Dans

sspeciess Daniel Linehan & Hiatus

Een Mis voor Planeet Aarde

De Amerikaanse choreograaf en danser Daniel Linehan was altijd een meester in het assembleren van triviaal materiaal en betekenisloze gestes tot briljant gestructureerde composities. Je wist niet wat je zag, maar je zag het toch, zoiets. Zijn solo ‘Body of work’, en meer nog het nieuwe werk ‘sspeciess’ lijken een radicale breuk met die signatuur. ‘sspeciess’ is een losse collage van beelden waar je het maakproces nog in navoelt. Maar misschien is dat niet zo vreemd als je het wil hebben over onzekere kwesties als de vraag wat de mens in het Anthropoceen nog voorstelt. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
sspeciess
Pieter T’Jonck De Singel, Theaterstudio, Antwerpen meer info
26 januari 2020

Je krijgt ruim de tijd om de scenografie van ‘sspeciess’, een ontwerp van ‘88888’, te bekijken voor de voorstelling begint. Ze bestaat uit stalen kaders, sommige meer dan manshoog, andere ongeveer zo hoog als een mens, nog weer andere een stuk lager. Ze zijn per twee of drie aan elkaar bevestigd met scharnieren, en op één plaats door elkaar heen geschoven, als een 3D puzzel.

De performers verschijnen in de achtergrond, met een fluorescerend oranje-witte verkeerskegel in de hand, en lopen de zaal in. Langzaam deemstert het licht weg voor wat wellicht het mooiste moment van de voorstelling is. Net voor het helemaal duister wordt zie je hoe de performers de kegel gebruiken als een megafoon die het geluid van hun adem versterkt. Van dan af hoor je de voorstelling enkel nog. Van overal klinkt die adem, als een vreemd, ongehoord concert dat niets persoonlijk-menselijks meer heeft.

Dit gebaar introduceert ook als vanzelf de inzet van deze voorstelling. Inspiratie haalde Linehan bij de Britse eco-filosoof Timothy Morton. Die betoogt in werken als ‘Being ecological’ dat we moeten beseffen dat de mens niet de kroon op de schepping is, maar slechts een schakel in een keten van dingen en levende wezens die van elkaar afhangen. Alles op aarde deelt dezelfde lucht, en heeft deel aan een zelfde ‘adem’.

De openingsscène geeft gestalte aan die idee, maakt ze concreet door de grens tussen podium en zaal uit te wissen én door een afstandelijke visuele ervaring te verruilen voor de indringende werking van geluid. In wat volgt grijpt Linehan echter terug naar een verbeelding van dezelfde gedachte. Dat is een meer bekende strategie, met de even bekende nadelen: een gedachte omzetten in een beeld maakt ze ook als vanzelf abstracter, minder concreet. Als het beeld dan ook nog een prentje wordt, kom je gevaarlijk dicht bij pathos en sentiment. Die valstrik wordt hier niet altijd ontweken.

De dansers keren weer naar het podium. Victor Pérez Armero klautert op een van de kaderwerken, Linehan en Anneleen Keppens haken er zich aan vast. In het midden van het podium leest Louise Tanato een tekst voor, met Gorka Currutxaga naast haar. Ze schildert natuurscènes, en heeft het over ‘expanding circles’. Op de achtergrond weerklinkt weer het geluid van de wind, met het geknetter van een haardvuur erbij. Dat gaat allemaal erg traag, bijna plechtig. Het gaat hier om ernstige dingen. Toch is het geen erg strak of dwingend beeld: je kan er min of meer in lezen wat je wil.

Dat blijft zo in de volgende scènes. De dansers tollen langzaam rond, reiken naar de hemel, en draaien dan terug in de andere richting terwijl ze door elkaar heen bewegen tot ze dicht bij elkaar aanleunend tot stilstand komen en als het ware één lichaam vormen. Dat gebeurt in vele variaties, met telkens momenten waarop het de compositie bevriest tot een piëteitsvol beeld.

Later komt een lange slang van aan elkaar geknoopte kleren tevoorschijn. De dansers halen ze uit elkaar en helpen elkaar zo aan een nieuwe outfit, nog kleuriger dan de bestikte T-shirts, een ontwerp van Frédéric Denis, met beelden van dieren en planten die ze al droegen. Ze gaan ook meer en meer aan de slag met de kaders die daar al die tijd stonden te wachten: ze vormen er figuren mee op het podium of grijpen ze aan als voetstuk voor hun lichaamssculpturen.

