Dans / Performance

Cascade Meg Stuart / Damaged Goods

Verbeelding kan ons redden?

‘Cascade’ van Meg Stuart werd door de covid-crisis maar liefst zeven keer afgelast, maar ging uiteindelijk toch in première. Die Sisyfus arbeid liet sporen na in de voorstelling, maar dan vooral omdat het stuk zelf al ging over hoe mensen optornen tegen problemen en vragen die hen te boven gaan. Alleen de verbeelding houdt hen dan gaande. Een trip zoals je ze zelden meemaakt.

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Cascade
Pieter T’Jonck Volkstheater Wien
Impulstanz 2021
meer info
19 juli 2021

Eerst is er het decor. Buitenmaatse objecten die de speelruimte voor de helft inpalmen. Links liggen achter elkaar twee enorme blobs overspannen met een donkerpaars doek vol verfvlekken zoals witte nevels of spatten. Je zou zweren dat het diende als bescherming bij schilderwerken. Pas op het tweede gezicht merk je dat de verfspatten een voorstelling zijn van het heelal met de paintbrush techniek. Het soort banale evocatie van de ruimte die je aantreft in games of op speelgoed.

Rechts staat een brede, steile glijbaan, ondersteund door een zichtbare houten stellage. Boven de blobs hangen ook twee enorme netzakken vol ongedefinieerde grauwe brokstukken. Ze zullen nauwelijks een toepassing krijgen in het stuk, maar ik kon er, na de recente beelden van verwoestende overstromingen, niets anders in zien dan puin dat opgevist werd uit het water. Op enkele plaatsen dalen tenslotte nog wat kabels zomaar neer uit de lucht.

Wat dit decor moet voorstellen is niet meteen duidelijk. de bizarre omvang alleen al. Het lijkt een nogal toevallige verzameling props uit vroegere stukken van Philippe Quesne. Die tekent hier enkel voor de scenografie, maar is zelf ook regisseur. De rook die in toefjes opwolkt van tussen de stukken is zelfs helemaal zijn signatuur. Dit decor lijkt een eerste probeersel, een voorlopige constructie. De verlichting van de scène bevestigt dat: ze bestaat uit drie parallelle rijen van vijf TL-buizen, alsof het werklicht van het podium nog brandt als de voorstelling begint.

In die context duiken personages op, als dieren die schichtig van achter kasten tevoorschijn komen als ze niets horen. Márcio Kerber Canabarro zie je het eerst. Hij beklimt de grootste blob -je merkt nu dat het een luchtkussen is- en gaat strompelend op uitkijk staan op het hoogste punt. Bij de eerste blob beweegt ook iets, en achterin het podium zie je Davis Freeman opduiken en weer verdwijnen. Zo verschijnen alle performers één na één, begeleid door mysterieuze elektronische klanken.

Aino Laberenz voorzag ze allemaal van geïmproviseerde, fantasierijke kostuums. Mor Demer lijkt bijvoorbeeld twee badpakken boven elkaar te dragen. Jayson Batut heeft ook een groen-wit badpak aan maar door een matzwarte helm ziet hij er als een marsmannetje uit. Hij gedraagt zich ook zo: met zijn vingers vormt hij vreemde signalen voor een onbekende ontvanger.

Een coherente actie ontstaat er lange tijd niet. De performers doen maar wat. Pieter Ampe probeert wat er gebeurt als hij tegen de blob hangt, of knoopt een touw tot een strop die hij dan als schommelstoel gebruikt. Isabela Fernandes Santana en Kerber gebruiken de grootste blob als een soort springkasteel, terwijl Renan Martins de Oliveira de hellingbaan uitprobeert.

Er gebeurt nog veel meer, maar het valt moeilijk te bevatten, omdat er zich geen verhaal aftekent in de gebeurtenissen. Het lijkt niet op theater, maar evenmin op circus, ondanks de ballonnen, de touwen en de glijbaan. De actie beantwoordt gewoon aan geen enkele bekende formule. Dat laat je maar twee keuzes: meedrijven met deze trip of nee zeggen. Meedrijven blijkt -hoe wild de roetsjbaan ook is- een keuze die je rijkelijk beloont. Maar dat weet je dan nog niet natuurlijk.

Het meest betekenisvolle wat in het eerste kwartier of zo gebeurt is dat Kerber en Ampe het doek van de grootste blob aftrekken. Terwijl ik net tevoren even dacht dat die blobs misschien  een beeld waren van een geïmplodeerd heelal, zie ik vanaf nu slechts een ordinair luchtkussen, een onnozele illusie, verstopt onder een ordinair paintbrush doek.

Toch houdt de actie op een vreemde manier je aandacht gaande, omdat de performers blijkbaar wel doelbewust handelen, al komen ze tot weinig of niets, of stuiken ze soms, zoals Davis Freeman, gewoon in. Maar Freeman brengt ook een zekere verlossing door het woord te nemen. Hij doet dat rustig, bedachtzaam, bijna sussend terwijl een achterdoek met een paintbrush beeld van het heelal oprijst. Dat doek blijft vanaf nu maar dalen en stijgen.

Freemans woorden lijken precies samen te vatten wat we tot dusver zagen: ‘Things are going up and down. You arrived but maybe you never left. A bit of continuity is hard to find. Things are hardly inspiring. But keep faith’. Dat soort zinnen -je herkent er de bijdrage van de Engelse theatermaker-auteur Tim Etchells in. Vaststellen dat de toestand hopeloos is, maar desondanks wel de toestand waarmee we het moeten doen. Het biedt een leeswijzer voor wat volgt.

