Opera

Le Nozze di Figaro De Munt / Le Lab / Antonello Manacorda

Mozart en Da Ponte op bezoek in een Brussels flatgebouw

In de Munt loopt een ongewoon experiment: op één week tijd kan je er de drie opera's meemaken die Wolfgang Amadeus Mozart en zijn librettist Lorenzo da Ponte samen schreven. We volgen het hier op de voet. Johan Thielemans bijt de spits af met de eerste 'aflevering' van deze serie: 'Le Nozze di Figaro'. Daarin komt graaf Almaviva in nauwe schoentjes te staan door een 'Me too' schandaal. 

Uitgelicht door Johan Thielemans
Le Nozze di Figaro
Johan Thielemans De Munt, Brussel meer info
20 februari 2020

Dit groot Mozart evenement is ontstaan uit gesprekken  van Peter De Caluwé, de directeur van de Munt,  en de Franse regisseurs Jean Philippe Clarac en Olivier Deloeuil ( samen Le Lab uit Bordeaux). Mozart schreef zijn beste opera’s toen hij samenwerkte met de Venetiaan Lorenzo da Ponte. Als je de drie werken die ze schreven, naast elkaar legt, zo vonden de bedenkers , dan heb je een trilogie met een web aan  thema’s. Het zou straf zijn als die drie opera’s in één week tijd konden worden opgevoerd.  Maar met de medewerking van de Italiaanse dirigent Antonello Manacorda en de Engelsman  Ben Glassberg moest dat lukken.

Om de drie opera’s te bundelden was de enige technische oplossing een eenheidsdecor met vele mogelijkheden. Zo kwamen ze uit bij een appartementsgebouw waar alle personages wonen. Daar de regisseurs heel sterk inzetten op het updaten van de stof én haar verankering in de plek waar de trilogie wordt opgevoerd, spelen de drie verhalen zich af in Brussel. Daarom maakten ze opnames van Brusselse straten voor de video tussenkomsten . Wanneer de trilogie naar de coproducent Palermo vertrekt, zal daar Brussel vervangen worden door beelden uit de Siciliaanse hoofdstad.

Ze moesten wel heel overtuigend zijn, want voor hun project hadden ze niet alleen dirigenten nodig maar ook zangers, die op een paar dage tijd de verschillende veeleisende partituren zouden vertolken. Of deze ambitieuze onderneming zal slagen, zullen we pas weten na de derde opera. Hier gaat het alvast over de kwaliteiten van de eerste aflevering'.

We bevinden ons in een modernistisch gebouw van enkele etages hoog, en voorzien van een wenteltrap en bordestrap .Een echt huis is het niet, eerder een spektakeldoos, gemonteerd op een draaitoneel. Er zijn zovele kamers en ruimtes dat bij elke kwartslag er voor de toeschouwer  een nieuwe verrassing te wachten staat. Zo zien we een (beperkt) fitness centrum, een badkamer, een louche nachtclub, een kantoor, een slaapkamer, een boekwinkel met prikkelende lectuur. .

De personages  zijn vanzelfsprekend hedendaags. Dit concept trekt de structuur van het verhaal open. Het is ingenieus maar op bepaalde ogenblikken leidt het tot wat onhandige oplossingen. Bijvoorbeeld op het einde van het tweede bedrijf, als de jonge Cherubino ( schitterend gezongen en geacteerd door Ginger Costa-Jackson in een Hosenrolle met hedendaagse invulling) uit het raam moet springen. De regisseurs suggereren dat dit in volle zicht vanop een balkon zal gebeuren, maar op die hoogte is dat te gevaarlijk. Daarom sluiten ze een compromis: we zien Cherubino alleen een – belangrijk- briefje naar beneden gooien, maar dan sluipt hij als het ware weg. Geen schitterende oplossing. Het decor werkt het minst in het laatste bedrijf. Het concept zit dan aan zijn grens. Dat komt omdat bij Mozart zich alles afspeelt in een tuin met geheime plekjes. Hier blijft alles vrij onduidelijk in het appartement gevangen. Vandaar dat het einde wat  warrig verteld wordt.

