Toneel / Muziektheater / Performance

Let us believe in the beginning of the cold season Sachli Gholamizad

Identiteit en verleiding

Wie zich verlaat op het interview met Sachli Gholamizad, een in Iran geboren maar in België opgegroeide actrice, in het programmaboekje van haar nieuwe voorstelling ‘Let us believe in the beginning of the cold season’ verwacht niets minder dan een kleine omwenteling in onze culturele categorieën. De werkelijkheid van de voorstelling is prozaïscher, en navelstaarderig ook.

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Let us believe in the beginning of the cold season
Pieter T’Jonck Kunstenfestivaldesarts
KVS Box Brussel
meer info
13 mei 2019

‘Let us believe…’ speelt zich af in en tussen een mobiele constructie van stellingbuizen waartegen enkele beeldschermen en lichtstrips gemonteerd zijn. Die beeldschermen tonen beelden van dat stellingwerk, maar dan binnenin de constructie. David Conix bedacht zo een vernuftig, maar ook wat narcistisch podiumbeeld. Het kijkt naar zijn eigen spiegelbeeld. 

Gholamizad zelf zie je aanvankelijk nauwelijks. Ze hangt rond tussen de buizen, en laat vooral via de camera’s af en toe een glimp van (delen van) haar gezicht op de schermen zien. Dan begint ze een gesprek met haar moeder, die alleen als videobeeld aanwezig is. De schermen tonen ook haar gezicht  zelden volledig. Vaak zie je alleen een oog of de mond. Een intrigerend montage-effect, maar wat het betekent wordt nooit duidelijk.

Moeder en dochter hebben het over de tijd toen de moeder nog verhaaltjes voorlas, of later, toen ze uit Iran vertrokken waren, ter plekke verzon. Pas dan komt Gholamizad naar voor. Ze legt uit dat Iraanse verhalen altijd beginnen met de spreuk: Yeki Bud, yeki nabud wat zoveel betekent als ‘Er was iemand en er was niemand’ of nog ‘Het is waar en het is niet waar’. Meteen vertelt ze er ook zelf eentje, over de vogels die een nieuwe koning, of  Monarch in Gholamizads woorden, zoeken.

Een vogel beweert dat de ware koning Simorgh in een verafgelegen Paleis leeft. Om dat te bereiken moeten de vogels zeven valleien, genaamd naar de liefde, de kennis, de tevredenheid etc. door trekken om ten koste van veel ontberingen de vallei van 'het absolute niets' te bereiken. Maar weinig vogels durven het aan, en nog veel minder, een dertigtal, bereiken het doel. Eens aangekomen merken ze echter dat het Paleis leeg is. Zo dringt het besef tot hen door dat ze zelf, als groep, de Simorgh zijn.

Geen idee of deze coming of age parabel een echt Iraans sprookje is of een verzinsel van de actrice. Het vormt wel de rode draad in de voorstelling, omdat ze het in schuifjes, tussen andere scènes door vertelt. Maar het gaat wel steeds meer over haar persoonlijke groei, tegen klippen en bergen op.

Zo leer je meer over haar in verdere gesprekken via het scherm met haar moeder. Ze probeert haar bijvoorbeeld Nederlands bij te brengen. Dat is mooi: je ziet hoe een gebrekkige taalkennis de vrouw isoleert. De irritatie die soms in de lucht hangt zegt ook iets over de gespletenheid van een kind dat in twee werelden -thuis en op school- opgroeit, wellicht met heel wat taalproblemen als gevolg.

Gholamizad beweert later dat ze om die reden zelf liever Engels spreekt. Niemand verwacht dat ze die taal tot in de puntjes beheerst, terwijl Belgen haar voor fouten tegen het Nederlands steevast op de vingers tikken. Zo voelt ze het voor haar toch aan.

