Dans / Performance

PrecarryUs Igor Shyshko / Tale Dolven

Weerspannige lichamen

‘Zolang je maar gezond bent’, is een wens die je dezer dagen wellicht veel hoorde. ‘PrecarryUs’ van Tale Dolven en Igor Shyshko toont wat het betekent als ons lichaam ons in de steek laat. Je kan het je moeilijk voorstellen, en voor dansers is het al helemaal een uitdaging. Dolven en Shyshko gaan die met ongewoon veel finesse aan. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
PrecarryUs
Pieter T’Jonck Stuk Leuven meer info
10 januari 2020

Twee mensen dwalen rond op een podium. Hij op blote voeten, met slechts een lang T-shirt dat genaaid lijkt van vaalgroene lappen stof. Zij draagt fel gekleurde sportkousen, een voetbalshort en een donkerbruin T-shirt.

Het podium is leeg, op vier palen na. Dikke kokers met een onregelmatig oppervlak, onregelmatig bespoten met metalige verf. Op één ervan hangen twee dikke kleiachtige klodders. Het is een creatie van Katleen Vink. De twee performers verplaatsen ze een beetje onzeker van hier naar daar, alsof ze er geen juiste plek voor vinden. Dicht op een kluitje, of juist ver van elkaar.

Al snel merk je dat ze niet alleen onzeker zijn over de plaats van de palen, en dus de organisatie van de ruimte, maar nog meer over hun eigen lijf. Zeker de man. Hij houdt zijn rug stokstijf, waardoor zijn passen onzeker worden, en zijn armen er maar wat bijhangen. Of is hij zo houterig door zijn traagheid? Lijdt hij misschien pijn, vraag je je plots af. Je ziet het vaak: mensen met pijn hebben schrik voor elke onverhoedse beweging. Hun lichaam voegt zich naar de pijn.

Lange tijd gebeurt er zo haast niets, en op een enkele ‘ping’ na hoor je ook niets. Pas na ruim tien minuten schudden de twee performers hun schutterige quasi-onbeweeglijkheid van zich af. De man eerst. Hij laat zijn stijve rug steeds verder naar voor en achter kantelen, en als hij zo uit evenwicht lijkt te raken komt een been plots van de grond. Na een aarzeling zet hij een wijde stap vooruit, zakt door zijn voorste knie en laat zijn rug mee naar voor kantelen.

Het is een vreemd gezicht. Het is alsof hij nog moest leren hoe je stapt, en er nog niet bedreven in is. Daarna probeert hij het met het andere been. Door zijn benige, lange lijf lijken zijn stapposes wel beelden van Alberto Giacometti. De vrouw volgt zijn voorbeeld al gauw.

Plots klinkt een schetterende score, elektronische klanken die iets weg hebben van het geschreeuw van een zwerm meeuwen. Het voelt allemaal heel angstig aan. Zelfs als het er even weg van heeft dat de twee synchroon gaan bewegen lijken de performers uiterst fragiel.

Dramatisch wordt het pas als deze twee mensen -die tot dan nauwelijks oog hadden voor elkaar, zich aan elkaar vastklampen. Ze lijken warmte en aanraking te zoeken bij elkaar, maar hun lichamen vinden de juiste handelingen niet. Nu eens zakt de man, dan weer de vrouw in krampen onderuit. Daardoor zie je geen duet, maar pijn. De lichamen drukken geen bezieling uit maar lopen amok. Ze kunnen elkaar nauwelijks behoeden voor de val. Strelen wordt betasten, grijpen, molenwieken.

Er is iets werkelijk ongemakkelijk aan de dans

Het is een bekende beeldformule: ontreddering tonen door het lichaam in een verhakkelde, vervreemde staat te tonen. Toch blijft deze dans je lang bij, omdat deze performers iets bijzonders maken van deze on-dans. Ze doen niet zomaar een beetje raar, maar bouwen erg traag, en uiterst precies, beelden op.

Die beelden, en de bijhorende bewegingstaal gaan in tegen wat dansers als vanzelf zouden doen. Omdat het ritme ook nog sleept, moeten ze zichzelf wel geweld aandoen om dit te tonen. Dat is wat je raakt: er is iets werkelijk ongemakkelijk aan de dans. Dat ongemak evoceert  lichamen die zichzelf niet langer meester zijn. Er is geen gemakkelijke imitatie, geen ‘doen alsof’.

Het verwonderde me dan ook helemaal niet als ik achteraf las dat de voorstelling gebaseerd is op een ontmoeting met iemand met een ernstige aandoening van het zenuwstelsel. De dansers hebben de fysieke effecten gezien, en de paniek die dat veroorzaakt ook begrepen en vertaald.

Daarna gaat de voorstelling echter een andere weg op. De twee performers voeren -haast zonder overgang- een vreemd spel op. Het begint als een soort doktertje spelen als Dolven met haar T-shirt de ontblote buik van Shyshko droog wrijft, en hij vervolgens in haar mond kijkt. Er volgt een bizarre dialoog -een tekst van Daniil Charms- in een even bizarre vertolking. Bij elke repliek brengen ze hun mond naar een ander lichaamsdeel van de tegenspeler, alsof daar een oor zat.

Als contrapunt tegenover de vorige scène is het een trefzekere keuze: lichamen die in hun onbestuurbaarheid betekenisloos en absurd werden krijgen hier -in een even absurde tegenzet- terug betekenis door verbeelding. Het had daar mogen eindigen voor mij.

De dansers gaan echter door, maar de pertinentie is lange tijd weg. Plots zijn Dolven en Shyshko weer gewoon de uitstekende dansers die ze zijn. Ik miste echter node het verband met wat vooraf ging. Zelf in het bewegingsmateriaal zag ik weinig verband met wat vooraf ging. Tot de laatste paar minuten. Als ze weer tegen elkaars lichaam praten, en tegen elkaar aan gaan hangen, in wederzijdse weerloosheid, krijg je terug pure magie.

Dan denk je: een voorstelling MOET toch geen uur duren? Een half uur kan toch ook? Als de juiste intensiteit er is? In dat geval was dit een klein meesterwerkje geweest. Nu is het een voorstelling met meesterlijke momenten. Niet dat het niets is natuurlijk.