Dans / Performance

TOM Wilkie Branson

Weltschmerz in tijden van Covid

Zoals te verwachten en te voorzien was: een goed jaar leven in isolatie deed ook nogal wat artiesten nadenken over wie ze zijn en wat de zin is van wat ze doen. Het inspireerde Wilkie Branson, een Britse ‘b-boy’ of breakdancer en filmmaker, tot de meditatieve film ‘TOM’. Daarin speelt hij zelf een volledige lonesome crowd

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
TOM
Pieter T’Jonck Arsenale - Teatro alle Tese
Biennale Danza Venetië
meer info
27 juli 2021

Pas na afloop van ‘”TOM’ begrijp je het vreemde beeld waarmee de film begint. Je ziet iets wat lijkt op een kamer of misschien een werkplaats, met in het midden een grote, groenige vlek. Door het nogal korrelige beeld kan je die niet thuisbrengen. Pas later besef je dat het een miniatuur ‘green key’ studio moet zijn.

Tijdens het covid jaar bouwde Branson in een studio die niet veel groter lijkt dat een kamer vele decors, zoals treinstellen of een oud landhuis. Die versmolt hij aan de hand van de ‘green key’ techniek met beelden van stations, oude fabrieksloodsen en natuurlandschappen. Veel ander volk kwam daar, als je afgaat op de credits niet aan te pas. Het moet een monnikenwerk geweest zijn.

Een verhaal met een plot is ‘TOM’ niet, eerder een visualisering van een ‘mental journey’. Die begint in een idyllisch landschap met grote watervlaktes en heide. We treffen er een sombere Branson in een oud, wat vervallen landhuis. Bruusk vertrekt hij, en als bij toverslag staat er een tramwagon uit ver vervlogen tijden klaar die hem naar een stad voert. Op die tram belaagt een haveloze landloper hem.

Eens de tram een stad bereikt stapt Branson over op een metrostel? Dat brengt hem naar een groot station en een vervallen 19e-eeuwse loods. Steeds meer mensen omstuwen hem op die plekken, maar merkwaardig genoeg lijken die allemaal als twee druppels water op Branson zelf, op de kledij na dan. Branson verschijnt hier als vaak als een vrouw, maar ook als b-boy of als office worker. In al die gedaantes zet hij het op een dansen, zoals een breakdancer op een straathoek het zou doen.

Dat surrealistisch effect is erg dubbelzinnig. Aan de ene kant is het een allegorie voor de grootstad, die ons veel mogelijke identificatiebeelden schenkt. Aan de andere kant suggereert het ook dat die identificaties slechts zinsbegoocheling zijn, want uiteindelijk loopt Branson wel altijd tegen zichzelf op. Je zou zelfs kunnen denken dat hij zichzelf verliest in alle personages die hij om zich heen ziet, en niet meer weet wie hij zelf is.

Die laatste gedachte wordt bevestigd als in het tweede deel van de film vanuit het niets het beeld van een jong kind opduikt naast Branson. Ik kon het enkel lezen als een verbeelding van de romantische gedachte dat ons ‘ware zelf’ in onze jeugd ligt, en het leven ons steeds verder weg brengt daarvan. Zo eindigt de film ook: met het kind aan zijn zijde keert Branson terug naar het oude landhuis uit het begin van de film. Met die spirituele thuiskomst eindigt de film.

‘TOM’ blinkt niet uit in fabelachtige techniek, en de nogal mallotige projectie op de Biënnale van Venetië deed daar ook geen goed aan, maar dat maakt de film tegelijk ook boeiend: het maken zelf van de film liet duidelijke sporen na in het eindresultaat. De eindbeelden tonen zelfs nadrukkelijk de modellen die Branson bouwde om zijn illusies te creëren.

Het brengt een soort reflexiviteit binnen in de film die je nooit zou hebben als de illusie perfect zou zijn. Het geeft de film zelfs iets heroïsch. Maar het verhaal dat Branson zo wil vertellen, over de zoektocht naar een ‘waar ik’ , is helaas nogal clichématig. Al lang voor het einde van de film weet je dat hij terug zal keren naar zijn heimat. Als reflectie over een onmogelijk, typisch ‘modern’ verlangen, is dat een beetje mager.