Het is maar een opstapje naar meer verongelijktheid. Belgen -en de rest van de wereld- leggen haar ook altijd een bepaald vrouwbeeld op, waar ze zich niet naar wil plooien. Zo zet ze meteen de stap naar haar rolmodellen: de Iraanse popdiva Googoosh en vooral de vroeg gestorven dichteres en cineaste Forough Farrokhzad. De titel van het stuk is trouwens ontleend aan één van haar gedichten.

Farrokhzad’s worsteling met de liefde en haar bespiegelingen over leven en dood voeren naar de apotheose. Met een geborduurd bloedend hart voor haar schoot stapt Gholamizad naar voor om met de allures en de gestiek van een popdiva over die thema’s te zingen.

Dit is het soort voorstelling die er erg goed uitziet, en je op sleeptouw neemt door een fijne dreun, een suggestieve rookwolk en slimme videobeelden. Toch begon de twijfel al snel te knagen. Wat wil Gholamizad nu eigenlijk kwijt? Ze spreekt, dat pepert ze ons toch in, uit persoonlijke naam. Dit is haar hartenkreet.

Maar waarom kiest ze het podium om dat te vertellen? Dat ze geen doetje is, dat het lastig was om als kind van Iraanse emigranten een plek te veroveren in België, ik neem het grif aan. Maar veel meer kom ik niet te weten. Ze stelt het gewoon, zonder het te onderbouwen, op de paar snippers conversatie met haar moeder na. Ze wrijft je vooral tegelwijsheden onder de neus als ‘Je kan als vrouw niet ontsnappen aan je vrouw-zijn’. Niet bepaald nieuws in 2019, zonder een verhaal dat je daar een specifieke blik op biedt. Dat is wat theater doet. Een drama specifiek maken. Dat vertikt Gholamizad.

Dat ergert. Zo begin je er op te letten dat de voorstelling bol staat van paradoxen. Gholamizad maakt net iets te veel en te handig gebruik van de buizenstellingen, beeldschermen en camera’s om mysterieus te verschijnen en verdwijnen, te verrassen en betoveren. Haar ogen hier, haar mond daar, haar lichaam als een schim in de achtergrond moeten je allemaal nieuwsgierig maken naar haar persoon (en dus niet: haar verhaal of drama).

Je ziet Gholamizad op de schermen pas ‘helemaal’ als ze twee stellingen zo verschuift dat de beeldschermen ineen passen en haar gezicht volledig, of toch bijna, weergeven. Het is een verleidingstactiek ontleend aan video tubes, die haaks staat op haar stoere praat over vrouw zijn. Maar hier zoeft het onder de vlag van de queeste naar ‘identiteit’ vrolijk onder de radar door.

Maar als het dan toch over vrouwelijke sterkte of identiteit zou gaan, ondanks al die verleiding, dan is die wel van strikt Westerse, hedendaagse, zeg maar Amerikaanse snit. Met haar stoere boots, leggings en kekke body suit straalt Gholamizad girl power à la Béyoncé uit. Ook de esthetiek en symboliek van het slotbeeld zijn direct afgeleid van de Amerikaanse popcultuur.

Maar hoe zit dat dan met dat verhaal over Iraanse roots en bevrijde vrouwen? Kan je zomaar een Iraanse dichteres kapen voor een Beyoncé show? Zou de boodschap even vlot binnen komen als  een minder aantrekkelijke vrouw in chador haar verhaal deed? Het zijn hier niet te beslissen kwesties.

Waar mijn klomp echt van brak is het sprookje van de vogels. Misschien begreep ik het niet goed, maar mij lijkt deze fabel een banaal pleidooi voor neoliberale meritocratie, een pleidooi om jezelf tot een succesproject te maken. Slogantaal, verpakt als sprookje. Walt Disney quoi. Westerser kan het niet.

Vervelen doet dit stuk niet, maar dat maakt het net zo vervelend. Gholamizad doet alsof ze vragen stelt maar strooit alleen zand in de ogen. Zo vervuilt ze een complexe discussie door in de vorm voortdurend de veronderstelde ‘inhoud’ te usurperen. De voorstelling is even narcistisch als het decor waarin ze zich afspeelt.