Opera

Der Schmied von Gent Opera Vlaanderen / Ersan Mondtag

Een kleurrijke schoen met een scherp steentje erin

‘Der Schmied von Gent, Grosse Zauberoper’ van Franz Schreker  uit 1932 mag dan onbekend zijn, de opvoering in Opera Vlaanderen blijkt een formidabele ontdekking. De voorstelling is niet alleen muzikaal genieten geblazen, ze is ook visueel opwindend en intellectueel fascinerend. Schreker baseerde zich op ’Smetse Smee’ van Charles De Coster. De ideologische positie van De Costers verhaal over de sluwe smid, een profiteur en handlanger van de duivel, is niet zo duidelijk. Regisseur Ersan Mondtag transformeert hem echter tot Leopold II. Zo maakt hij van een wervelende volkse komedie ook een verhaal over het Belgische koloniale verleden. 

Uitgelicht door Johan Thielemans
Der Schmied von Gent
Johan Thielemans Opera Antwerpen meer info
06 februari 2020

Zowel deze opera als het verhaal van De Coster waren mij, en wellicht velen met mij, geheel onbekend. Zo is er het verhaal van de smid die een contract sluit met de duivel. De Vlaamse schrijver Charles De Coster plaatste het verhaal in de periode dat Vlaanderen in Spaanse handen was. Zo verweefde hij een volksverhaal met een politieke boodschap. De Oostenrijkse componist Franz Schreker voelde zich vooral door het politieke aspect van het verhaal aangesproken. De Coster koos resoluut de kant van de Geuzen in dit sprookje over katholieken en protestanten. Schreker zag er materiaal in voor een populaire opera. Hij koos voor een directe muziektaal, die afweek van zijn avant-gardistische opera’s, zoals ‘Die Gezeichneten’.

Schreker paste diverse muziekstijlen toe. Hij schreef op ‘Klein Klein Kleuterke’ een nieuwe volkse melodie. Het geuzenlied ‘Sla op den Trommele’ komt ook een paar keer voorbij in bewerkte vorm. Maar hij ontleende aan de muziekgeschiedenis ook vormen als een fuga of een passacaglia. Hij laat het orkest dus baden in een levendige polyfone taal. Schreker blijkt ook vaak een wonderlijk orkestrator en schreef opwindende muziek voor het koor (én het kinderkoor).

Ondanks alle verwijzingen is dit een allesbehalve academische partituur. Schrekers dramatische talent stelt alles ten dienste van de ontwikkeling van het verhaal. De tekst of de situatie dicteren wat de muziek uitdrukt of reliëf geeft. Schreker geeft de zangers heerlijke muzikale lijnen te zingen, maar hij bewaakt de verstaanbaarheid voortdurend. Dat levert een spitante, kleurrijke partituur op.

Dat ontdek ik allemaal bij de Vlaamse Opera. Hoe komt het dan dat ik dit werk nu pas voor het eerst zie en hoor? Schreker schreef het stuk net voor de nazi-‘cultuuur’ toesloeg. Die deelde hem in bij de Entartete Kunst. Een vreemde gril van de geschiedenis: het naziregime wilde vele vormen van levende kunst gewoon uitbannen. Ook al raakte die ideologie in diskrediet, de nazicensuur deed veel werken definitief in de vergeetput van de geschiedenis belanden. Een pluim dus voor directeur Jan Vandenhouwe om het daaruit te redden, zodat we het kunnen ontdekken. Het is niet alleen goede muziek, deze ‘Schmied’ is inhoudelijk ook door en door Vlaams ( al hebben we dat aan een Oostenrijkse componist te danken.)

Het verhaal is simpel. Een smid uit Gent sluit een pact met de duivel, maar sluw als hij is, laat hij de duivel in het zand bijten. Bij zijn dood hoopt de smid zelfs toegang te krijgen tot de hemel. Sint Pieter steekt daar een stokje voor. Daarop worden in een ingewikkelde discussie zijn goede tegen zijn kwade daden afgewogen. En ja, de smid heeft ook goede daden verricht. Hij ranselde onder meer Alva af, de Spaanse hertog ‘die de wereld met oorlog en bloed ontheiligd heeft’. Daarom gaan de poorten van hemel toch open voor hem.

