Toneel

Tochtgat Jef Van gestel & Peter Vandemeulebroecke

Worstelen met de wind

Als het lukt, is theater met objecten het mooiste wat er is op scène – net door zijn eenvoud. Objectentheater doén lukken is evenwel een stuk ingewikkelder. Het moet juist zitten tussen de dingen en de spelers die ze animeren. In ‘Tochtgat’ van Peter Vandemeulebroecke en Jef Van gestel komt er bovendien nog een derde hond in het spel: de wind van wel tien ventilatoren rond het podium. Beide makers lopen er uiteindelijk zelf in verloren. 

Tochtgat
Wouter Hillaert CORSO, Berchem
24 februari 2025

Elegant, bezwerend, zelfs betoverend is de openingsscène van ‘Tochtgat’. Ze begint bij een langharige lanterfanter (Filip Vandemeulebroecke) die tegen een hoge lattenwand op een stoeltje zit. Zijn voorkomen heeft iets van een oude rocker: zijn broek is kort geknipt, zijn haar lang gevlochten. Bijna verveeld voert hij een verloren reep papier aan het lege vlak voor hem. Zo voltrekt zich het wonder: gegrepen door de tocht van alle blazers op scène begint het reepje een dans van jewelste. Het kronkelt, wervelt, wentelt zich omhoog. Gefascineerd voegt Vandemeulebroecke intussen ook nog andere luchtigheden toe aan het spektakel: een glinsterend stuk zijdestof, een vuilniszak, een licht matje. Zoals het iconische dansende plastic zakje in de film ‘American Beauty’ leveren ze samen poëzie die uren zou mogen duren.

Alleen zijn Peter Vandemeulebroecke en Jef Van gestel te veel ‘speelvogels’ om het daarbij te laten – in de dubbele betekenis van het woord. Enerzijds kennen we ze al langer als gepatenteerde knutselaars, die graag creatief aan de slag gaan met alle ongekende mogelijkheden van hun gekozen materiaal, zoals uitvinders in een atelier. In hun eerdere samenwerking ‘Kadrage’ (2019) trokken ze via touwtjes steeds nieuwe houten kadertjes omhoog uit een knoeiboel van houten latten op scène. In ‘Deeg’ (2022) kneedden ze zichzelf met kilo’s meel om tot bizarre dierlijke en andere creaturen. Hun theater spruit veeleer voort uit de materie dan uit een voorafgaandelijke inhoudelijke intentie.

De richting van ‘Tochtgat’ wisselt met elke scène, als een windhaan in zeer wisselvallig weer.

Zo duiken er nu ook in ‘Tochtgat’ algauw meerdere grootse ‘knutsels’ op van achter de lattenwand. Het zijn majestueuze figuren uit zwarte plasticfolie, die evenveel eer scheppen in de snelle plakband waarmee ze aan elkaar zijn gebricoleerd, als in de groteske fantasie die ze uitdragen. Een opgeblazen kat van wel drie meter hoog begint onderaan haar buik aan haar muisje te prutsen. Een minstens zo grote stoomboot blaast vanuit zijn schouw rode vuilniszakken naar buiten als kauwgombellen. Als het maar luchtig blijft…

Anderzijds blijven Van gestel en Vandemeulebroecke ook onvervalste spelers, met een lichte aandrang tot slapstick. Met hun langharige pruiken en ietwat onnozele werkmanskleren claimen ze ook zelf hun plekje voor het voetlicht, als personages. Vanzelf roept dat allerlei extra vragen op. Wie zijn precies die knullige heertjes waarin ze zich verkleed hebben? Verveelde vuilnismannen met een esthetische aandrift? Twee vereenzaamde broeders in een blokhut? Je gaat een verhaal zoeken, terwijl dat er niet echt is. Als grote kinderen schouwen beide heren simpelweg hoe de wind aan de haal gaat met steeds nieuwe objecten die ze aanbrengen, van een hele wc-rol tot een sliert aluminiumfolie.

Hun uitgestreken tronie daarbij is mime pur sang. Maar naarmate hun expressie groeit, en ze het zijdelingse dirigeren opgeven om als spelers zelf in de ring te stappen, gaan er ook steeds meer andere genres de scène innemen. Thriller, horror, clownerie met een grote luchtworst: de richting van ‘Tochtgat’ wisselt met elke scène, als een windhaan in zeer wisselvallig weer. Waarom en waartoe? Moeilijk te zeggen. Omdat het zo kwam aanwaaien in het atelier?

De slotsom is bijna tragisch: beide spelers lopen in de weg van hun eigen poëzie.

Dat is de keerzijde van veel knutselvoorstellingen: ze drijven op hun improvisatorische vondsten en visuele vindingrijkheid, maar missen een drijvend idee dat verder gaat dan wat ze fysiek uitvoeren. Af en toe zie je in ‘Tochtgat’ wel glimpen van een groter verhaal, van een verbruikswereld die ten onder zal gaan aan orkanen en te veel afval. Maar hoe verder de voorstelling zich afwikkelt, hoe meer zij het slachtoffer wordt van haar eigen winderigheid: nog een ideetje, nog een scènetje, nog een act!

Als er al een lijn zit in dit objectentheater, is dat het zoveel meer spreekt én treft naarmate de objecten de dans leiden, terwijl het zoveel platter dreigt te worden naarmate de spelers als personages zelf de aandacht opeisen. Het dieptepunt is een gevechtsscène waarin Van gestel en Vandemeulebroecke elkaar in hun nakie te lijf gaan als knokkers in een game. Ineens wordt hun wisselwerking een dwaas gekunsteld theatertje, terwijl de hele kracht van hun creatie net bouwt op haar spontane omgang met gecontroleerde onvoorzienigheid.

De slotsom is bijna tragisch: beide spelers lopen in de weg van hun eigen poëzie. Zoals de personages het willen winnen van de objecten, willen de onvervalste spelers het winnen van de gepatenteerde knutselaars. Allebei moeten ze het echter afleggen tegen de magische verwondering die dansende stoffen in allerlei kleuren zoveel spontaner weten op te wekken. Dat precaire evenwicht tussen dingen en mensen, tussen objecten en hun animatoren, zat zoveel beter in bijvoorbeeld ‘After All Springville’ van Miet Warlop.

Dat Van gestel en Vandemeulebroecke jammerlijk weggeblazen worden door de fragiele oorspronkelijkheid van hun eigen creatie, komt ook doordat lang niet elke scène genoeg heeft kunnen rijpen om echt te raken. Zijn ze daarin wel genoeg bevraagd door een outside eye? Gaandeweg zie je niet enkel meer hun personages met de objecten klunzen, maar ook zijzelf als makers. Neem het witte huisje dat ze als apotheose opblazen als een luchtkasteel, om er dan door een ritsspleet in te verdwijnen met een zaklamp. Er volgt daarna eigenlijk niets dat hun keuze voor die verdwijntruc echt verklaart. Wanneer de lucht uiteindelijk langzaam weer ontsnapt uit het huisje, zakt ook ‘Tochtgat’ als een pudding ineen.

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz