Toneel

Melancholia. Ivanov is dood! Leve Ivanov! De Roovers

De Roovers in schapenvacht

Tsjechov waagde zich in 1887 aan zijn eerste toneelstuk. Hij schreef 'Ivanov' in tien dagen. Maar net zoals de hoofdfiguur is ook de schrijver niet tevreden over zijn verwezenlijkingen. Tsjechov twijfelt en schrapt. Moet het relaas van de gedesillusioneerde Ivanov een komedie of een drama zijn? De Roovers kiezen in 'Melancholia. Ivanov is dood! Leve Ivanov!' voor een middenweg. Ze zijn uitbundig en absurd, dan weer stil. In het komische schuilt iets tragisch, en andersom. Het is een eeuwenoud bondgenootschap en dat weten de Roovers goed. 

Uitgelicht door Lotte Ogiers
Melancholia. Ivanov is dood! Leve Ivanov!
Lotte Ogiers Monty, Antwerpen meer info
20 oktober 2019

Twee generaties staan op het podium. Jong en oud. Onder hun voeten een tapijt van schapenvellen. Soms wikkelen of verstoppen de acteurs zich daarin, dan weer wordt al die zachtheid hen te veel en moet alles kapot. De vraag luidt: hebben de Roovers zich helemaal overgegeven aan de tragiek van het menselijke lot? Of schrijven ze de neiging tot melancholie toe aan onze moderne maatschappij?

Robby Cleiren speelt Ivanov zoals Tsjechov hem bedoeld moet hebben: een man die passief is, een eeuwige twijfelaar die moe wordt van zichzelf, een man die egocentrisch werd door zijn depressie. Alleen hij bestaat. Wanneer zijn vrouw Anna (Sofie Sente) de longen uit haar lijf hoest, lijkt hij haar amper te horen. Sofie Sente speelt het komisch. Ze ligt plat op de grond, beweegt enkel haar hoofd om naar adem te happen en te hoesten.

De romantische, jonge dokter Lvov, een rol van Timo Sterckx, staat haar bij. Hij kan niet begrijpen dat ze zich inlaat met mensen die zo zielloos zijn. Als enige verwijt hij Ivanov een roofdier te zijn, een wolf in schapenvacht. Hij gelooft (nog) niet dat het leven ook zonder grote mislukkingen zwaar kan wegen.

Lichtheid schuilt daarentegen in de personages van Vincent Van Sande, Sara De Bosschere en Günter Lesage. Van Sande zet in de figuur van Borkin een arrogante goedzak neer. Günter Lesage is de nihilistische geldschieter Lebjedev. Sara De Bosschere speelt een dubbelrol. Soms is ze de zeurende en zwartgallige Graaf Sjabelski, dan weer de over-the-top Babakina die houdt van oesters. Grappig is dat die twee in het stuk een relatie hebben met elkaar, of daar toch toe neigen. De Bosschere wisselt haar ronde zonnebril in voor een blauwe pruik die ze met grote bewegingen over haar hoofd zwiert. De tegensteling tussen de zwaarte van het gezeur en nietszeggend gekwebbel komt zo mooi tot uiting. Het leven als een schizofrene droom zonder einde. 

Toch is er een einde. Dat voelt iedereen en dat werkt verstikkend. ‘Ik heb geen kanker, ik wil naar zee!’ roept Anna tegen Ivanov. Het is tragisch, haar man die nu al zijn leven moe is, en zij die nog één keer de zee wil zien, dansen, kussen zoals vroeger. Of naar Moskou gaan, de stad waar alle personages van Tsjechov naar verlangen. Je herkent de thematiek die ook in ‘De drie zusters’ aanwezig is. Wat doen we met onze moderne verveling wanneer we tijd krijgen voor andere dingen dan werken? Wie worden we dan, als de keuze bij onszelf ligt?

Zoals Anna haar leven letterlijk verliest, zo verliest Ivanov de zingeving ervan die onze geest ons schenkt. Hij is de liefde ergens onderweg kwijtgeraakt en hij begrijpt het zelf niet. ‘Ik ben mezelf niet. Ik begrijp het niet. Ik begrijp het niet,’ horen we hem vaak zeggen. Zelfs wanneer hij verliefd wordt op Sasja (Jolien Janssens), de jonge dochter van Lebjedev, kan hij zich niet onttrekken aan de zwaarte van zijn gemoed.

Jolien Janssens besluipt Robby Cleiren stil. Hij is  haar prooi. Heel even heeft ze beet en wordt Ivanov verleid door haar jeugdige naïviteit. Hij speelt mee, geeft zich zelfs over, maar nog sneller is hij weer de oude man die moet gaan zitten en zich afvraagt wie hij geworden is. ‘Ik heb me overtild,’ geeft hij aan het publiek toe.

Ivanov toont zich altijd naakt. Hij doet niet aan verhulling.

In het theater worden rollen gespeeld, maskers opgezet, andere kleren omgedaan. Ivanov toont zich daarentegen altijd naakt, hij doet niet aan verhulling. Hij kan en wil zijn ware aard niet meer verstoppen.  De Roovers spelen met dat gegeven van verkleden, verhullen en onthullen. Sara De Bosschere toont bijvoorbeeld heel duidelijk wanneer ze een ander personage wordt. Als Graaf Sjabelski verstopt ze zich achter een zonnebril.

Het tapijt van schapenvellen heeft alles te maken met maskeren en ontmaskeren als we aan het spreekwoord ‘een wolf in schaapsvacht’ denken. Nu liggen die vachten op een hoop. Hebben alle personages zich eindelijk uitgekleed en staan ze naakt voor ons? Durven ze toegeven dat ze het allemaal niet meer begrijpen?

Waar Ivanov zichzelf te vaak onthult als depressieve man, blijven Borkin en Lebjedev personages met weinig introspectie. Ze lachen moeilijkheden weg, praten liever over andere mensen dan over zichzelf. Ze zetten liever hun masker op. Wanneer Lebjedev een feest geeft, is iedereen gemaskerd aanwezig. Scenograaf Stef Stessel maakt van het feest een ware dodendans. De lichten gaan uit, de schapenvellen krijgen een warme gloed. In deze dansscène slagen de Roovers erin om het tragische op te roepen in iets wat als feest bedoeld was.

De moderne vervreemding schuilt in de enscenering. We kijken naar een ezel, een hond, en glittermaskers. De harde beat en het dansen worden afgewisseld met holle uitspraken en geroddel van de personages, dan staan ze stil. Alsof ze begrijpen dat leven plots meer is dan alleen maar bewogen worden. Zelf richting kiezen is moeilijk. De beat tikt nog in de volgde scène door. Een klok die aangeeft dat alles voortschrijdt, een alarm dat aangeeft om op te passen.

Alleen tijdens het sterven, komt de ware aard van de personages naar boven. De sterfscène van Anna is in al haar eenvoud zeer theatraal. Sofie Sente plaatst haar zilveren schoenen op het witte tapijt, gaat ervoor staan en maakt een lichte buiging wanneer de spot boven haar hoofd dooft. De dood van Anna betekent het einde van het spel voor actrice Sofie Sente. Zowel het personage als de actrice tonen wie ze zijn in die buiging. De één sterft, de ander speelt een spel en zet haar leven verder.

De hedendaagse samenleving is aanwezig in het beeld, maar wanneer de Roovers daar bredere uitspraken over trachten te doen, komen ze niet veel verder dan absurdistische uitspraken die refereren naar vandaag. Ze hebben het over lenen vandaag en terugbetalen in het hiernamaals, of laten Lebjedev roepen dat hij het allemaal niet meer snapt. Luchtige vondsten die iets aanstippen, maar ook snel verdampen. Dat is het gevaar van absurde vondsten: ze overvallen je maar laten geen sporen na. Ze genereren geen betekenis. Er is geen betekenis, dat is de boodschap.

In de scène na het feest lezen Lebjedev, Borkin, Graaf Sjabelski krantenkoppen voor. Het gaat over lege huizen, kale hoofden, mooi van ver. Het blijft bij een schets, er volgt geen commentaar, geen verklaring waarom Ivanov geworden is wie hij is. Melancholie is hier tijdloos. Deze enscenering lijkt te zeggen dat dit Ivanovs lotsbestemming, ongeacht of je het stuk in het verleden of het heden situeert. De personages blijven binnen het kader dat Tsjechov uittekende. Hoewel in dat niet-begrijpen meteen ook de tragiek schuilt, had het geheel van de Roovers kracht gewonnen als ze de hedendaagse context scherper uitgetekend hadden. De ratrace zoals ze het zelf noemen.

Misschien is de eindscène wel exemplarisch voor het hele stuk. Zowat een jaar na Anna’s dood treffen Ivanov en Sasja voorbereidingen om te huwen. Hoewel de jonge Sasja verlangde naar ‘een strevende liefde’, maakt Ivanov er een kwelling van. Ook de jeugd raakt haar vertrouwen kwijt. De personages zijn eenzamer dan ooit. De trouwpartij van Sasja en Ivanov mondt uit in een vechtpartij. De schapenvellen worden vuistslagen. Toch kaapt niet Ivanov, maar Lou Reed het slotmoment. ‘It might be nice to dissapear,’ zingt hij. Het lied is te mooi. Niemand kijkt nog naar wat er in de schaduw gebeurt. Misschien is dat de bedoeling, stil verdwijnen, snel weg zijn, niet meer omkijken. Of misschien bleven de Roovers altijd een beetje in de schaduw en konden ze hun schapenvacht nooit echt afwerpen om te tonen wat onderhuids leeft bij hen.