Theatraal speelt de actie zich af in een aantal beperkte ruimtes : vooral de eerste verdieping wordt een centrale plek. Maar dat dwingt de zangers om op een paar vierkante meter te spelen. Als groep staan ze dan wat knullig naast elkaar. De regisseurs hebben het verhaal van graaf Almaviva en zijn  jacht op de meid Susanna gezien als een voorloper van de 'me too' beweging. Die verbinding maken ze expliciet tijdens de korte scene in het eerste bedrijf, als het koor de lof van de graaf  komt zingen – één van de listen van zijn knecht Figaro. Hier komt het koor op met de 'me too' hesjes. De graaf begrijpt hun protest blijkbaar niet, want hij blijft zich wentelen in zijn  ijdelheid. Deze passage is doet het publiek wel monkelen , maar het doet ook geforceerd aan. De dwang om van deze tijd te zijn is hier weinig subtiel.

Le Lab koos voor een realistische acteerstijl. De cast voert dit voorbeeldig uit. De geloofwaardigheid van de personages staat centraal. De zangers  zijn  voortreffelijk. Björn Bürger als Almaviva  en  Alessio Arduini als Figaro vormen een uitstekend koppel, zowel toneelmatig als vocaal. De vrouwen spelen een belangrijke rol. Simona Saturova als  la Contessa di Almaviva is kwetsbaar als de bedrogen echtgenote.  Ze heeft een paar verstilde momenten met een mezza-voce  waar al haar ontgoocheling in doorklinkt. Ze is wel ondernemend om haar echtgenoot op zijn nummer te zetten. In deze versie verliest de Graaf volledig :  hij trekt zich eenzaam en uitgeteld terug op zijn bed, en zijn vrouw kijkt meewarig toe. De opera eindigt op de overwinning van de vrouw – al maakt haar dat niet gelukkig.

Het gaat  over sterke vrouwen, en dat zie je ook aan de Susana van Sophia Burgos, een vrouw die van wanten weet. De Cherubino van Ginger Costsa-Jackson vermeldden we reeds: zij is een straatjongen die alles met zijn  telefoon fotografeert, je ziet ze zo in de straten van Brussel lopen ( zelfs bij het groeten blijft ze volledig in haar rol van stoute jongen).

Er is een belangrijk ingrediënt dat we nog niet besproken hebben. Alle kamers hebben een achterwand die als beeldscherm wordt gebruikt. Daar strooit Le Lab een reeks beelden op. Die staan los van de actie. Ze zijn  flitsen van de andere ( nog komende) voorstellingen. Het leidt wel tot een overdaad aan visuele informatie. Zo zien we paaldanseressen ( Don Giovanni?) en Ginger Costa-Jakcson met een vreemd masker ( dat raadsel heb ik  nog niet opgelost. ).

Het is een vorm van intertekstualiteit . Zo proberen de regisseurs de drie verhalen  met elkaar te verbinden. Intrigerend zijn ook de tijden die we op het scherm geprojecteerd zien. Ze zeggen : om 13.30 bijvoorbeeld gebeurt hier en ginder wat, want de conventie is dat de drie verhalen zich op één en hier op dezelfde dag afspelen. Of deze draden leiden tot een organisch geheel, en of ze de actie verbreden en verrijken zal pas bij de laatste noten van Don Giovanni duidelijk moeten worden. En of ik dan nog zal weten wat er eerder om 13.30 is gebeurd , is erg twijfelachtig.

Het geheel wordt geleid door  Antonello Manacorda.  Hij is in de zaal duidelijk te zien, en zo kan je genieten  van zijn expressieve manier van dirigeren. Hij zet zeker in op tempo, vaart en contrast. Hij heeft evenveel aandacht voor het orkest als voor de zangers, zodat je kunt zien hoe hij een dialoog tussen orkest en zangers organiseert. Mozart vaart er wel bij. Hij houdt zich niet helemaal aan de tekst. Zo is er  de grote treur-aria van de gravin – eenzaam en gekwetst  – maar één frase wordt door een andere zangeres overgenomen ( we zullen later nog leren dat ze in 'Don Giovanni' een belangrijke rol speelt). Een zelfde ingreep gebeurt wanneer een dialoog omgewerkt wordt tot een discussie tussen een persoon ( Figaro) en een groep. Het zijn kleine ingrepen die je spontaan aanvaardt.

Er is ook veel blauw : daar kom ik nog op terug. Deze eerste aflevering maakt je nieuwsgierig naar het vervolg, want dan zullen we pas te weten komen of deze drie stukken een echte eenheid, een trilogie gaan vormen.