Toneel

Reporters de guerre Sébastien Foucault / Cie Que Faire?

Het gaat niet beter met de wereld.

Sébastien Foucault en zijn Cie Que Faire? uit Luik maakten met ‘Reporters de Guerre’ een documentaire voorstelling over de oorlog in Bosnië-Herzegovina (1992-1995) en vooral over dat ene bloedbad in Tuzla, dat ongeveer vergeten is – behalve in Tuzla zelf. Maar eerst een persoonlijke herinnering, die akelig toevallig samenviel met het onderwerp van de voorstelling. Ik merkte het pas toen ik keek en luisterde.

Reporters de guerre
Klaas Tindemans Théâtre Les Tanneurs, Brussel, in het kader van Kunstenfestivaldesarts meer info
12 mei 2022

Lieu de mémoire, herinneringsplek, herdenkingsplek, geheugenplek. Eén van de meest trieste herdenkingsplekken waar ik ooit kwam is een kerkhof in Tuzla, waar 51 slachtoffers van het bloedbad van 25 mei 1995 op het Kapija-plein samen begraven liggen, met vlakbij het bescheiden Kuća plamena mira, het ‘huis van de vredesvlam’. De week voordien verbleven we in Sarajevo, waar we de littekens – de verwoeste markt, de sniper alley en zoveel meer – zwijgend bekeken, en dan kom je aan in de meest kosmopolitische stad van Bosnië, de enige gemeente die tijdens de oorlog geen nationalistische burgemeester had, waar vluchtelingen zonder onderscheid opgevangen werden.

Precies daar doodde een clustergranaat, afgeschoten vanuit Bosnisch-Servisch gebied, 71 mensen, met een gemiddelde leeftijd van 22 jaar. De verantwoordelijke, generaal Novak Dukič werd veroordeeld, maar kon door een loophole in de strafprocedure naar Servië vluchten en blijft tot vandaag beweren dat het om een islamitische zelfmoordaanslag ging.

In dat ‘huis van de vredesvlam’ vertelde een jonge vrijwilligster ons over de illusies van Tuzla die, twee maand voor de genocide in Srebrenica, aan flarden werden geschoten. Met een licht Joegoslavisch-nostalgische ondertoon legde ze uit dat iedere Bosnische burger herleid werd tot een religieuze identiteit: moslim (Bosniak), katholiek (Kroaat) of orthodox (Serviër). Dat was het meest cynische, vond ze, dat je je moest bekennen tot een geloof, tot een manier van denken die precies die hele oorlog, langs alle kanten, gerechtvaardigd had. Je kon niet níet kiezen. Tweehonderd meter verder lagen de jonge doden, mét een religieus merkteken.

Het Joegoslavië van maarschalk Tito was in alle opzichten een laag vernis geweest, die 45 jaar standgehouden had, en de wrange ironie wilde dat 25 mei de verjaardag van Tito én de ‘dag van de jeugd’ was, waarop ‘verdienstelijke’ jongeren een aflossingsloop hielden van het noordwesten van Slovenië tot het zuidoosten van Macedonië, elk jaar opnieuw, tot in 1988. De aflossingsstokken worden bewaard in het mausoleum van Tito, in Belgrado, een verwaarloosd monument van afbrokkelend marmer. Die slordige lieu de mémoire, die ook de gebroken geschiedenis verbeeldt, bezochten we op het einde van onze reis in 2008.

In ‘Reporters de guerre’ wordt dus over de oorlog in Bosnië verteld, door drie spelers. Françoise Wallemacq, journaliste bij de RTBF, Vedrana Božinović, Bosnische actrice en destijds actief als radiomaakster, en Michel Villée, acteur en poppenspeler. Twee reële oorlogsgetuigen en een functionele speler dus. De ruimte wordt beheerst door een kleine radiostudio. Voor het overige staan er tuinstoelen en -tafeltjes, een schminktafel en veel onduidelijke spullen, die soms als rekwisiet dienen. Dingen die je zeker achterlaat als je je huis ontvlucht.

In de radiostudio vertelt Wallemacq over haar ervaringen ten tijde van de Bosnische oorlog, waar zij verslag uitbracht over het menselijk lijden, terwijl haar collega zich met de politiek bezighield. Božinović doet haar verhaal, hoe ze zich als zestienjarige verplicht voelde over de ellende te vertellen, als directe getuige van de krankzinnige werkelijkheid. Terwijl ze ook een radioversie van Blade Runner én van Grease speelde. Villée is altijd een personage, bijvoorbeeld een Brits journalist die terugkijkt op de overmoed en de geldingsdrang van de jonge, ambitieuze reporter die hij was of toch zeker wilde zijn. Het zijn algemene verhalen, een zoveelste panoramisch verslag over een oorlog, vandaag al te herkenbaar, zonder scherpe focus.

Men schuift met stoelen en tafels, men zet de camera aan en af, om iets uit te vergroten, men blaast toneelrook en er klinkt zeer luide muziek, een soort turbo-folk, mét waarschuwing. De granaat in Tuzla is een anekdote tussen de anderen. Maar als Božinović, die altijd het publiek opzoekt en dit soms ook provoceert – genre ‘vijf minuten na de voorstelling zijn jullie toch alle leed weer vergeten’ – enthousiast over de vroegere festiviteiten op 25 mei uitweidt, over de aflossingsstok, over de fictieve verjaardagdatum van Tito, wordt stilaan duidelijk dat men wil inzoomen op iets specifieks: het bloedbad van Tuzla dus.

