Ballet / Muziektheater / Opera

Nachten / Ballet de la Nuit Benjamin Abel Meirhaeghe

Bevrijdende anarchie

‘Nachten / Ballet de la Nuit’ van Benjamin Abel Meirhaeghe is geïnspireerd op een twaalf uur durend ballet van de Franse Zonnekoning Louis XIV, dat de overwinning op ‘het kwaad’ moest verbeelden. In een kolderiek-onhandige versie deconstrueert Meirhaeghe dat ballet. Bevrijdende anarchie. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Nachten / Ballet de la Nuit
Pieter T’Jonck MIGO, Oostende
TAZ#19
meer info
10 augustus 2019

In 1999 creëerde William Forsythe in Frankfurt het ballet ‘Endless House’. Het joeg het publiek de gordijnen in. In het eerste deel keek je aanvankelijk naar twee mannen die kolderieke gestes maakten op een gigantisch leeg podium. Hun dialoog was ontleend aan de psychopaat-moordenaar Charles Manson. Eens ze het podium verlieten bleven Javaanse lampions nog eindeloos lang op en neer bewegen. In de Javaanse cultuur is dat een droomritueel dat geweld en dood verbeeldt. In het tweede deel, in een oud tramdepot enkele kilometers verder, kreeg je een heel ander spektakel: een wirwar van dansers in een onoverzichtelijk grote ruimte waar je pas na een hele tijd een soort ballet in kon herkennen.

‘Endless house’ was op die manier een rare mengeling van fascinatie voor en genadeloze analyse van wat ballet, zoals dat ontstond ten tijde van Louis XIV, is en doet. Ballet laat in een stroom minutieus georganiseerde, wonderlijke gebaren en poses het ene zinnebeeld na het andere verschijnen, als een representatie en verheerlijking van de orde die heerst aan het hof. Die beelden zijn zonder uitzondering hol, arbitrair en retorisch. Het geweld dat aan die orde ten grondslag lag, bleef verzwegen, maar was impliciet aanwezig in de gewelddadige symboliek van de dans.

Ik moest onwillekeurig aan die voorstelling terugdenken toen ik ‘Nachten/Ballet de la Nuit’ van Benjamin Abel Meirhaeghe zag op TAZ. Niet dat Meirhaeghe het statuur van Forsythe, of zelfs maar over een fractie van zijn middelen beschikte. Maar zijn reenactment van ‘Ballet de la Nuit’, een roemrucht ballet aan het Franse hof ten tijde van Louis XIV, kijkt wel op dezelfde manier naar wat ballet is, en wat je er nog mee kan doen. Overigens had ik pas achteraf door dat het om zo’n reenactment ging, want het programma van TAZ bleef daarover rijkelijk vaag. Maar dat deerde me geen moment.

De sfeer zit er meteen in door de overdonderende barokmuziek die weerklinkt als je de zaal binnenkomt. Vijf performers, in nogal onhandig ineen geflanste, maar zeer fantastische kostuums, maken daarna hun opwachting. Een van hen, Louise van den Eede, draagt stuntelig een tekst voor. Geregeld moet ze spieken van een blaadje dat Meirhaeghe haar aanreikt. Ze vergeet dan elke keer weer haar gewaad op te houden zodat haar borst bloot komt. Aan de woorden te horen zou je zweren dat ze een tekst van Antonin Artaud voordraagt: dood, exces en doem is al wat de klok slaat. Vreemd genoeg deelt Meirhaeghe daarna mee dat niet Artaud maar deze jonge vrouw, die niet uit haar woorden komt, de tekst, en ook alle volgende schreef. Is dit een pastiche? Steken ze de draak met het vermeende vermogen van theater om afgrondelijke ervaringen te onthullen? Dat lijkt wel zo.

Niet alleen van den Eede, maar ook de rest van de groep blijkt te multitasken:  Sietske Van Aerde is ook costumière, Laurens Mariën ook componist. Meirhaeghe zelf dubbelt als acteur en zanger. De enige die ‘alleen maar’ acteur is, is Arne Luiting.  En op de achtergrond doet Jasper Segers de mix. Dat verklaart meteen de stunteligheid van deze scène en het hele verdere stuk: op Luiting na heeft niemand hier een diploma voor wat hij of zij doet. Dat neemt niet weg dat de troep wel alles uit de kast haalt om je een barok ballet voor te toveren, maar altijd op een diezelfde lichtjes onhandig-overdreven wijze: met te overdadige kostuums, teveel rookmachines, en  een gestiek die zo artificieel is dat het lachwekkend wordt.

Aan de meeste van die scènes kan je geen touw vastknopen. Ik zie een Sint Sebastiaan als Arne Luiting met een pijl door zijn onderlijf over het podium springt, maar het zou, vertelde Meirhaeghe mij later, een gewonde vogel zijn. Ik herken een ‘vaas’ als een prototypisch beeld uit de ‘gestalt’ theorie, maar dat is volgens hem dan weer een verwijzing naar ‘les deux visages de la nuit’. Whatever. Ik amuseer me kostelijk als Luiting, steeds duidelijker het centrale personage van dit stuk, in kleurrijke doeken gewikkeld, clowneske tronies laat zien.

Wat je ziet is een haast kinderlijke manier om grote emoties en passies te verbeelden. Dat eindigt in groteske poses, die als twee druppels water lijken op allegorische beelden uit de barok van deugden en ondeugden als ‘moed’, ‘waanzin’, of noem maar op. Zonder uitleg erbij vallen ze niet te lezen, en zelfs als je weet wat ze voorstellen lijkt de relatie tot het thema doorgaans volstrekt conventioneel en arbitrair. Het zijn holle tekens, hoe indrukwekkend al die getorste lichamen en gekwelde blikken ook zijn. Precies zo was het ballet: plechtige vormen, die grote passies en deugden moesten verbeelden, maar pure abstracties waren. Maar zolang de Koning keek en zag dat het goed was, was het ook goed. Wat onder de oppervlakte verder aan de gang was, daar zweeg men over.

De kinderlijke imitatie van zo’n ballet die Meirhaeghe hier opvoert verschilt van het origineel eigenlijk maar in één ding: de koning mankeert -of hij is zot geworden (als Luiting de koning voorstelt tenminste). Plots moet niemand dit nog ernstig nemen. De verbeelding kan op hol slaan in elke mogelijke richting, van de meest gruwelijke tot de meest erotische. En niemand moet nog zijn best doen om in de pas te lopen. De allegorie is van zijn ketens bevrijd en loopt amok. Bevrijdende anarchie.