Het verhaal loopt dus uit op een algemene verzoening. Dat verbaasde me een beetje, maar dan bedacht ik me dat rigoureuze ideologische standpunten niet veel kans maken in Vlaanderen. Reeds bij De Coster was deze karaktertrek blijkbaar aanwezig: eerder kiezen voor een zalvende verwarring. Zelfs een handlanger van de duivel is in het paradijs welkom.

De jonge Duitse regisseur Ersan Mondtag heeft, met zijn dramaturg Till Briegleb, een nog weer heel andere draai aan het stuk gegeven. Vooral het derde bedrijf kreeg een heel aparte lezing mee. De Smee is dan een oude, rijke man. Mondtag verlaat dan radicaal de historische context van de Spaanse Nederlanden. Plots verspringt de actie naar het einde van de negentiende eeuw. Wie werd toen duivels rijk in België? Niemand anders natuurlijk dan koning Leopold II. Hij verrijkte zich in Congo zozeer, onder meer met duivelse praktijken zoals handen afhakken, dat hij zelfs het dure Antwerpse station mee bekostigde. Een projectie van een architectuurplan laat het zien.

Wie werd duivels rijk in België? Niemand anders natuurlijk dan koning Leopold II.

Het koloniale thema wordt in dit bedrijf volop uitgewerkt. Het voert naar een onverwacht moment: Mondtag onderbreekt de opera om de beroemde ( en fatale) redevoering van de toenmalige Congolese Eerste Minister Patrice Lumumba bij de viering van de onafhankelijkheid van Congo te laten horen. Je ziet ook een korte documentaire over de Congolese geschiedenis die eindigt op een close-up van Lumumba toen hij door Mobutu gevangen genomen werd.

Daarna komt de gestorven smid, gekleed als Leopold II, aan in op een plek die half voorgeborchte van hel of hemel, half museum is.  Aan de wand hangt een collectie schilderijen van Congolese kunstenaars. (Het programmaboek geeft ze ook weer, en vermeldt erbij in welke musea ze hangen).

Door deze ingrepen krijgt deze voorstelling een erg Belgisch karakter. Je krijgt ook de indruk dat Ersan Mondtag België haast automatisch met Leopold II associeert. Een foto van deze verdoemde koning sierde immers ook al het scènebeeld van ‘De Living’, zijn voorstelling bij NTGent. Je vraagt je natuurlijk af hoe je de sprong maakt van het verhaal van een sluwe smid die met de duivel heult ten tijde van de Spaanse terreur naar het negentiende-eeuwse koloniale rijk van België. Het programmaboek beweert dat er een directe lijn loopt van de politieke toestand in de Spaanse Nederlanden in de zeventiende eeuw naar het België van vandaag. Het lijkt me eerder dat hier aan de geschiedenis een interpretatie wordt opgedrongen die vooral past in de hedendaagse agenda van regisseur en dramaturg.

Het gevolg van één en ander is, dat als er al een boodschap in de voorstelling schuilt, die heel  verward en verwarrend is. De smid uit het volksverhaal wordt een kapitalist (fout), die zich ontpopt tot een vrijgevige baas (goed) . Als hij armen ontmoet, dan helpt hij die. De armen waarover het gaat zijn Jozef en Maria (met in de armen een zwart Jezuskind), die wij wel herkennen maar hij niet. Omdat hij de armen spijst en laaft, zal hij later de hemel in mogen. Dan worden veertien jaar meeheulen met de duivel makkelijk kwijt gescholden.

Hij is ook tegen de Spanjaarden, die, zo meen ik begrepen te hebben, ook handlangers van de duivel zijn. De ironie van De Coster gaat dan zover dat de strenge katholieken duivels in vermomming zijn. Resultaat van de hele situatie is dat collaborateurs genre Smidje Smee (laten we ze economische collaborateurs noemen) uiteindelijk toch op begrip en vergiffenis kunnen rekenen. Daaruit blijkt dat ook bij De Coster de ideologische aspecten  niet goed zijn doordacht. Deze verwarring is door Ersan Mondtag gewoon verder doorgevoerd, tot bij het politiek correcte, ook al moet hij een omweg maken langs een absurde en geforceerde versie van ons verleden.

Ersan Mondtag zorgt wel voor een avond waar je niet ongeschonden uitkomt.