Men toont kaarten van de safe havens, de illusoire veilige zones die de strijdende partijen hadden afgebakend met de VN en meteen daarna geen enkele bescherming bleken te kunnen bieden. En steeds meer gaat het over Tuzla, die abnormale stad waar afkomst geen rol speelde, of niet mocht spelen. Waar de waakvlam van de (onbestaande) vrede krampachtig brandend werd gehouden. Opnieuw een plattegrond, van het Kapija-plein, met figuurtjes die, afhankelijk van hun kleur, op slag dood, kort nadien dood, zwaar gewond waren – de groene mensjes overleefden het, soms omdat ze het geluk hadden onder twee lijken te vallen.

De figuurlijke camera van de vertelling zoomt nog meer in, op het drama van Sandro Kalesić, een jongetje, twee en een half jaar oud, getroffen door stukje metaal ter grootte van een rijstkorrel, recht in zijn hart. Hij stierf seconden later in de armen van zijn vader. Villée haalt een pop tevoorschijn, een realistisch geboetseerd kind op ware grootte, en de tuinstoelen staan nu op een terrasje op het Kapija-plein, terwijl Božinović, – vertelster én moeder, op dat moment – alle details nauwkeurig toelicht. Zij is nu helemaal de geëngageerde actrice die, met een documentaire attitude, de feiten verslaat, maar die zich tegelijk met bescheiden lichaamstaal in de slachtofferrol inleeft.

Op het ultieme moment, ontploft de scène, zilveren snippers – totaal ongevaarlijk – vullen de scène, snippers die anders door feestkanonnen worden afgeschoten. En opnieuw zeer luide muziek, dit keer het ‘Killing in the Name’ van Rage Against The Machine, die inderdaad een morbide soundtrack leverden bij de Bosnische oorlog. En dan sterft de voorstelling weg, commentaar valt er niet meer te leveren. Božinović zingt nog iets uit ‘Grease’: ‘You’re the one that I want, ooh ooh ooh…’

Bedenker en regisseur Sébastien Foucault heeft vaak meegewerkt aan producties van Milo Rau, het meest prominent als haatprediker Georges Ruggiu in ‘Hate Radio’. De studio in deze ‘Reporters de guerre’ lijkt ernaar te verwijzen, alhoewel radio hier als een empathisch medium werkt, niet als een ophitser. Toch is de invloed van Rau reëel, met name in de bewuste omgang met theatraliteit: acteurs schminken zich en kleden zich om op de scène, de poppenspeler is tegelijk manipulator en (vader)personage, de aanwezige camera vergroot de mimiek.

Anders dan Rau in bijvoorbeeld ‘La reprise’ gaat Foucault echter niet in op meta-theatrale kwesties. Hij komt ook zelden in de buurt van een re-enactment. Dit is verteltheater in een getroffen ruimte. Getroffen door de chaos van een uitdijende research, maar vooral door de oorlog zelf. De dramaturgie is strak, evolueert van een breed uitgetekend oorlogspanorama, nogal didactisch eigenlijk, naar een intieme close-up op Sandro Kalesić, die als pop tegelijk dood en levend is.

Als toeschouwer beweeg je je van intellectuele interesse naar pure empathie, bijna onaangenaam emotioneel. Een dood kind is het laatste wat je wil zien. De ‘experts van het alledaagse leven’, Wallemacq en Božinović, zij die de oorlog zélf meemaakten, versterken die beweging van hoofd naar hart en buik, omdat zij een onvoorwaardelijke geloofwaardigheid etaleren: precies die waarheidsclaim maakt documentair theater relevant – en tegelijk problematisch- maar niet hier. Misschien is de uithaal van Villée, Franstalig en zelf afkomstig uit de Brusselse rand, naar de flamingante wandelaars van De Gordel wat gratuit. Maar zijn punt is uiteraard dat de oorlog net daar uitbreekt waar niemand hem verwacht of denkbaar acht. En dat de nationalistische gevoelens in ons beschutte West-Europa niet minder barbaars hoeven te zijn dan in de Balkan, toen en nu. Dat beseffen we ondertussen wel.

Het gaat helemaal niet goed met Bosnië-Herzegovina, en Božinović herhaalt dit voortdurend, met een scherpe (en scherpzinnige) analyse: niet de vermeende nationale identiteit heeft de oorlog (en de ongeneeslijke naweeën) mogelijk gemaakt, maar hebzucht en inhaligheid van leiders die handig en genadeloos profiteerden van het wilde kapitalisme dat in het Joegoslavische machtsvacuüm zo kon floreren. Haar woede, haar melancholie is van dezelfde aard als het verhaal van de vrijwilligster bij de ‘vredesvlam’ met wie ik 14 jaar geleden toevallig in gesprek raakte. Op die akelige herinneringsplek, in dat park vol jonggestorvenen. ‘Reporters de guerre’ trof mij, in het hart. Niet als een dodelijke rijstkorrel, maar als een gênante blik in de duisternis. Het gaat niet beter met de wereld.


Uw steun is welkom
Pzazz.theater vraagt veel tijd en inzet van een grote groep mensen. Dat kost geld. Talrijke organisaties steunen ons, maar zonder jouw bijdrage als abonnee komen we niet rond als we medewerkers eerlijk willen betalen. Uw steun is van vitaal belang en betekent dat we onafhankelijk recensies over de podiumkunsten kunnen blijven schrijven. Alvast bedankt!

Abonneren Login