor de gebreken van het familiebedrijf. Leen de Graeve kaart bijvoorbeeld het probleem aan dat de echtgenotes vaak de klos waren. Ze sloofden zich een leven lang uit als ‘meewerkende echtgenote’ om op het einde van de rit, als het bedrijf te gronde ging, achter te blijven zonder sociale rechten of pensioen. En dat enkel en alleen omdat hun echtgenoot het overbodig vond om hen vennoot te maken. Zo’n wantoestanden zijn vandaag uitgesloten, maar het werpt wel een schril licht op de archaïsche patriarchale structuur van familiebedrijven.

‘Dochters van ondernemers’ levert zo een genuanceerd portret op van de stilaan verdwenen wereld van ‘kleine zelfstandigen’. Het is documentair theater, dat vooral boeit doordat de actrices overduidelijk weten waarover ze spreken. Ze schetsen een kleurrijke wereld, die in niets lijkt op de huidige maatschappij van nullen, eentjes en eindeloze zelfbespiegeling. Dat geeft het stuk ook een melancholische ondertoon.

Helemaal overtuigen doet de voorstelling nochtans niet, maar dat ligt minder aan de verhalen of het spel van de actrices, dan aan de nogal gezochte inkleding van regisseur Lizzy Timmers. Ze lijmt de verhalen aan elkaar met allerlei dansjes, alsof je naar een revue keek. Daarbovenop komt een decor van rollende, half doorschijnende kamerschermen, waar je op het einde een tuinbouwserre in kan herkennen. Het zijn eerder gadgets: ze suggereren een dramaturgische lijn maar staan die vaker wel dan niet in de weg , omdat ze afleiden van de verhalen in plaats van ze te duiden. Maar die verhalen zelf blijven wel hangen…