Ballet

Fall Sidi Larbi Cherkaoui / Ballet Vlaanderen

Herfstmeditatie op muziek van Arvo Pärt

‘Fall’, een ballet uit 2015 van Sidi Larbi Cherkaoui, dat is een samenscholing van zo’n 28 dansers, of zo goed als de hele troep van Ballet Vlaanderen, op één podium. Opzienbarend, na die lange lockdown van de theaters en alle afstand houden. ‘Fall’ is ook het stuk waarmee de choreograaf startte als artistiek leider van het gezelschap. Wat blijkt: dit werk op muziek van Arvo Pärt werd mooi ‘oud’ en laat hier een gezelschap vol zelfvertrouwen zien. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Fall
Pieter T’Jonck Opera Antwerpen meer info
10 juni 2021

‘Fall’ verraste destijds al door de opmerkelijke keuze voor een ballet op pointes, een genre waar Larbi niet meteen mee vertrouwd was. Wat Larbi daar destijds toe bracht --wou hij bewijzen dat hij ‘ballet’ beheerste? -, feit is dat de danstaal van ‘Fall’ een merkwaardige hybride is. dat zie je al in de eerste beweging, op ‘Fratres for violin and piano’ (1977, 1980).

Het stuk opent met de opkomst van twee, nog eens twee en dan één danser. Hun sierlijke, vloeiende bewegingen zetten meteen de toon. Deze lichamen zitten niet gevangen in het strakke keurslijf van het ballet. Ze spelen met al wat romp en ledematen mogelijk maken als ze elkaar benaderen en raken. Toch is er die wat plechtige, verheven toon die je van ballet kent.

Na deze expositie betreden steeds meer dansers het podium. De choreografie evolueert dan naar een intrigerend combinatiespel van twee en drie dansers. Een levendig beeld, met vele variaties van hetzelfde materiaal in één moment. Een merkwaardig beeld ook, omdat klassieke verhoudingen -mannen die vrouwen liften- overvloeien in momenten waarop dansers over elkaars romp rollen of in één vloeiende beweging een ruggelingse brug of een slangenbeweging maken. Ballet meets hiphop. Maar dan wel op pointes.

Je merkt al van het eerste moment dat de dansers ervan genieten om heen en weer navigeren in dit eclectische en zinnelijke idioom, zonder de nood te voelen om te schitteren. De groep staat voorop. Dansers schroeven solomomenten niet op tot ‘hoogtepunten’: ze blijven deel van een grillige  flow van bewegingen op de verleidelijke, meditatieve muziek van Pärt. Dat is een best merkwaardige blijk van maturiteit.

De scenografie en het lichtontwerp van Fabiana Piccioli en Sander Loonen versterken dat vloeiende gevoel. Het podium wordt omgeven door half-transparante, vederlichte doeken die onvoorspelbaar wemelen en opwaaien. Door de belichting werkt die omgeving soms als een gesloten ruimte, maar vaker nog als een ‘bubbel’ die vaag de figuren erbuiten laat zien. Als een dagdroom.

In de tweede beweging worden daar ook beelden van een herfstig bos overheen geprojecteerd, of licht een volgspot een solist uit. Maar ook daar vermijdt de choreografie en de scenografie al te opzichtig effectbejag.

Het nadeel is: zoveel zinnenstrelende beelden, op de meditatieve klanken van Pärt, zijn haast een open invitatie om weg te dromen. De choreografie vertoont niet het kleinste weerhaakje dat je bij de les houdt. Ze overspoelt je als een zoete rêverie.

De laatste beweging, op ‘Spiegel im Spiegel’ (1978), spant daarin de kroon. Het is een caleidoscopisch beeld: 28 dansers die steeds weer andere, figuren vormen in kleine cellen die om elkaar heen draaien. Het doet je lichtjes duizelen. Even van de wereld. Dat is mooi, maar ook vluchtig. Het vervliegt even snel als het kwam, als een dagdroom.