Vaststellen dat de toestand hopeloos is, maar desondanks wel de toestand waarmee we het moeten doen. 

Voor het gestuntel van Pieter Ampe bijvoorbeeld: de glijbaan afdalen en zelfbewust naar voren komen, maar dan over de podiumrand naar beneden kukelen, en landen op een dik kussen. Een schoolvoorbeeld van een clowneske anticlimax, behalve dan dat de grap uitblijft. Ampe reageert niet op wat hem overkomt maar herbegint gewoon, met hetzelfde effect. Zijn ‘personage’, als dat het woord is, wordt zo eerder zielig dan grappig. Wat hij ook doet, het betekent niets en leidt tot niets.

Toch verandert de sfeer op het podium wel, omdat de muziek van Brendan Dougherty, percussionist en componist, nu op de voorgrond komt. Frenetieke percussie, live uitgevoerd samen met Philipp Danseizen, wekt de spelers tot acties die ritmisch meer coherent zijn, en ook herkenbaarder. Ze zijn onmiskenbaar ontleend aan sport. Toch blijft het er vreemd uitzien omdat hun élan telkens weer op een ongerijmd moment verstoord raakt en zelfs helemaal stilvalt, samen met de drums.

Maar net als je denkt dat het nu gedaan is, schiet de boel weer in gang, en beginnen de performers, nu zelfs unisono, dezelfde bewegingen bijna dwangmatig te herhalen onder leiding van Mor Demer. Het doek stijgt en daalt enthousiast tijdens dit moment van plotse levendigheid en energie.

Wie hoopte op een apotheose komt echter alweer bedrogen uit. Weer valt het raderwerk met een schok stil. Toch volgt nu de grootste coup de théâtre van de avond. Het koude licht boven het podium wordt warm roze. De performers gaan naast elkaar staan op een rij en kijken ons, het publiek, intens en vragend aan. En er weerklinkt hoogst slijmerige instrumentale pop, waar je met enige moeite ‘How deep is your love’ van The Bee Gees in kan herkennen.

Als allen afgedropen zijn komt Ampe terug, nu als een crooner in zwart pak met wit hemd. Parlando hangt hij op de muziek een heel verhaal op over zichzelf. Hoe hij afleerde teveel zijn best te doen. Hoe hij de waarde van puzzelen, dingen in elkaar doen passen, ging inzien. Zijn gedachten worden steeds wolliger als hij het heeft over verbinding en samenwerken. Het gezwijmel is haast niet meer te harden. Ondertussen verschijnt de titel van het stuk, ‘Cascade’, in de krullerige letters van een western film op het achterdoek, met nog een beeld van kabbelend water erbij.

Voor wie het zag: de verwijzing naar ‘Caspar Western Friedrich’, een stuk van Quesne, is onmiskenbaar in deze projectie. Het is een stuk dat het heeft over de ‘vague à l’ âme’, het verlangen naar onbestemde vertes én naar een plaats om terug thuis te komen waar zowel een 19e-eeuwse landschapsschilder als Caspar David Friedrich als Western films in grossierden.

Het luidt een absoluut dood punt in de voorstelling in. Alle performers zijgen neer. Maar toch is het weer nog niet gedaan. In een indrukwekkende solo komt Freeman weer overeind, om ongecoördineerd te gesticuleren. Om niets, maar toch. De andere performers haken daar op in door als ontregelde robotten steeds weer op te staan en in elkaar te stuiken.

Stilaan krijgt het decor nu een eigen leven. Flikkerende lichten in het plafond, rook, gelig licht als van een enorme brand en, vooral, een steeds harder scheurend en knarsend geluid vullen het podium. Er zijn nog vele acties, en zelfs een ontroerend verhaal van Santana. Ze vertelt hoe haar grootvader zich herinnerde dat het leven vroeger veel eenvoudiger was. Alles is nu veel wreder, veel afstandelijker geworden vindt hij.

Maar dat verhindert niet dat de wereld op het podium ten onder gaat in afgrijselijk kabaal en tonnen rook die de nu half of helemaal naakte performers verzwelgen. Het lijkt nu duidelijk genoeg: het uitzichtloze gedoe van de performers om er, met meer of vooral minder succes, iets van te maken is ook een belichaming van de paniek waar we, als beschaving of gewoon als menselijke soort, mee te maken hebben, nu ‘ons huis’, de aarde, niet eens meer zo figuurlijk in brand staat.

De enige lezing van het stuk is dat zeker niet. Het gaat ook over stuurloosheid, over wanhopig proberen terug grond onder de voeten te vinden, verbinding te maken, iets te hebben om je aan vast te houden. Over hoe onmogelijk dat allemaal geworden lijkt. Hoe wreed en afstandelijk alles afgehandeld wordt. Over crisis op crisis op crisis. Maar ook: over toch koppig voortgaan, tegen beter weten in. Handelen als er geen handelen meer mogelijk is.

Tenslotte gaat het ook over de onmogelijkheid om dat voor te stellen. Het achterdoek van het decor, dat al van het begin iets onduidelijk en dubieus had, valt in flarden uit elkaar, als om te zeggen dat elke voorstelling pathetisch en absurd is.

Waarom dan zo’n decor bouwen? Waarom dan zo’n voorstelling maken, die op het einde niet eens op ‘terug naar start’ uitkomt, maar meteen naar de hel leidt? Omdat verbeelding is wat we hebben en kunnen, als enige verweer is tegen een wereld die onder onze ogen verdwijnt? Kan verbeelding ons redden? Je kan beginnen bij deze ongewone trip. 

Beschikbaar voor iedereen, gefinancierd door lezers en organisaties.
Steun pzazz met een abonnement.

Abonneren