Toneel / Dans / Muziektheater

Kind Peeping Tom

De tragedie van kinderverdriet

‘Kind’ is na ‘Vader’ en ‘Moeder’ het derde deel in de familietrilogie van Peeping Tom. Eurudike De Beul speelt een glansrol in dit stuk dat toont hoe klein kinderverdriet een grote tragedie kan worden als niemand naar dat kind omkijkt. Je herkent in dit stuk de surrealistische signatuur van het ensemble, maar door de psychologische finesse stijgt het boven de vorige delen uit. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Kind
Pieter T’Jonck KVS Brussel meer info
18 oktober 2019

Het scènebeeld van ‘Kind’, een creatie van Justine Bougerol en Peeping Tom, is weergaloos. Een hoge rotspartij links, met diepe scheuren, een heus dennenbos rechts en een gloeiende zon in de achtergrond roepen overtuigend een wild natuurlandschap op.

De voorstelling opent met een soort ‘tableau vivant’ in dat landschap: mensen in witte pakken, met stofmaskers op, turen er naar een reusachtig opgetakeld rotsblok. Een van hen steekt zijn rode handschoenen er naar uit, als om het te begeleiden terwijl het neer zakt.

Dit ene beeld loopt al meteen vol details, zoals die ene persoon die stof, als sneeuwvlokjes over een landschapsschilderijtje uitstrooit. Maar dan gebeurt precies waar je al voor vreesde: het rotsblok stort naar beneden en verplettert de man met de rode handschoenen net niet.

Dat ongeval doet zich voor net nadat een vrouw op een kinderfiets letterlijk door het tafereel fietste. Eurudike De Beul speelt hier de rol van haar leven. Ze is onmiskenbaar ouder dan 50, maar toch aanvaard je moeiteloos dat ze een heel jong kind is.

Dat ligt minder aan het fietsje, en ook niet aan haar vlechtjes of te korte rokje. Het heeft iets te maken met haar manier van er te zijn. Ze lijkt zich voortdurend te verbazen over wat ze ontdekt terwijl ze op haar eentje nieuwsgierig rond koerst. Een oordeel lijkt ze nooit te hebben, waardoor ze zich vaak half-onschuldig, half venijnig of wreed laat meeslepen door de gebeurtenissen om haar heen.

Dat rotsblok bijvoorbeeld: je vraagt je later in het stuk wel vaker af of de scène die je zag zich niet enkel in de verbeelding van het kind afspeelde. Dat zij het blok dus liet neer komen. Gewoon uit nieuwsgierigheid, om te zien wat er zou gebeuren.

Dit kind, dat luistert naar De Beuls eigen naam, beleeft wel één en ander. Ze vindt een hertje, en botst op een mannequin (Maria Carolina Vieira) die tot leven komt als ze de plastic beschermhoes wegtrekt. Een spektakel van je welste: de pop ontpopt zich tot een heruitgave van een uitzinnige Janis Joplin.

Het kleine kinderverdriet krijgt plots epische dimensies

Na haar komt ook een tweede pop tot leven. Een minder appetijtelijke verschijning: een man (Brandon Lagaert) met een geweer en donkere brillenglazen die zijn ogen verstoppen. De Beul moet er niets van hebben en loopt weg. Toch klopt er iets niet aan deze figuur. Hoe vervaarlijk hij ook lijkt, hij begint net als De Beul een potje te huilen over het hertje dat ondertussen gestorven is.

Die sentimentaliteit staat haaks op het gedrag dat hij daarna vertoont. Om niets knalt hij iedereen die in zijn buurt komt af, te beginnen bij een weerloze Aziatische vrouw (Yi-Chun Liu) die de weg vraagt. Hij brengt ook De Beul -is het zijn dochter?- bij hoe je mensen overhoop schiet, tot het ‘kind’ er een kwaadaardig plezier in schept de vrouw als een voddenbaal te doorzeven. Ook Vieira -de moeder van het kind misschien?- lijkt later maar niet genoeg te krijgen van moordpartijen.

Zo sluipt er een grimmige toon in het stuk, die bevestigd wordt door de kwaadwillige manier waarop Lagaert en Vieira omgaan met twee ouders (Liu en Hun-Mok Jung) die met hun kind (een echt kind in dit geval, een figurantenrol) schuilen in een iglo tentje.

Een onvergetelijk moment biedt alvast één sleutel om dit surrealistische verhaal te vatten. Als Lagaert weer eens een slachtoffer, in dat geval Jung, voor de loop van zijn geweer heeft, schept hij er duidelijk genoegen in hem naar zijn pijpen te laten dansen. Daarbij zie je hem schaapachtig, half ongelovig grinniken, alsof hij zelf niet gelooft dat hij zoveel macht kan uitoefenen. Hij beseft duidelijk niet hoe traumatiserend dat moet zijn voor zijn slachtoffer. Anders gezegd: moreel is hij een kind, ondanks zijn grote lijf.

De hele verdere voorstelling bevestigt wat je hier heel duidelijk herkent: de vreemde streken van de dochter komen voort uit de nog vreemdere streken van de vader en moeder. Ze weten het ‘kind’ niet aan te sturen, omdat ze zichzelf niet eens kunnen aansturen. Er is geen echte zorg, zodat het kind zich in zijn eentje verliest in nogal gruwelijke fantasieën.

De allerlaatste scène bevestigt dat ten overvloede. Het ‘kind’ merkt dat haar fietsje stuk is en roept om haar papa. Eerst klagend, dan brutaal. Niet dat het helpt. Ze druipt af , maar net voor ze verdwijnt in een rotsspleet zegt ze een paar keer zachtjes haar naam. Eurudike De Beul. Als er geen reactie volgt, brult ze die naam daarna met grote woede. Het gekwetste kind en… welja, de beul, in één persoon.

De regisseurs van Peeping Tom, Franck Chartier en Gabriela Carrizo, leven zich ongebreideld uit in de verbeelding van de wereld van dit ‘kind’, met onder meer een mooie rol van verwilderde vrouw voor Marie Gyselbrecht. Het zou echter te jammer zijn om dat hier allemaal al te verklappen. Maar als er iets is wat je toch moet weten, dan wel dit: op kantelmomenten in de voorstelling heft De beul een aria van Glück of Wagner aan. Op die momenten krijgt het kleine kinderverdriet plots epische dimensies. Het kleine verhaal wordt plots een grote tragedie. Dat is bijzonder.