Op dat moment adresseren ze het publiek een tweede keer, nu rechtstreeks: alle performers komen naar voor om de toeschouwers in de ogen te kijken. Linehan neemt nu het woord. Met zinnetjes als ‘To my grandmother, to the orca, to the cherry tree,…’ draagt hij de voorstelling op aan alle dingen in de wereld die er toe doen -voor hem? Hij voegt er een ‘sorry’ aan toe, en de bedenking dat het misschien allemaal niet zoveel voorstelt wat hier gebeurt. Maar je kan maar proberen natuurlijk.

Het is het eerste moment in de voorstelling waarop de inzet ervan in zoveel woorden gezegd wordt. Maar alleen al door het woord ‘sorry’ klinkt dat meteen een beetje pathetisch, als een wanklank. Wie ‘sorry’ zegt, doet het voorkomen alsof dat woord iets regelt, en houdt toch een slag achter de arm: ‘ik besef het, ik voel me schuldig - maar zo is het nu eenmaal’. Maar was dat nu niet het probleem: dat wij mensen altijd maar denken dat ons geweten en ons bewustzijn er zoveel toe doet? Lost dit echt iets op? Valt er überhaupt nog iets op te lossen?

De beeldenstroom komt nu weer op gang, met steeds meer attributen, die vaak afvalmateriaal lijken. Zo is er het zeil van flinterdun plastic dat de dansers laten opwaaien, de houten stokken en boomstammetjes die ze laten balanceren op hun hand of de elastiekdraden die ze door de ruimte, tot ver in de zaal, opspannen. Dat laatste als nog een poging om het publiek deel te maken van de Mis die hier opgevoerd wordt voor de planeet Aarde.

Haast onmerkbaar is de soundscape in de achtergrond -een werkelijk merkwaardig werkstuk van dramaturg Alain Franco en musici Michael Schmid en Raphaël Hénard- ondertussen aangezwollen tot een woekerende klankenbrij. Strijkers, fluit, synthesizers, een dreunend orgel volgen elkaar op terwijl alles op het podium, zelfs het vloerzeil, in beweging komt. Alsof de Aarde amok liep. Je komt ogen en oren te kort, maar choreografisch blijft dit een collage van heel diverse fragmenten en vondsten, die zonder dwingende logica naast elkaar opduiken en maar heel soms interfereren.

Net zo is het met de relaties tussen de dansers: nu eens klonteren ze samen, dan weer lijken ze elk hun eigen besognes te vervolgen. Zo stalt Anneleen Keppens plots een reeks boeken uit, met daarnaast een rijtje keien. Het is -dat weten we sinds haar ‘Movement Essays’- een gebaar dat duidelijk haar handtekening draagt, en als oproep aan het publiek om zich wat te verdiepen in brandende kwesties ook ontroerend, maar het ‘past’ wel nergens bij. Maar dat kan je ook zeggen van de dans van Perez Armero met een bestikt laken. Mooi, maar waarom?

Pas tegen het einde van de voorstelling, als Louise Tanato zeer symbolisch het laatste LED-licht begraven heeft onder het achterdoek, volgt een coda waarin alle performers samen iets opbouwen. Een na een voeren ze dezelfde figuur uit: in drie wijde stappen draaien ze rond, waarna ze lijf en leden laten reiken naar boven. En dan terug. Hoe dichter ze bij elkaar komen, hoe moeilijker het wordt om elkaar daarbij te vermijden. Tot de figuur uiteen spat en elk voor zich rond gaat hollen.

Dat is een interessant beeld. Je kan er van alles in lezen: hoe we van elkaar afhangen, hoe we elkaar ook hinderen eens we te dicht op elkaar komen te zitten, met teveel zijn. Maar de kracht ervan gaat voor een goed stuk teloor doordat de dansers heel duidelijk de inspanning laten blijken die deze exercitie hen kost, maar ook het plezier demonstreren dat ze aan die lichte verwarring beleven. Kan natuurlijk best, maar als slotbeeld zet het stuk zo wel weer de mens met zijn pathos en sentiment, als individu, op de voorgrond.

Heb ik het dan slecht begrepen? Ging het er hier niet om dat de mens niet centraal staat, en minder macht heeft over de ‘geschiedenis’ dan we altijd geloofden? Zou het dan niet beter zijn om die mensen, die performers, een beetje te ‘ontmenselijken’? Ik bleef met die vraag zitten. Dat werd er niet beter op als ik achteraf hoorde dat veel kijkers het stuk ‘poëtisch’ vonden -versta: wat het betekent weten we niet, maar het zag er niet slecht uit’. Ik denk niet dat de tijden ernaar zijn om dat soort flou artistique aan te houden. Voorstellingen mogen ook een beetje zeer doen, in het besef dat wij mensen stilaan alles naar de kloten geholpen hebben.