Ben ik dan tegen zijn bokkesprongen? Helemaal  niet, want precies door de breuken die hij roekeloos inlast, wordt deze toveropera fascinerend hedendaags. Is Lumumba op zijn plaats? Ja en neen. In een traditionele dramaturgische ontleding niet, maar met dit gebaar zorgt Ersan Mondtag wel voor een avond waar je niet ongeschonden uitkomt.

Dat alles toch ambigu blijft, blijkt uit de rol die de godin Astarte wordt toegedicht. De Coster zelf greep terug naar die figuur uit een niet-christelijke traditie om op de wortels van de duivelsfiguur te wijzen. Astarte is de vrouw van Baal, de wrede god uit het Midden-Oosten die kinderen opvreet. Hij domineert, als een indrukwekkend en afschrikwekkend standbeeld, het scènebeeld.

Is zijn vrouw dan een duivel of een heks? Zij is in deze opvoering, in de vertolking van de Zuid-Afrikaanse  Vuvu Mpofu, van meet af aan uitdrukkelijk aanwezig. Astarte geeft het teken dat de voorstelling kan beginnen. Is dan alles door haar geregeld? Wil zij dit verhaal vertellen? Later keert ze weer als één van de duivels zijn die Smidje Smee ontwapent, en ook op het einde verschijnt haar gestalte terug. Wat betekent Astarte dan? Daar de zangeres  van Afrikaanse oorsprong is, lijkt de Astarte  bij het koloniale thema te passen. Maar op welke manier blijft onduidelijk : een goede of kwade kracht ? Bestaat er een band met Lumumba? Ik blijf dan wat beduusd achter.

Ersan Mondtag is een grote estheet. Dat blijkt hier overduidelijk. Zijn scenografie is in de eerste plaats kleurrijk. Op een draaitoneel heeft hij een constructie geplaatst die aan de ene kant een middeleeuwse stad oproept. Er zijn vensters, balkons, kantelen, torentjes, alles in felle zuurstokkleuren. De andere kant van het bouwsel is een grote Baalsculptuur: een monster met een vervaarlijke mond en scherpe tanden. Het doet denken aan een griezelkasteel op de kermis: indrukwekkend, angstaanjagend en toch ironisch en geestig. De wreedheid wordt wel beklemtoond door de baby die deze Moloch in zijn  klauwen heeft, klaar om opgevreten te worden.

Ook de kostuums zijn even fel gekleurd. Kostuumontwerper Josa Marx legde hier een overrompelende fantasie aan de dag. Alle leden van het koor kregen hun eigen kostuum, het ene al verrassender dan het andere. Het koor vormt zo een vrolijke massa waar je niet op uitgekeken raakt. Ook de pakjes van het kinderkoor, rood, geel en oranje, stralen levenslust uit. Enkele duivels zijn van top tot teen in vuurrood gehuld.

De genderverwarring is totaal : drie edellieden zijn in het zwart, maar in plaats van pofbroeken dragen ze tutu’s als in het ballet. De smid zelf draagt een wit pak dat eerder verwijst naar een poppenspel. Flipke, de vriend van de smid, draagt een kleed. Allemaal heel politiek correct. Even karakteristiek voor het werk van Mondtag is het beschilderen van het lichaam. Er zijn een aantal koppen in het blauw of in het paars. Het resultaat is een visueel carnaval.

De voorstelling kan ook bogen op een uitstekende bezetting. Leigh Melrose schittert in de rol van Smidje Smee. Hij is vocaal sterk en als acteur is hij soepel, beweeglijk en geestig. Tegenover hem staat Daniel Arnaldos als zijn vriend Flipke. Hij loopt en springt energiek over het toneel. Alleen al deze twee vertolkingen tonen aan hoe goed Mondtag  met zangers om kan gaan.

Zo is deze ‘Der Schmied von Gent’ een meeslepende avond, een ontdekking en een moderne lezing. Dirigent Alejo Pérez zegt dat hij Schreker als componist erg bewondert. Dat enthousiasme kan hij hier met het orkest van de opera zonder enig probleem overbrengen bij het publiek. Een avond in de opera die drijft op een zalige verwarring. Het is alsof je in   een je kleurrijke schoen plots een scherp steentje voelt. Of je deze opera nog vaak zult kunnen zien, is een bange vraag. Mis deze opvoering dus niet…